Het is nu misschien ondenkbaar; je ouders die naar een gezellige verjaardag gingen of gewoon maar even op zaterdagavond bij de buren op de hoek gingen borrelen en de kinderen lekker thuis lieten met een babyfoon aan. Werd er halverwege een geluidje gemaakt, luisterden zij eventjes om dan weer verder te borrelen. Als mijn broertje ’s middags nog lag te slapen en mijn moeder mij moest ophalen van school liet ze hem lekker slapen en ging me ophalen. So what? ‘Dah stukske!’
We gingen in het park hutten bouwen en ik was samen met Martijn en Bart en Alexander. Toen Alexander naar huis moest van zijn moeder en Martijn ook opeens wilde gaan bleven Bart en ik alleen achter, druk op zoek naar takken om die hut mee te bouwen. Bart liet zijn broek zakken en zei: ‘Wil jij m’n piemel zien?’ Ik schudde mijn hoofd. (Tegenwoordig zouden de meiden met hun ogen rollen, als in ‘duhuh’ en meedelen: ‘Dus niet grappig.’) Ik ging even later in de regen naar huis en kreeg op m’n donder omdat ik te laat thuis was.
Er werd buiten gespeeld, op straat. We werden naar buiten geschopt. Zo goed als. ‘Het regent toch niet?’ riep m’n moeder dan. ‘Hup! Naar buiten waar de vogeltjes fluiten.’
Ik kan me voorstellen dat ouders van nu hun kind het liefst opsluiten in huis. ‘Dit is je kamer en je komt er niet meer van af.’ Overbezorgde ouders zetten hun kind misschien liever voor de computer of tv dan ze de kids de straat op sturen. Je weet maar nooit met al die kinderlokkers, overvallers, raddraaiers, loverboys en politiemannen andere gekken.
