ER WAREN DRIE TAFELTJES BEZET,

bij Antonio. Het bordje sprak ‘open’, het aquarium zoemde terwijl het belletje rinkelde omdat een pizza klaar was gelegd in een kartonnen doos.

Het was ergens een lachwekkend gezicht. Het oude vrouwtje met lichtpaars haar at van haar spaghetti bolognese terwijl bij elke hap de meeste spaghetti eraf viel. Het kaarsje wapperde door de koele airco terwijl ze haar rood met witte ruitjes tafelkleed bevuilde met rode saus.

Het grote gezin in de hoek, met twee kleine kinderen, tante’s en ooms, maakte veel lawaai. Er werd gebeld met een mobiele telefoon terwijl vader een hap nam van een stuk pizza. Zijn mond kleurde bijna net zo rood als de lipstick van zijn echtgenote.

Men zou het meteen geloven als er plotseling een kleine, forse man met zwarte leren jas aan en sigaar in zijn mondhoek binnen zou wandelen met een norse blik in zijn donkere ogen. Hij zou zomaar plaats kunnen nemen bij het voorste tafeltje, dichtbij het aquarium. Dichtbij mij. Met zijn zilveren armband om zijn dikke pols zou hij wenken naar de eigenaar, Antonio.

Antonio haalde met het deeg allerlei kunstjes uit. Vroeg voor de derde keer of ik iets wilde drinken, maar ik wilde wachten. Hij gooide het deeg de lucht in, ving het handig op en draaide het heen en weer tussen zijn handen.

Als de zwart leren jas meneer tegenover me had gezeten, was ik denk ik gaan neuzen in een folder die op de tafel lag. Uit voorzorg. Misschien was straks zijn pizza niet goed gemaakt, zat er teveel ansjovis op, en zou hij ruzie gaan maken. Met heftige gebaren zou hij Antonio duidelijk proberen te maken dat die pizza echte niet kunne!

De vrouw des pizzarias gaf me ineens het bonnetje. Of ik nu wilde afrekenen. Ja, dat wilde ik best. Ik gaf haar een tientje. Kreeg wat geld terug. Ik bekeek het aquarium nog eens. Zag de tropische vissen heen en weer zwemmen. Met een plof legde Antonio de pizza op de tafel waardoor ik schrok. Ik zat middenin het beantwoorden van een sms-je. ‘Isse klaar.’ mompelde hij en wees met zijn geopende hand vol stoffige deeg naar de zwaar geurende doos.

Ik wilde bijna zeggen: ‘isse goete’, maar dan had Antonio vast the imaginary leatherjacket man gebeld.

EN TOEN STOND IK OPEENS,

aan de rand van het meest zuidelijkste puntje van Europa.
Met een enorme harde wind, die mijn t-shirt tegen mijn lijf aan deed kleven,
en die me bijna uit mijn evenwicht blies.
De zon was ontzettend fel. De rots onwerkelijk hoog en de diepte zo diep, dat het me duizelde als ik te ver eroverheen keek. Maar ik stond er.

Even sloot ik mijn ogen. Voelde het zand tegen mijn wangen, harde korreltjes. Met mijn mond dicht, want anders proefde ik het. De warmte van de zon was als een dikke deken. Ik moest oppassen dat ik niet ter plekke verbrandde, zoals jaren geleden.

De wind streelde mijn huid. Kriebelde achter in mijn nek en liet zich dwars door kleding gaan. Als ik wilde, strekte ik mijn armen uit en liet me voorover gaan.
Er was niemand hier. Helemaal niemand. Ik was alleen.

Sagres 2007.

KLIK.