Net na een kennismakingsgesprek met een communicatiebureau over een mogelijke presentatie over bloggen voor een vereniging van notarissen sta ik in een afgelaten gebied waar net gras gemaaid is te wachten op de bus die mij terugbrengt naar het Amersfoortse station waar ik neer kan ploffen op een terrasje om even snel wat te lunchen. Er verschijnt een jonge vrouw naast me met een paarse doek om haar hoofd waarvan de sprieten om haar gezicht dansen. Ze draagt een enorme dikke buik met zich mee en als ik in haar ogen kijk zie ik daarin de herkenning van mijn lange vakantiewerkperiode in een psychiatrisch ziekenhuis. Ze zit onder de medicijnen.

‘Sta je hier al lang?’ vraagt ze. Nee, ik stond hier nog maar tien minuten. De bus vertrok om het half uur, iets waar ik nauwelijks meer aan kon wennen.

‘Je hebt een mooie tattoo. Doet dat nou pijn? Wat betekent het precies?’

‘Ja, ik zit hier dus in de psychiatrie. Ik moet me altijd houden aan de regels en afspraken. Opstaan als zij het zeggen, eten wat zij gemaakt hebben. Ik krijg elke maand een spuit om ongesteld te worden. Dan ga ik bloeden. Ik mag niet zwanger worden hè, dus ik krijg daarom die spuit. Ik ben eens vier maanden zwanger geweest maar toen gaven ze me ook die spuit. Daarom rook ik ook door omdat ik niet zwanger mag zijn. Blowen doe ik ook nog steeds, daar kan ik toch niet meer mee stoppen. Laatst hadden ze wiet gevonden op mijn kamer. Waren ze een uur aan het zoeken geweest, leek wel een razzia. En ik maar stiekem lachen want ik had wiet verstopt onder mijn voet in m’n schoen. Wel hadden ze lege flessen vieux gevonden, rosé en andere flessen wijn, en nu moet ik misschien afkicken in een gesloten afdeling. Maar ik ben helemaal niet verslaafd aan drank. Die flessen lagen daar gewoon. Blowen wel, ik kan niet zonder blowen.’

‘Maar hoe werkt dat dan met je medicatie?’

‘Ik word rustig als ik blow. Als ik niet blow word ik agressief. Ik krijg ook angstremmers. Als ik niet blow ga ik bijvoorbeeld denken dat ik iemand dood wil maken. Da’s niet erg prettig.’

Nee, dat leek me inderdaad niet erg prettig.

‘Ik heb nog steeds een kindje in m’n buik hoor. Hij is dood maar hij gaat er maar niet uit. Daarom ben ik ook zo dik. Ik eet als het ware gewoon mijn kind op. Daarom blijf ik ook gewoon doorroken.’

Ze wrijft lieflijk over haar buik. Die buik leek op een zwangere buik van een maand of zes alleen geloofde ik niet dat ze daadwerkelijk zwanger was.

‘Ik zou zo graag een kindje willen maar dat kan niet.’

De bus stopt. We stappen in.

‘Ik moet er zo weer uit. Laten we hopen dat we een mooie zomer hebben.’ zegt ze, voordat ze weer de bus uitstapt.