Kijk om, en loop weer door. Deel 33.

Ik was al zoveel malen langs de vijver gelopen, onderweg naar school en weer naar huis. Langs die vijver lagen grasvelden die langzaam hoger werden, waardoor je in de zomer eraf kon rennen en in de winter met een slee naar beneden suisde. De vijver was omringd door grijze hekken. Aan de voorkant stonden wij vaak eendjes te voeren. Ooit had mijn vriendinnetje ons wijsgemaakt dat je potlodenkrijt in de grond kon stoppen waardoor er potlodenbloemen zouden groeien in alle kleuren potlood. Ik stopte weleens versgeslepen potlood en afgebroken punten in een kuiltje in het zand en hoopte op potlodenbloemen in allerlei mooie kleuren.

Op een nacht, het was zo ontzettend donker, zag ik een oude man en vrouw; de man ondersteunde zijn vrouw, bij die vijver. Ze stonden aan de rand. Er dobberde een bootje op de vijver, het zat vast aan een dik touw. Wat precies de verbinding was tussen het bootje en het oudere echtpaar wist ik niet.

Ik zag dat de man samen met de vrouw het water inliep. Ik was een toeschouwer; niet bij machte iets te doen. Er draaide zich een film aan me voorbij, alleen leken de beelden zoveel malen sterker en helderder. Het was het beeld alleen dat ik niet aanraken kon. Ik was de toeschouwer met handen gebonden.

Toen de man en de vrouw halverwege in het water stonden, hield de man zijn vrouw steviger beet, leek iets te fluisteren in haar oor voordat hij haar in één beweging achterover duwde. Ze liet zich gewillig meevoeren en verdween in het water. Het moment leek uren te duren, met een oorverdovende stilte, geen enkel geluid. Doodse stilte.

De vrouw kwam niet meer terug. Ze was met het water weggedeind in een oneindige stilte. De man stond met gebogen schouders in het water en hing zijn hoofd. Het bootje was in zijn buurt en dobberde aan het touw langs hem heen. Hij waadde met zijn lijf door het water om naar het bootje te keren. Heel even zag ik opeens een beeld van een oudere man en vrouw samen in een bootje. Ze lieten zich samen meevoeren op het water, de verte in.

*Of je het gelooft of niet, een dag later las ik in de krant dat een man zijn vrouw gedood had door haar te laten verdrinken. Zijn lichaam werd ook gevonden. Ik was een jaar of tien denk ik.

I’ll Fly Away.

Wally Lamb was en is mijn ultieme favoriete schrijver. Toen ik voor het eerst She’s Come Undone las, was ik geïntrigeerd en onder de indruk van de manier waar op hij in een tienermeisje kon kruipen en haar zo levend liet zijn in geschreven woorden. Ik las de Engselse versie in één ruk uit. Het is misschien één van mijn eerste Engelstalige boeken in mijn boekenkast.

Zijn tweede boek I Know This Is Much Is True, over tweeling broers waarvan de ene schizofreen is, blies mij omver. Het boek telt 901 pagina’s maar zelden kon ik het boek apart leggen om iets anders te gaan doen. Ook deze keer was het buitengewoon fenomenaal hoe een schrijver zulke diepe karakters kon neerzetten door middel van herinneringen, fantasie en opmerkzaamheid.

Een paar weken geleden begon ik in het boek I’ll Fly Away uit nieuwsgierigheid. Het boek is namelijk een tweede deel van een project dat Wally Lamb tot stand bracht in een York Correctional Institution in Connecticut, USA. Een creatief schrijvers cursus in een vrouwengevangenis.

Ik begon te lezen en kwam er eerst moeilijk doorheen. Sommige ‘essays’ waren jeugdherinneringen maar al snel werden de verhalen rauwer en zoals hun leven zich voortduwde; gebroken, hopeloos en soms verdrietig maar ook weer vol kracht. Het gaf mij een kijk in hoe gevangenisleven in Amerika eraan toe gaat. Vieze, stinkende toiletten, te kleine of te grote schoenen zonder veters, zelfmoorden, segregation time, nooit huilen en plein publique, lawaai, vies en smerig eten en de meeste straffen van meer dan zeven jaar. Afgelopen weekend reisde ik twee uur heen naar het zuiden des lands en de volgende dag weer twee uur terug naar huis. Onderweg sloeg ik telkens een bladzijde om. Het greep me aan, die verhalen, het ene verhaal meer dan de ander, maar alle verhalen waren indrukwekkend omdat zij beschreven hoe hun lleven vol onschuld naar een keiharde veroordeling leidde.

Ik geef geen mening over eigen schuld, dikke bult. Het enige dat ik mooi vond aan het boek waren de levensechte verhalen. Hoe triest, mooi, rauw, geweldadig of spannend dan ook.

‘What I hope is that people reading this book will bear in mind that we are human beings first, inmates second.’
–Bonnie Foreshaw