Als het net gebeurd is mag je bijna niet denken aan het feit dat ook deze jongen ooit een baby was en in de armen lag van twee jonge ouders die nooit in hun leven wensten dat hun opgroeiende zoon unheimliche gedachten kreeg en zichzelf en de wereld om hem heen dood wenste. Want je moet boos zijn en vuur spuwend haten. Ik kan het niet.
En ik ga me niet eens bedenken wat ik zou voelen of denken op het moment dat mijn dierbaren in een winkelcentrum nog eventjes een kleine boodschap zouden doen en hun leven daar zou eindigen. Als een snap met mijn vingers.
Het was mijn bedoeling het snel weer te vergeten. Alle nieuwsflarden, krantenkoppen, tweets, opmerkingen, verbolgenheid, haatzaaiing, kwaadheid, de rillingen over mijn rug en op mijn armen. Onomkeerbare snaps of the fingers.
En ik stel mezelf vragen. Alsmaar vragen. Ik kan ze niet beantwoorden. Hoe kan het dat er jongeren, kinderen, opgroeien en niet kunnen groeien? Hoe kan het dat we ergens tekort schieten? Hoe kan het dat we schieten, steken, pijn doen?
Ik kende een vijftienjarige jongen. Hij oogde soms agressief en onbenaderbaar. Desondanks kreeg hij altijd mijn glimlach en goeiendag. Hij verdient dezelfde kansen als ik. Ik zou willen dat hij ooit dit liedje zingen kan, omdat hij sterk genoeg is alles aan te kunnen, simpelweg omdat iedereen in zijn omgeving het beste voor hem wenst. En doet. …
Boektip: Vleugelslag – Wally Lamb.
Mooi Karin…
@Loes: dank je. …
Pfoe, wat een mooie blog!