Skip to content →

Karin Ramaker Posts

Het was een machtsverhouding die niet klopte.

Het was een van de eerste keren dat ik uitging. Het was in een dorp ver weg van huis daarom bleef ik bij een vriendin slapen. Het was gezellig, druk, en je moest in elkaars oor schreeuwen wilde je iets van elkaar verstaan. ‘Wil je een drankje van mij?’ Ik schudde mijn hoofd. Hij was me onbekend. Ik had gehoord dat men soms iets in je drankje deed. Mijn vriendin en ik zorgden voor elkaars drankjes. ‘Maar bedankt.’ zei ik nog vriendelijk. Toen ik me omdraaide voelde ik een hand op mijn billen. Er werd eerst gewreven en toen in geknepen. Er stond een half vol biertje op de bar en ik goot de drank over zijn hoofd. Dat had ik natuurlijk niet moeten doen. Kankerhoer. Kutwijf dat ik was. Maar niemand had gezien wat hij deed.

Onderweg naar huis, rond een uur ’s nachts, reed ik het laatste stukje alleen. Het waren maar tien minuten. Ik had een vriendinnetje bij haar huis afgezet. Ik trapte flink door maar bij het spoor moest ik stoppen. Er kwam een trein voorbij. Ik had het niet gemerkt maar er was iemand naast me gaan staan. Hij hield opeens mijn stuur vast. Toen ik besefte wat hij deed rukte ik eraan. Hij hield stevig vast en leek niet los te laten. Ik riep: ‘Laat los!’ Hij liet los. Toen de spoorbomen omhoog gingen reed ik als een gek naar huis.

Hij bedoelde het vast goed. Aardig. Die aaien over mijn bol. ‘Dat is toch niet normaal!’ riep een collega toen ze het gezien had. Toch deed hij dat vaker als ik achter de computer zat. Hij was onze directeur. Streng. Nukkig. Er viel niet echt mee te praten. Dan was het toch aardig als hij dat deed? ‘Nee, hij hoort niet aan je hoofd te aaien.’ zei mijn collega. Hij ging een jaar later met pensioen.

Met Wing Yang was ik bij de kinderboerderij aan het spelen. We aaiden de diertjes. We vonden de bokjes het leukst. Er stond een jongen met zijn fiets naar ons te kijken. Hij glimlachte. Hij leek heel aardig. Toen wij weer naar huis wilden lopen vroeg hij of we even wilden kijken naar iets moois. Hij had het bij zich. ‘Kom.’ wenkte hij. Wing Yang liep meteen mee. Ik stond een beetje te treuzelen. Ik wist niet goed of het nu wel zo’n goed idee was. De jongen stapte van zijn fiets af en begon zijn broek open te maken. ‘Kijk, ik heb een luier bij me en die moeten jullie even bij mij aandoen. Willen jullie mij helpen?’ Wing Yang wilde naar hem toe lopen en ik riep dat we naar huis moesten. We moesten nu echt naar huis!
Ik liep tussen de takken door naar Wing Yang en trok aan haar arm. ‘We moeten naar huis!’ Het voelde niet goed. De jongen was ineens niet meer zo aardig en begon harder te praten. Hij had echt hulp nodig want hij kon de luier echt niet zelf aantrekken. Ik trok aan Wing Yang’s arm en we renden door de struiken het pad op en renden de grote weg over. Er raasden auto’s voorbij en ze toeterden. De jongen was op zijn fiets geklommen en reed achter ons aan. Dit voelde niet langer meer als een spelletje. We renden en renden en toen bonsden we op oma’s deur. De jongen was nergens meer te zien. Wij hijgden na achter de gesloten deur.

Het was een machtsverhouding die niet klopte.

Wil je mijn blogstukjes in je mail ontvangen? Abonneer je dan hier.

4 Comments

Een uithaal van verdriet.

Terwijl de trein wegreed van het perron leunde ik met mijn hoofd tegen de hoofdsteun. Ik was moe. Het was een lange dag geweest. Ik keek links van mij naar het raam waar een prachtige lucht voorbij raasde. Het werd ook al eerder donker, bedacht ik me. Voor me zat een jong stel. In eerste instantie leek er niets aan de hand. Ze zaten dicht bij elkaar. Ze waren in een gesprek verwikkeld. Ik kon het niet horen en hoefde het ook niet te horen. Ik sloot mijn ogen om even in die twintig minuten die ik had een powernap te houden. Maar ik hoorde een uithaal. Een uithaal van verdriet. Een hulpeloos wenen.

‘Maar ik vind niet dat het zo moet! Het is niet eerlijk.’

Gesnotter.

‘Ik begrijp wel dat jij het ook niet wilt, maar…’

Geween.

‘Ik vind het ook heel erg.’

‘We vinden allebei dat het over is, toch?’

Huilen.

Door het spiegelbeeld in mijn rechter raam zag ik schuin voor me twee mensen voorover gebogen. Ze huilden. Zij haalde een hand door haar lange haren die steeds voor haar gezicht lagen. Hij hield twee handen voor zijn gezicht. Ik bemerkte een soort verslagenheid. Het was voorbij.

Plotseling was de trein een afscheid. Twee mensen die gingen splitsen. Je kon op het perron kiezen welke weg je wilde gaan en uitstappen. Ze gingen, als de trein gestopt was, ieder hun eigen weg.

Wil je mijn blogstukjes in je mail ontvangen? Abonneer je dan hier.

Leave a Comment

Ik vroeg me af of ik hier mocht lopen.

Gisterenavond liep ik, in het donker, naar huis. De lucht trok eerst gele en toen oranje en even later paars roze strepen voordat het echt donker was. Alsof iemand met een dikke penseel over de lucht geschilderd had. En ik vroeg me af of ik hier mocht lopen. Alleen. In het donker. ’s Avonds. Was dat toegestaan? Kon dat wel? Was er iemand die eigenlijk vond dat het een domme actie was? ‘Je roept het wel een beetje op je af hè?’

Ik schudde die stem meteen van me af. Natuurlijk kon dat wel. Wat een kul! Natuurlijk mocht je, ook als vrouw, ’s avonds buiten lopen op weg naar huis want anderen hadden met hun tengels van je af te blijven! Al hingen de vlaggen aan mijn blote reet, dan nog bleef je van me af!
Ik was op weg naar huis. Ik pakte de sleutels om de deur te openen. Ik draaide de sleutel in het slot en de deur was open. Er waren mensen die dit niet meer konden nadoen.

Ik legde mijn tas weg, hing mijn jas op en ging even zitten op de bank. Ik vroeg me af wanneer iemand wel of niet een stoornis zou hebben. De afgelopen dagen schoot het woord stoornis me meerdere malen door het hoofd. ‘Iets dat stoort of gestoord is’. Een advocaat in een talkshow op tv benadrukte die avond hoe lastig het was om iemand, die niet wilde meewerken aan een psychiatrisch onderzoek, te veroordelen voor tbs. Ik liet deze gedachte even rustig over me heen gaan. Natuurlijk was het bij iedereen anders hoe hij iemand beoordeelde op wat gestoord gedrag was. Maar moest de rechter nou echt goed nadenken over iemand die op bizarre, perverse wijze twee minderjarige meiskes onder dwang misbruikt had en of dit wel of niet te zien als een stoornis? Mijn maag draaide er bijna van om toen ik mijn koffie wegzette. Het was een sadist.

Ik begreep het rechtssysteem niet. We haalden uitgeprocedeerde vluchtelingen met hun gezin met grof geweld uit een huis maar lieten gevangenen rustig over aan behandelaars die een ander idee hadden over behandelen. Hij kreeg vrijheden. Hij nam ze ook.

Een dag later is er iets veranderd. We zijn veranderd. We zijn wakker geschud.

Nu degenen nog die ons zoveel mogelijk zouden moeten beschermen. Het is namelijk de omgekeerde wereld om te zeggen dat we niet zomaar naar buiten mogen.
Dat we moeten oppassen. Dat we moeten omkijken.
Dat we niet mogen fietsen met onze haren in de wind.

Arm kind. …

3 Comments