De zon piepte door de gaatjes van mijn luxaflex. Het fluisterde mijn naam, terwijl de kerkklokken een betekenis als fluisteren niet kenden.
(Nog voordat de wekker gaat als een kat jezelf uitrekken benen gestrekt en tenen tegen de rand van het voeteneind -- omdat je te ver naar beneden gegleden bent, tijdens je slaap.)
Denkend aan geurende koffie, warme broodjes, en een dag die helemaal van mij is. Van mij!
Er viel een witte sluier heel langzaam van boven naar beneden. En ik zag dat ik naar boven keek Mijn armen uitstak, Mijn vingers ver gespreid totdat alles in tijd leek stil te staan. De sluier leek vlak boven me te blijven hangen Alsof het wachtte op mijn toestemming om neer te dalen, Zoals een goedkeuring, Een uitgekomen wens.
De ruwe versie van witte koord is af. Vanmiddag zal ik lunSen met iemand die werkt met tekst. Praten over en met iemand die werkt met tekst is als slagroom op een toetje. Werken aan je werk is leuk en uitdagend. Doen wat je leuk vindt is een balletje energie in je lijf dat gaat bruisen als een bruistablet. En soms, zelfs via zoiets als twitter gaan balletjes rollen. = verbindingen!
De wereld zegt moeten, meegaan in de massa. opgaan in die massa, allemaal de neus dezelfde kant.
We moeten geld verdienen. Ik werk om te betalen. Ik werk om te wonen, ik ben blij als ik met vakantie kan.
Ik moet van anderen zoveel. Ik moet moeten want dat hoort erbij. Ik zal moeten want de rest doet het ook. Waarom zou ik moeten, als ik niet wil?
Het belemmert mijn visie, dat gemoet. Het houdt mijn creativiteit zo tegen. Het stoort mijn kracht, dat moeten. Ik zou dat gemoet in de prullenbak willen doen.
Kan het ook anders, willen zonder moeten? Kun je leven van minder geld? Kan ik dromen zonder moeten, zodat mijn visie eens eindelijk telt?
Pas als de (persoonlijke) chaos als een dunne draad over de rand van een fles appelstroop, --donker en plakkerig, naar beneden zakt, zijn we intens blij en gelukkig met enkel tevredenheid.
In de rij bij de Appie zit een asblond meisje in een kinderzitje te draaien, met in haar hand een flesje donkerrode siroop. Als ze me ziet steekt ze de mierzoete fles naar me uit. als in: 'ook een beetje?'
Op de fles staat met grote mierzoete roze letters:
teveel op de buurman van de buurvrouw of de buurvrouw van de buurman even verderop. niet een letterlijke, maar die figuurlijke die naar me kijkt die van de verkeerd gepoetste spiegel waarbij je de neiging hebt met de onderkant van je mouw (als het koud zou zijn) alles weer schoon te vegen.
I painted my toenails blue all the while trying to search for you. And all the hidden words in between, for no one else ever to be seen.
Two cups of coffee every morning. Too much sugar like a secret warning. Too much is always too much, too much too much of everything.
The radio played some kind of tune. Couldn't possibly imagine finding it all in ruin. Screaming kids around the corner, I'd catch myself yelling like my mother's daughter.
History would catch up on a day like today. I heard my voice saying what my dad would say. Eating dinner like some sort of microwave taste, More vitamines went for a dreadful waste.
I cut my finger with a sharp edged knife. Like my blood's like some girl's independent strife. I want to rule my world like some supergirl, so it'll spin and twirl and spin and twirl.
Two cups of coffee every morning. Too much sugar like a secret warning. Too much is always too much, too much too much of everything.
voor je ogen, die je weg wilt duwen als een gordijn in de weg, zodat erna alles helderder wordt, terwijl al dat blauw schoner en zuiverder is dan alle onweer in de lucht.
trek ik mijn verleden uit de kast een boel gesplinterde deeltjes weggestrooid op een zomaar zaterdag.
Ik droom van een leven zonder waarschuwing maar de ironie brengt me telkens weer daar. ineens bedenk ik me; het is niet de (ver)binding die beangstigt, maar de angst verlaten te worden.
De zon zal schijnen Op een juli besteding En ik vraag me af of de melodie van (on)zekerheid altijd aan het veranderen blijft.
Het meisje dat niet veel durft, durft meer dan jij denkt.
en elke reactie, beleving of gedachtengang, keuzes, grenzen, normen en waarden, gevoelens, leefwijze, dromen, vooruitgang, richting, mimiek, vrijetijdsbesteding, filosofie, humor of verwachtingspatroon voelde ik me op een weegschaal gezet.
is, denk ik, durven wat je al lang in je hoofd wenst of wat een stem in je hoofd blijft toefluisteren. Een knoop in je maag die uit de knoop moet.
Ik durfde pas geleden, maar ook omdat ik voor het eerst, niet nadacht maar simply deed een man bij zijn wangen te pakken, mijn langste vinger achter zijn oor, en mijn mond op de zijne te drukken.
Achteraf wilde ik op het bed springen omdat ik durfde.
Ik durfde afgelopen vrijdag op te komen voor mijn gedachten en het gevoel dat ik erbij had. Uitspreken, erover te discussieren en daar Mijn Stem te laten horen.
Achteraf koste me dat een traan, maar ik durfde.
Ik durfde toe te geven aan mijn eigen lichaam. Als je moe bent moet je rusten. Ik rustte dan ook uit.
Achteraf het allermoeilijkste wat er is; toegeven aan het falen van je lijf. En accepteren dat het zo is.
Durf voelt het allerhevigst, als ik merk dat ik alleen De Stem ben, in een overleg, vergadering of andere groepsgesprekken, terwijl meerdere mensen net ervoor vertelden het helemaal met je eens te zijn, maar ik de enige ben die alsnog opstaat om te roepen.
Achteraf voelt dat enorm alleen, maar de knoop is wel bij mij uit mijn maag.
het licht in de slaapkamer. Voelde de zonnestralen kietelen op mijn gezicht, alsof het plagerig fluisterde: 'Kom, je bed uit. Een nieuwe dag.' Wat voor een dag was het vandaag? Wat deed ik gisteren? Hoe voelde ik me? Welke keuzes maakte ik? Met wie sprak ik? Hoe vaak keek ik op de klok?
Onder de douche liet ik de warme stralen van kruinen langs gezicht, ruggegraat naar beneden vallen.
'Ik laat de twijfel door het putje gaan.' 'Ik laat de angst door het putje gaan.' 'Ik laat de onrust door het putje gaan.'
Als een herhaalde mantra.
'Doeidoei!'
Nijmegen leek drukker dan anders. Zonnebrillen pasten me niet. Bij de V&D zat een man aan een electrische rolstoel gekluisterd en vroeg of ik voor hem de deur open wilde houden. In een zorgeloze, overmoedige bui grapte ik:
'Ach, dat kunt u toch zeker zelf!'
Ik schrok van mezelf. Sloeg een hand voor m'n mond. De man barstte in een lachbui uit.
Heel vroeger, toen ik nog onbevangen en zorgeloos klein was, voelde ik menigmaal bravoure. Soms wenste ik een beetje ervan terug. Het geremde hield me nu weleens tegen. Soms hield het tegen wat niet tegen gehouden hoefde te worden. Ik miste m'n bravoure ik. Alsof vroeger de woorden en zinnen zonder zorgen over m'n lippen vloeiden. Niet nagedacht.
De clubsandwich in de LUX leek extra groot. De cappuccino extra heet. De serveerster extra vriendelijk. Er flitste steeds iets achter me. Een klein meisje liep rond met een wegwerpcamera. Ze maakte foto's. Flits. Flits. Buiten zaten mensen op het terras. Iemand blies uit een bellenblaas bellen de lucht in. Ze vlogen westwaarts. Niet geknapt.
'Is de mosterdsoep ook in de basis vegetarisch?' vroeg een jongen achter me met een hippe zwarte bril. Ik verstond niet wat de serveerster antwoordde maar volgens mij was hij wel tevreden. Hij hinniklachte. Toen ik besloot af te rekenen spotte ik een vrouw met een knalrode jas en een hardroze panty. Ze liep zigzaggend langs de stoeltjes buiten. Ik zag steelse blikken van andere terrasgangers.
Lef. Bravoure. Ongeremd. Zelflievend.
Ik laat de twijfel in het putje gaan. Ik laat de angst in het putje gaan. Ik laat de onrust door het putje gaan.
Verdwijnen.
De suiker gleed met een moerasachtige kracht naar beneden. In het kopje. Zo roerde ik mijn cappuccino.
Rustig.
(Toen ik thuiskwam en de brievenbus opende, viel er een kaartje uit. De titel droeg: 'Een nieuwe dag.' van de dichteres Nafiss Nia.
Een kopje gezelligheid een lepeltje liefde twee klontjes vriendschap en een gevuld geluk. Vandaag heb ik zin.
Vandaag begin ik met de grote schoonmaak en gooi ik alle wreedheid, verdriet en angst weg.
Bij de bakker zal ik een warme dag kopen, bij de kapper mijn oudheid laten knippen en vanavond uitgaan.
grijze zielen namen me mee naar 1917. De titel zwaaide me toe bij Dekker en de Vegt. Misschien omdat het vandaag zoiets voelde als grijze zielen dag. De grijze ziel liep naar de Lux.
Dat alle rommel Chaos -- een plek moest krijgen, alles op een geordende stapel. Recht -- alles dat scheef was Recht, Gelijk; Ontrommeld voelde bizar genoeg als een bevrijding.
'En dan zit je hier, helemaal achterin, weggemoffeld.' De ober zette het witte kopje Cook&Boon voor me neer. Hij glimlachte met een twinkeling. Soms was een glimlach met een twinkeling als een warm cadeautje.
Ik zat ook, inderdaad, helemaal achterin, in een hoekje, bij een groot vierkant raam. Met uitzicht op de regen, natte tegels, bakfietsen, fel geel, C1000 tassen en verbouwingen.
Er liep een lange manvrouw, of vrouwman, ik had geen idee, in een kersenrode lange jas voorbij. Ze stapte als een paard. Haar knieen omhoog voordat zij haar laars op de grond zette. Een beweging van iemand die pillen slikte. Ik had het loopje al veel vaker gezien. Ze liepen dagelijks de lange gangen door, als paarden, als paarden in een onafgebroken slowmotion. Knieen omhoog voordat zij hun voet op de grond zetten. Triptrap.
Een mevrouw met het limpend been vroeg of ik op haar laptop wilde letten. Ze moest plassen. Nam haar dochtertje mee. Het kind huppelde voor haar uit. Bij terugkomst gingen ze weer zitten, en ze bedankte me. Hartelijk. Het kind gaapte luidruchtig. Ze wilde buiten spelen. Maar mama moest 'nu even werken'.
Ik verzon 'limpend' ter plekke. Ik verwarde wel vaker het engels met het nederlands. Ik nam een slok van m'n koffie en voelde een schuimsnor op m'n bovenlip. Aan de overkant zag ik een man aan het werk. Zijn laptopscherm liet hij zakken toen de serveerster een bestelling opnam. Waarom liet hij het schermpje zakken?
Ik opende de eerste bladzijde van Grijze Zielen. En de tweede. Op de derde bladzijde las ik: 'Ik ben er. Het is mijn lot om er te zijn.'
er rijden auto's langs me heen -- het lijkt alsof iemand de film langzaam lijkt vooruit te draaien met de hand.
Er staat een stoplicht, aan de rechterkant, met het licht op oranje. Normaal gesproken zou ik stoppen waarom twijfel ik nu of ik alsnog doorloop?
Er staat een verkeersagent in het midden van het kruispunt hij regelt het verkeer met trage bewegingen -- armen uitgestrekt, terwijl hij de bestuurders in de auto lijkt toe te spreken.
Terwijl ik alleen bij het kruispunt sta. Een voetganger met een doel de weg vooruit, Ik wacht bij het oranje licht, aarzel, twijfel en wik en weeg.
Maar de verkeersagent lijkt veel te druk met regelen, bepraten en bespelen van het overige verkeer, dat ik mijn hoofd afwend en doorloop. Hij heeft niets gezien.
You never know what you’ll find when your journey takes you home, what flowers await you, what welcome signs by the front door. So it’s best to prepare for that first night before your arrive. Wear your friendship bracelet on your watch hand— you neveep as long as you need to awake refreshed. Tuck in your quilt to be sure your feet stay warm and ready, but not too tightly— You need to feel night’s cooler edges. And leave the window slightly open so you can navigate your dreams by starlight . Have a good book next to the bed in case you should wake in the dark, and rock yourself to sleep with song of waves ebbing and flowing. Place something fragrant beneath your pillow and wear your softest shirt. Leave accumulated mail on the table in the kitchen. Tomorrow will be time enough to get new bearings, and when you grind the morning’s coffee, set aside a cup to hold the new poem you will shape in clearest metaphors. Arrange a dawn to greet you no matter the weather. Just don’t think too much about coming home, so you leave room for surprises.
Er zit iemand, beneden ergens, op een saxofoon te spelen. Alsof ik de jazz niet via een last.fm of anderzijds naar binnen laat gaan, maar is dit als het ware een cadeautje door dikke muren.
kanten heeft; Dat sterfte dichtbij geboorte ligt. Dat een viering dichtbij afscheid is, dat oud nieuw is, zwart wit, tranen dichtbij geluksgevoel, maar ook bij verdriet ligt. Dat er een proficiat was, maar ook een 'dag.' Dat we aten, dronken maar ook proosten op wat was. Dat een beslissing tot einde, ook uit lijden verlossen is. Dat een momentopname opeens een herinnering is. Dat een minuut een uur voelt, Dat er regen valt en de zon schijnt, dat je inlevert maar ook terugkrijgt. Dat je vriendschap pas echt voelt, als je door een dal heen moet. Dat oud nieuw zal zijn, Dat door herinnering niet meer vergeten wordt, dat leven leven is.
onderdeur genoemd. Een verhoging, een plankje dat de gelijkheid van vloer omhoog haalt. Als opstapje, maar ook als de figuurlijke ondergrens van een bereik.
Dat allerlei kleine, voor anderen, onnozele dingen, drempels kunnen zijn, hindernissen, belemmeringen, valt soms niet geheel in woorden of gevoel uit te leggen.
Dat het punt waarop een handeling begint of wijzigt; de voet de stap omhoog zet, eroverheen, en zich daarbij aan de andere kant zet, voor mij zoveel moeite kost laat me nu even, heel even, zonder adem.
wat het is, het is onzin zegt de rede, het is wat het is zegt de liefde. Het is ongeluk zegt de berekening, het is niets dan pijn zegt de angst. Het is uitzichtloos zegt het inzicht, het is wat het is zegt de liefde. Het is belachelijk zegt de trots, het is lichtzinnig zegt de voorzichtigheid. Het is onmogelijk zegt de ervaring, het is wat het is zegt de liefde.
van een nieuw adres, want de oude vervaagt steeds meer als het kabbelende water in de grachten van Amsterdam.
Zoveel tegenstellingen, de kitscherigheden, meisjes van plezier, de mexicaan om de hoek, bitterballen bij de Beiaard.
Ik zat weleens in de droom middenin de nacht naast Loes de kat te turen uit het raam. De nacht dezelfde bedrijvigheden als overdag rinkelende tram ruziende Ieren mijn eigen adem.
Alsof bij het vertrekken van een vriend naar een andere plek hij ook de herinneringen aan Amsterdam heeft weggeblazen.
Leer te leven ga op zoek naar je huis als thuis nergens te vinden is.
Als thuis ooit begon bij het doorknippen van een navelstreng maar later een doolhof vol oneindige gangen bleek, zonder pijlen zonder landkaart en zonder vervoer ernaartoe,
dan alleen maar: ik zit binnen en de wereld is buiten de wolken drijven als bootjes langs de grijsblauwe lucht voorbij.
De regen tikt zo nu en dan een klein beetje dwingend tegen mijn woonkamerraam terwijl ik met mijn vingertop de reis van een druppel volg.
Ik kan alleen maar zeggen: Mijn buik is als een wolkenbootje binnen een soort van vissenkom het drijft heen en weer keer op keer zodat ik zo nu en dan hollend op mijn sloffen naar de badkamer ren.
dat er maar stond gleed beide vingertoppen als in een aaneenschakeling van herhalingen, herhalingen langs elkaar heen terwijl zij met doffe blik over het spoor en voorbij de bomen -- langs rommel en tussen takken -- haar jeugd voorbij zag gaan.
Met gebogen schouders in een beige jasje gehuld haar regenkapje bengelend aan een van haar gerimpelde vingers wachtte zij geduldig op de trein die komen ging.
Zij gleed beide vingertoppen als in een aaneenschakeling van herhalingen, herhalingen langs elkaar heen Het lint van haar regenkapje zonder enkele notie, enige notie, omdat het lintje te zacht was, glijdend langs oude breekbare handen.
Voorbij de rommel op het spoor langs de kale takken van de bomen zag zij ergens ver, ver van hier een wazig zonnetje tussen het witte wolkendek.
donkerblauw, lag ergens op een tafel. Op de voorkant stond mijn voor-, en achternaam gedrukt. Maar het was een beetje gek, een omgekeerde vraagteken stond er tussen.
Het boek was dicht. Een verhaal binnenin. Zou er iemand zijn die het boek wilde gaan lezen? Als het boek geopend werd, wat zou er dan geschreven staan?
en iemand van je laten houden kost soms zoveel. Geef je zomaar je zieltje bloot?
Ik zag haar met tranen in haar ogen en iemand naast haar die armen om haar schouders legde, maar ze weer wegschudde, zo van haar schouders af.
Niet te dichtbij. Dichtbij doet zo'n zeer. Dichtbij is risico. Dichtbij is dicht bij.
Haar tranen biggelden over haar wangen. Ze stond daar maar. Alleen met haar verdriet. Een rugzak half open.
Voordelen van niet toelaten. Waren die er wel? Houden van, niet teveel, met mate, Harten zijn zo kwetsbaar.
Alsof je hart al tientallen littekens droeg, allemaal verzorgd met littekencreme, om alles te camoufleren, maar ze waren er toch. Soms werd je eraan herinnerd als een regenachtige dag
Houden van, iemand van je laten houden, deed soms zo'n zeer.
Nog nooit kreeg ik zoveel email over dat ene liedje dat per ongeluk verdween. Er gebeurde iets met het opslaan van blogger en imeem. Hier is het liedje nog een keer. De live versie geeft extreem kippenvel. U is gewaarschuwd. )
voor een ander, terwijl je zelf niet echt noodzakelijkerwijs verdriet hebt. De crematie was raar en mooi tegelijk. De mensen die spraken. De liedjes. Het jongetje met z'n blokfluit. De kist vol bloemen. De gebogen schouders van de verlatene. Het heftige snikken van een kleinkind. Ik stond in de rij omdat het hoorde. Ik kende de persoon in de kist helemaal niet. Ik was er voor jou, om je te steunen. Een blik op je broze schouders en de arm om je zoon maakte dat ik mezelf even verloor in het verdriet van een ander.
Hope there's someone Who'll take care of me When I die, Will I go Antony and the Johnsons.
toen ik onderweg in de trein naar Den Bosch, naar m'n (oude) baan, met een ferme smak teruggeworpen werd in mijn stoel omdat de trein plotseling stopte.
We moesten een uur in de trein blijven zitten op een koude januari ochtend half 7, het was zo vroeg, omdat iemand zichzelf ervoor gegooid had. Ze moesten schoonmaken, de trein, het spoor, en wachten op degene die toestemming geven moest om weer gewoon met de dag verder te gaan.
‘Kun je mij vertellen waarom je zwaaide met je hand ‘Dag’ en je omdraaide om te gaan? Kun je mij vertellen waarom je het boek sloot, je leven eindigde en een gelukkige toekomst uitbleef?’
Opgedragen aan de vreemdeling januari 1999 treinreis naar Den Bosch.
(Sorry voor de treurigheid, maar dat is ook leven. Hoe ironisch ...)
Het staat me niet de collectie van H&M Al dat grijs grauw dondert als onweer langs de naden van mijn nieuwe winterjas. Veel te groot want mijn lijf is te klein
Reva en de grote hand. Papa liep altijd met grote stappen door het zand met mij aan de hand.
Grote handen kleine handen in elkaar gevlochten hand in hand.
Papa's stappen in het zand hand in hand. Kon ik nog een keer wandelen met papa.
Voor wittekoord.blogspot.com ben ik op zoek naar iemand die met mij samen wil werken. Ik zoek dus iemand die tijd en energie wil steken in het maken van tekeningetjes die passen bij de stukjes/dichtjes van Reva's verhaal in Witte Koord. Voor aanmelding, vragen en/of tips en ideeen mail naar: karinmetk@gmail.com.
Waar de paar'len glinsterden in fel zonnelicht Vloekte haar venijnige woordenstroom de glans eraf. De paar'len vielen in de koeienstront. Konden de paar'len nog gepoetst?
Ze hoorde zijn honende lach ergens in de verte. Het schalde door de ruimte en vloog mee met de krijsende meeuwen. Ha Ha hahahaaha. Hahahahaaaah! Terwijl zij het geluid leek te dimmen met haar handen over haar oren. Maak het weg. Weg. Weg. Alsjeblieft. En er rolde een traan over haar wang die niemand voor haar wegveegde.
Misschien spreekt haar naar-buiten-blik alleen maar lege doodsheid Met verwarring in haar ogen haar trillende handen Terwijl ze een trek neemt van haar sigaret En kijkt zij de leegte tegemoet met haar heroine hunkering haar fucked up hersenen Als zij de man die om haar heen loopt met uitgestoken hand smeekt om geld Is zij nog steeds bij ons Overal Nergens.
Het begon met koffie. Grote mok. Slagroomtopping. Met een lepel eraf genipt. Als een ijsje. Maar dan warm en zacht gesmolten. Een beetje slagroom aan haar bovenlip. "Daar zit nog wat." "Ohw, daar zit nog wat."
Het ging naar de wijn. Zoete witte wijn. In een grote bol van glas. Waarmee ze op moest passen. Dat ze het tijdens het vertellen, in een lawaaierige ruimte, met haar wilde gebaren, niet om zou stoten.
Dan zou het glas met drankje, gevaarlijk heen en weer, in een bijna onhoorbaar *ting* op de houten tafel vallen.
Uiteen. Kapot.
Zonde was dat geweest.
En zo werd er gedronken. Gegeten en gedronken. Stemverheffen. Lachen en tot huilends toe. En kreeg ze een rode roos. Van een vrijgezellenmeneer. Voor een avond nog. Erna zou getrouwd.
De volgende dag, licht door luxaflex, En haar eerste woorden hardop.
Mijn lichaam Gewichtloos De botten steken door mijn vlees Witte porselein Rood en blauwe aderen gemerkt als een wegenmap Van hoofd naar teen en weer terug Bloed pompend Hart bonkend Ik leef nog ...
Hoe kon je iets verprutsen als het niet eens begonnen was Een blanco papiertje met lijnen zonder tekst Een open brief zonder afscheid omdat een begin niet eens geschreven was.
Er was helemaal niets verprutst omdat niets ooit begonnen was De wind waaide zonder iets te verplaatsen er was helemaal niets weg te werpen als een bal dat het doel nooit trof.
Ik kijk toe terwijl je van me wegglijdt Weg Weg van mij Ik wil zo graag mijn hand uitreiken Kan het niet Mag het niet Ik voel dat ik val Draaiend Als in een draaikolk van pijn.