Skip to content →

Karin Ramaker Posts

Lekker wildplassen.

Vanmiddag was het net droog toen ik onder de kap ging staan van school om mijn oppaskind op te halen. Op de speelplaats liep een klein jongetje wiebelend heen en weer. Toen ik beter keek zag ik dat hij ook zijn voorkant vasthield. Een gevalletje ik-moet-plassen. Moeder stond druk te praten met een andere moeder. Ze hadden niet in de gaten dat het jongetje heen en weer wiebelend piepte: ‘Ich muss pipi!’ ‘Ich muss pipi!’ Mensen die het zagen wisten wat ik wist, dit jongetje ging in zijn broek plassen. De toiletten waren te ver weg en moeders had nog steeds niets door. Je zag de wanhoop in de ogen van het kleine kind. En toen schoof hij heel snel zijn broek en onderbroek tegelijkertijd naar beneden en plaste pontificaal op het schoolplein.

Als je moet, dan moet je, maar als je vrouw bent wel in een urinoir. Ja, je leest het goed, in een urinoir. De dame die vorig jaar heel nodig moest kon niet anders dan ergens in een donker steegje gaan plassen. Ik kan me voorstellen dat deze vrouw liever een toilet had opgezocht of naar huis was gegaan maar de omstandigheden waren er blijkbaar naar dat dit niet anders kon. Aangezien er in de steden een fors aantal urinoirs staan voor mannen (plassen mannen veel vaker en kunnen zij hun plas niet ophouden totdat ze thuis zijn?) maar veel minder toiletten voor vrouwen wordt het heel erg lastig om naar de openbare w.c te gaan. 

De rechter bepaalde vandaag in een rechtszaak dat een vrouwelijke wildplasser ‘desnoods haar behoefte op een urinoir had moeten doen.’ Ik denk dat deze rechter een man was.

[Nav dit artikel.]

Leave a Comment

Zij kosten iedereen geld.

Een hele poos geleden, tussen de schaterende mensen met drankjes in hun hand, was ik getuige van een gesprek dat binnen een kwartier een erg pijnlijke discussie werd. ‘Ik begrijp die mensen niet die gehandicapte kinderen geboren laten worden.’ Ik stond erbij, net vers uit het ziekenhuis waar ik een klein hummeltje bij zijn ouders achtergelaten had. ‘Als je van tevoren weet hoe het zal gaan, dan kies je daar toch niet voor? Ze hebben toch niet voor niets die testen?’ Ik keek naar de wolken die voorbij dreven in de lucht. Er waren prachtige donzige witte wolken bij, onschuldig. Er verscheen een grijze wolk. Een regenwolk. Hij hing boven ons gesprek. ‘Ze zadelen ons maar op met de kosten. Wij kunnen het weer gaan betalen Zij kosten iedereen geld.’ Toen hing die ene wolk boven ons.

Ik keek naar de wijn in het glas die zich als een draaikolk rondtolde in mijn hand zoals mijn hoofd zich plotseling voelde. Het rationele kon me gestolen worden. Dit ging zo ver voorbij rationeel denken.

Tegenover me stond iemand met een goede baan, een prima gezinsleven. Alles voor elkaar. Niets te klagen. Er was een schat aan gezondheid.

‘Ik mag hopen dat jouw kind nooit, nooit onverwacht met een ernstige aandoening in het ziekenhuis belandt. Dat je door de onderzoeken heen moet, onzekerheden, wachten op artsen, wachten in wachtkamers, gesprekken waar je geen bal van begrijpt omdat je te nerveus bent het in je op te nemen, je op je werk moet zeggen dat je niet kunt werken want je kind ligt in het ziekenhuis. Ik mag hopen dat je nooit hoeft mee te maken dat er wordt geconstateerd dat je kind toch een erfelijke afwijking heeft. Het uit zich nu pas. Want ook al weet je het soms wel tijdens de zwangerschap, dan nog weet je niet hoe het zich zal ontwikkelen. Ik mag hopen dat je nooit de vraag krijgt om je kind maar ‘af te breken’ want dat is wat je voorgesteld krijgt.’ Ik bleef rustig. En, ik mag hopen dat er nooit, nooit iemand tegen je zal zeggen dat jouw kind ons teveel geld kost.’

Ik was blij dat ik dit gezegd had.

(Dit naar aanleiding van een ingezonden brief die ik onder ogen kreeg via Twitter.)

 

2 Comments

Een aaneenschakeling van balletten.

* * *

Het was een aaneenschakeling van balletten bij ons thuis. Niemand zag het, niemand applaudisseerde, maar het ballet ging onverminderd door. Het was een slecht ballet, dat wel.

Zo’n poging tot een pirouette die bijna tegen de tafel botste was eigenlijk sneu. Ook het dansen voor de gesloten deur op de balustrade en dan wiebelend de sleutel proberen in het slot te duwen was slecht geoefend. Ik wist het niet maar ik danste mee op de maat van de klanken van de muziek. Soms keek ik, als ik thuis kwam, eerst even om het hoekje om te controleren hoe de sfeer was, voordat ik de huiskamer binnenstapte. Meestal liep ik op mijn tenen. Ik kon sierlijk de honende lachsalvo’s ontwijken of de snurkende trompetmuziek.

Huiswerk maakte ik meestal buiten op het balkon of op de trap beneden want op mijn kamer werd ik soms gestoord door het scherpe dialoog tussen mijn onzin blatende moeder en een ontwijkende vader. Er viel weleens, tijdens het vals zingende koor, een asbak om of een bijzettafeltje. Dan schoot er een streep over mijn schriftje en kreeg ik de volgende dag een opmerking of een vraag van Meester Mark.

Mijn tekeningen kleurden steeds zwarter. Tijdens een tien minutengesprek vroeg mijn leraar aan mijn vader of hij zich zorgen moest maken om de tekeningen. Hij liet er een paar zien. Dikke zwarte lijnen. Ronde schakelingen. Zwart ingekleurde vormen. Zwarte ogen. Zwart.

‘Wat is dat? Een donker bos?’ vroeg mijn vader. Mijn leraar haalde zijn schouders op. Zelf dacht hij meer aan monsters. ‘Wat zijn het Ester?’ had hij gevraagd. En ik besloot daar niets over te zeggen. Ik drukte mijn lippen stijf op elkaar. Als ik zei wat het waren kwam hij weer aan de deur en sloot mijn moeder me op in mijn kamer.

[fictie.]

Leave a Comment