
Een groot deel van ons leven gaan we ‘s morgens naar ons werk en keren ‘s avonds weer huiswaarts. Of het nu bij een werkgever is of je bent zelfstandig, we werken grotendeels allemaal. Laatst zag ik een documentaire over immigranten waarbij een Spaanse arbeider, die hier net vertoefde, het vreemd vond dat wij Nederlanders uren achtereen werken, een half uur pauze nemen om dan weer uren door te werken. Zelfs tijdens de pauze kon men het niet laten over werk te praten. ‘En zo serieus!’ zei de Spanjaard. In Spanje was het anders. In iedergeval meer pauzemomenten en ‘s middags uitgebreide lunch waarna je nog een paar uur werkte en redelijk vroeg huiswaarts keerde. Tijdens de pauze praatte je niet over werk. Daar was de pauze niet voor bedoeld.
Leven wij in een land waarbij werk meer moeten is geworden zonder het ervaren van plezier? Ik herinner me nog dat in de kinderopvang de pauzes veranderden. Kortere pauzes, naar gelang de uren van je werkdag. Niets meer en niets minder. Vooral niets meer. Het haalde bepaalde werkvreugde naar beneden. We protesteerden zelfs. Worden we teveel werkvee waarbij hoge productiviteit telt in plaats van werkgenot? Hebben ‘zij’ niet door dat hoge productiviteit alleen kan door werkvreugde? Het is mij een raadsel. …
Productiviteit is rechtevenredig afhankelijk van de mate van werkvreugde zou je denken. Een ding is zeker; in mijn pauzes mijd ik werk zoveel mogelijk. Pauze is pauze. Werk is werk. Verschil moet er zijn.