Nadat ik bij Scriptum een bespreking over het binnenwerk had gehad, liep ik via de toeristische route naar het station waar ik in de eerste de beste trein naar Den Haag stapte. Gelukkig was het nu minder druk als ‘s ochtends vroeg en nam ik plaats in een stiltecoupé die geen stiltecoupé was. Er werd muziek gedraaid, twee vrouwen waren aan het keuvelen over hun kleinkinderen en bovendien werd de jongen naast me gebeld. Met dringend en slecht nieuws.
‘Met Bart…’
‘Ja?..’
‘Wat?! Hoezo?!’
…
‘Oké …’
Diepe zucht, achterover leunend in de stoel met ogen gericht naar boven, alsof ‘boven’ alles veranderen kon en als dat niet kon de vraag of er iets verlicht kon worden.
‘Sjezus, dat kán toch niet!’
…
‘Ja, ik kom nu naar huis …’
De telefoon werd opgeborgen, de jongen zat met lijkbleek gezicht naar zijn handen te staren en zijn vriend wist even in zijn ongemakkelijkheid niets meer te zeggen.
‘Mijn zus is zonet opgenomen in het ziekenhuis. Het is niet goed…’
…
Zijn vriend leunde voorover, vroeg hem wat dingen die ik niet kon verstaan. Het zorgde ervoor dat ik in de gewoonheid van deze ochtend even niet meer kon verder denken. Ik keek om me heen en zag dat de overbuurvrouw net zo stil was als ik en de mensen schuin achter me, die net nog luid aan het schaterlachen waren, ook gestopt waren met lachen.
En in die ongewone stilte wisten we allemaal dat een onbekend persoon vreselijk nieuws gekregen had en dat we met z’n allen getuige waren van dit nieuws. Dat een treinmoment vreugde kende maar ook slecht nieuws. En dat we met z’n allen in dat gesprek kippenvel voelden.
Ik pakte mijn tas en liep naar het tussenstuk, opgelucht dat ik naar buiten kon.