Extreem.

1 buitengewoon, uiterst, vergaand
2 boven het gemiddelde

Thuis zat zij onder de tafel. Met schokkende schouders. Ze zag vanonder de tafel de benen van mama heen en weer lopen in een nerveuze pas.

Moeder was aan het bellen maar kreeg niemand aan de lijn. Ze vloekte ervan.
Wat haar deed ineenkrimpen. Mama was woest. Theatraal, hectisch en woest. Het was koude woestheid waarvan haar lichte blauwe ogen bijna ijs werden. Daar moest ze altijd van schrikken op het moment dat het over leek. Dan volgde er alsnog een uitbarsting.

Ze hadden haar viespeuk genoemd. Buiten tijdens de schoolpauze. Ze renden in een kring en haar gezegd dat ze vies rook. Zij had bijna de neiging aan haar trui te ruiken. Was het echt vies? Ze was toch schoon? Ze had naar haar trui gekeken. De stof gevoeld vanonder haar vingers. Had verbaasd naar de lachende ogen gekeken die vuur spoten tegelijkertijd. Als ze vies rook moest ze zich wassen. Ze waste zich toch? Mama gooide dan een washandje de badkamer in. “Hier is een schone.” Het werd achteloos gegooid zodat zij het opraapte van de tegelvloer. Zette ze het trapje voor de wastafel want de spiegel was te hoog.
Opende ze de kraan en voelde het water warmer worden. Gleed met haar beide handen langs het water. Het water werd warmer. Het voelde als een vloeibare deken. Totdat mama opeens met een ferme draai de kraan dichtmaakte en haar aan haar bovenarm de trap aftrok. “Niet spelen met de kraan! Meekomen nu. Je gaat naar bed.”

Allure.

1 houding, wijze van optreden;
2 Het indrukwekkend groots zijn

Het moment dat je met je hak blijft haken achter een tegeltje dat net ietsje pietsje hoger of schever ligt dan de rest en je weet dat je gaat vallen maar in dat ene moment bedenk je razendsnel dat je, nu je dan toch gaat vallen, beter zo kan vallen dat je zo min mogelijk rare taferelen veroorzaakt. Het is vreemd hoe het werkt in je hersenpan; het moment van wetenschap dát er gevallen gaat worden, het opvolgende moment dat je weet dat je ten overstaan van iedereen gaat vallen en terwijl je aan het vallen bent met grote zekerheid wéét, met het diepste binnenste van je ziel waardoor alle schaamte vanuit je hoge hakken zo naar je rode kaaklijnen stroomt, dat je lachsalvo’s veroorzaken gaat. De val en plein publique is een val van ellende.

En dan lig je. Op straat. Op je rechterbil. Je voeten in een rare positie naast en voor je. Je tas ernaast. Je haar hangt voor je ogen. Je wangen rood van gêne. Je kuitspieren doen zeer. Gelukkig draag je een broek. Het trottoir is koud. Je bil doet pijn. Je hoort achter je mensen ginnegappen. Men loopt langs je heen in een grote boog alsof je de pest hebt. Je kijkt even in een waas, want je tranen zitten in de weg, naar je ontzettende mooie pumps en bedenkt je de woorden van Rodrigo Otazu. Die Uggs en sneakers aan vrouwenvoeten waren het zó écht niet. En je pinkt een traantje weg maar je heft je kin omhoog.