1 het gaan over iets
2 plaats van overgang
3 het overgaan; verandering
Van de ene in de andere fase. Van klein naar groot. Van jong naar oud. Van gezond naar ziek. Van woede naar acceptatie en van teleurgesteld naar tevreden. Van ongesteld naar overgang.
De periode van veranderende fases. Als ik het woord steeds maar hardop voorlees Over-gang, o-ver-gang dan zie ik in mijn verbeelding een lange donkere gang voor me waar iemand wandelt. Langzaam, aarzelend. Alsof iemand weet dat er geen weg terug is, maar zolang de persoon voet voor voet blijft lopen is er beweging. Maar die beweging is geen weg terug en geen weg terug is zonder enig overleg of vraag of toestemming mee moeten in de onherroepbare gang van zaken. Alsof het een contract is van je leven waarin je de pen in je handen gedrukt krijgt en men je strak blijft aankijken totdat je getekend hebt. En waarvoor je tekent is niet terug te draaien.
Vroeger wilde ik snel volwassen zijn. Ik kon niet wachten om te werken en een eigen huis te hebben en mijn eigen leven te leiden. Zelf beslissen over wat moest en niet moest. Klein en onvolwassen kwam op mij over als er niet toedoend; te weinig inbreng hebbende omdat de volwassenen om mij heen de beslissingen namen. Ik kon er woest over zijn.
Het is ook leeftijd. Van twintig naar dertig. Van dertig naar veertig. Van kleine kinderen die volwassen worden en die de deur uitvliegen. Fases. Periodes. Overgangsklachten; heimwee. Nooit meer terug.
(Via de WOW.)
