Achterin de klas. Zodat ik alle kruinen voor me kon zien. Als iemand zich omdraaide zag ik naar wie degene keek. Keek de persoon naar mij dan bekeek ik eerst hoe die persoon deed; reageerde. Was het een vriendelijke vraag, een leuke opmerking, dan was er niets aan de hand.
Ik deed mijn best, echt mijn best, om te volgen wat er gezegd en uitgelegd werd. Als het Nederlands, Engels of het tekenvak was dan was ik geinteresseerd en kon ik alles goed in me opnemen. Economie, wiskunde of biologie kon me gestolen worden. En ook aardrijkskunde, natuurkunde en Duits.
Ik deed echt mijn best om alles te volgen maar heel vaak wierp ik een blik naar buiten, langs de bomen en het grasveld langs de lange weg naar huis. Ik wenste vaker dan vaak dat ik weer thuis was.
Ik maakte zonder erg tekeningen in mijn schrift of haalde mijn pen helemaal uit elkaar. Ik scheurde een hoekje papier uit mijn schrift en maakte er een zo klein mogelijk propje van. Of ik stak mijn hand op, als ik echt niet meer stil kon zitten, en vroeg of ik naar de w.c mocht.
Ik voelde me een eenling. Een andermans kind. Een klungeltje, een outcast. Mijn zelfbeschilderde sweatshirt met een Madonna hoofd werd uitgehoond, en toen ik mijn felroze regenlaarsjes een keer droeg op een stormachtige regendag gingen leerlingen ergens anders zitten.
Ik droeg een felgroene strik in mijn hoge paardenstaart en vroeg me af, toen ik eenmaal thuis was en voor de spiegel stond in de badkamer, of ik die strik uit moest doen. Ik overwoog het, zoals je overweegt een oorlog te stoppen om de vrede te bewaren.
Prachtig!