De kust en zijn demonen.

Mijn handdoek lag te bibberen op het zand. De hoeken links van mij dwarrelden steeds omhoog. Toen ik het laken wilde neerleggen op het zand wapperde hij gewoon weg. De wind aan de kust is krachtiger dan trappend op je pedalen onderweg.

Terwijl twee jongens stoer aan het beachvolleyen waren, eentje met een gebroken onderarm en de ander met een katerkop waarschijnlijk, lagen twee meiden in ini mini bikini’s dicht tegen elkaar aan. Alsof ze met gesloten ogen fluisterend geheimen met elkaar deelden.

Naast me kwam een oudere man aanlopen, zette een visstoeltje neer en ging zitten. In heel zijn verouderde gezicht zag ik rust en tevredenheid. Totdat zijn vrouw en jonge zoon eraan kwamen. Mijn rust werd wreed verstoord doordat de vrouw in het nederlands met indonesisch accent tekeer ging tegen de man. Dit was toch niet dichtbij? Ze moest verdorie een heel eind lopen met al die spullen. De tevreden uitziende man leek een donderwolk. Pak je spullen dan en ga! Ga dan! Je moet je godverdomme niet zo aanstellen!

Al die tijd vroeg ik me af wat die jongen nu gedacht en gevoeld moest hebben. Hij had al die tijd niets gezegd, ging stug door met het uitpakken van een nieuwe parasol dat nog in het plastic zat en ging erna zwijgend een boterhammetje eten.

De zon brandde op mijn huid, ik had wat hoofdstukken gelezen van mijn nieuwe boek, wat goed begon maar me nu teveel in verwarring achterliet; ik kon er gewoonweg soms geen touw meer aan vastknopen en de hoofdpersoon Oskar, dat een negenjarig jongetje zou moeten zijn, leek soms in zijn doen en laten veel ouder. Ik pakte mijn spullen en ging richting boulevard. Ik had dorst gekregen en was een flesje water vergeten mee te nemen.

Zittend op een bankje bekeek ik de voorbijkomende vakantiegangers en andere bezoekers. Totdat ik een ouder echtpaar spotte, een aantal bankjes van me vandaan, in een conflictsituatie. Hij stond op, blafte wat en liep weg. Haar verbaasd achterlatend. Zij bleef zitten waar ze zat, keek naar zijn kleiner wordende postuur en pinkte een traan weg.

Ik kan niet tegen ruziende mensen. Het maakt me verdrietig en vervelend van binnen. Ook al zijn het mensen die ik niet ken. Het laat me teveel toe. Dat negatieve. Het hatelijke. Het ik-heb-ooit-van-je-gehouden-maar-ik-zou-nu-niet-meer-weten-waarvoor.

Op mijn fiets keerde ik om en reed via de duinen terug naar huis.

3 reacties op “De kust en zijn demonen.

  1. Mooi geschreven! En ken het: ook al ken je ze niet, het geeft een soort knoop in je maag. Hopelijk zal ik nooit zo eindigen met vriendlief ;)

  2. Ik word ook altijd naar als ik mensen hoor of zie ruzieën. Krimp er zelf beetje van ineen soms.
    (en ‘zonden’ de twee meisjes?wat is dat?)

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>