Foto gemaakt door Lamentables
Rond 1979. Aan tafel. Mooi hagelwit, schoon, net gewassen tafelkleed. Borden op tafel. Bestek en pannen. Pannen op onderzetters. Een glas water. Opscheppen. ‘Eet smakelijk.’ Lekker eten. Knoeien. Een heel klein jusvlekje.
‘@#!&^%$#@! Waarom moet je nou knoeien?! Kijk toch eerst eens uit!’
Schrik. Stress.
‘Sometimes when people are under stress, they hate to think, and it’s the time when they most need to think.’ — William J. Clinton.
Nog meer gevloek. Irritatie. Wanhopige frustratie. Uiting geven aan die frustratie. Alsof dat ene kleine vlekje de grootste veroorzaker was van alle ellende in de wereld. Misschien in iemand’s eigen wereld.
‘Joh, dat kan toch in de wasmachine!’ werd gesust. Want zo erg was het nu ook weer niet.
Maar dan was het eigenlijk al te laat. De spanning zat al in mijn lijf. Mijn hart had was al drie keer overgeslagen. Mijn hartritme was al hoger dan voorheen. Mijn alertheid alweer een stapje verhoogd. Mijn eigen stress ingeslikt. Verder eten. Net doen alsof het er niet was. Het moment wegdenken. Het is er niet, is er niet.
Je kunt buigen of breken. Of heel langzaam buigen en dan breken. Je kunt ook denken: ik neem even afstand, kijk ernaar en kijk naar een andere manier. Is het echt zo erg? Kan ik het veranderen? Verbeteren? Oplossen? Het laatste wat ik wil is stress om dingen die ik veranderen kan. Zelf. En al het andere? Daar moet ik mee dealen. Overzicht houden. Overzicht.
