SINTERKLAZIG:

“Nou, wie weet nog een sinterklaasliedje?” De kinderen lachen wat maar er komt niets meer uit. Doodmoe zitten ze ‘s middags aan tafel. Sommigen met hun hoofd op hun arm. Anderen zijn in lalaland of gewoon duf. Dat middagslapen was geen succes. Na krap een uurtje werd er alweer een feestje gevierd. Vlogen de pantoffels en sloffen door de slaapkamer en zaten er twee als echte hooligans aan de spijlen te trekken.
“Sinterklaas Kapoentje dan?” Na enig gekrabbel op m’n hoofd bedenk ik me wat de uitleg ,die men zo wijs in de commentbox geplempt heeft, betekent. “Dan laten we de gecastreerde haan maar achterwege…” Mijn collega verslikt zich bijna in haar koffie van het lachen. “En een, twee, drie…” Ik zing het liedje desnoods maar alleen. Ik klap in mijn handen maar de rest geeft geen sjoege.
“Nou ook lekker. Krijg ik nu, denken jullie, wel een cadeautje in mijn schoen vannacht? Want ik heb nu heel goed gezongen. Dat heeft Piet, denk ik, wel goed gehoord!” T (3,5 jaar) schudt zijn hoofd. “Niet! Piet-Die-Niet-Kan-Horen zit nu op het dak!”

Wijsneus.

WEDERZIEN DEEL 2:

Hij was gaan zitten, zijn jas uitgedaan en had een hand door zijn haar gehaald. Ondertussen had hij constant haar blik op hem gericht gevoeld. Het maakte hem nerveus. Ongemakkelijk. Raar.
De ober had gevraagd of hij ook iets te drinken wilde. Hij knikte en bestelde een biertje. Dat had hij ook wel nodig. Hij glimlachte zonder echt te glimlachen en keek zijn gezelschap aan.
“Daar zitten we dan…”
“Ja…”
Nadat zij een slokje van haar gloeiend hete koffie gedronken had en hij een enorme slok van zijn biertje, probeerde hij in zijn gedachten de juiste woorden te vinden om deze ontmoeting te omschrijven. Zoals een projectleider zou doen om zijn doel uit te bouwen. Hij begon te praten, haperend, stotterend, en zij luisterde zwijgend. Soms had hij daar irritaties over gevoeld; dat zwijgzame van haar. Later, toen het al te laat was, had hij er bewondering voor gehad. Maar hij had het niet meer durven vertellen.
“Ik ben toch wel blij ergens dat we afgesproken hebben. Dan kan ik het nu afsluiten.” sprak zij op het laatst. “Ik dacht dat je boos op me was.” Hij keek verbaasd op. Schudde zijn hoofd. “Nee, niet boos.”
Hij had gezucht. Ook voor hem was het een twijfeling geweest. Zou hij er wel goed aan doen? Waren er niet teveel herinneringen die aan de oppervlakte verveelden?
“Het is goed zo. Ja he?” had ze gevraagd.
Ze hadden de rekening betaald, hun jassen weer aangedaan, waren samen naar de deur gelopen, hij had haar voorgelaten. In het donker, in het schemerlicht van buitenlampen waar de miezerregen doorheen danste, hadden zij elkaar aangekeken. Haar haklaarzen klikklakkend op de straten.
Zij was het centrum in gelopen. Hij had haar nagekeken. Het was echt goed zo.