Er zijn momenten waarbij ik het beste functioneer in stilte. Ik kies de stilte boven muziek of gezelschap. Op sommige momenten kan ik me niet afsluiten, zoals vanmiddag in een restaurantje tijdens het werken aan mijn boek terwijl ik een gemarineerde zalm op een bedje van huppelepup at en dronk uit een grote kop met koffie. Er zaten mensen om me heen te praten over de meest intieme wissewasjes die zij met kerst hadden meegemaakt, zoals twee vriendinnen die het hadden over hun partners. Er ratelde een koffiezetapparaat en naast me zaten een man en vrouw overduidelijk net in de jachtfase van hun prille relatie. Zij lachte met overdreven uithalen en hij leunde continu met zijn arm over de tafel om haar haren aan te raken waarbij hij diverse malen met zijn perfect gestreken boord in de bospaddenstoelensoep hing. Snel afgeleid zijn is my middle name.
Ik had ‘het’ net te pakken; de sneltreinvaart van schrijven, totdat ik een kwakende eend hoorde. Een kwakende eend was niet echt wat je verwachtte in een druk maar gezellig restaurant, of er was misschien een eend ontsnapt uit de keuken? Nee, het was een telefoon. Hoe moest ik nu mijn hoofdstuk over schaduwen trotseren nu afmaken? Ik schudde mijn hoofd. Het leek onbegonnen werk.
Ook werd ik gebeld. Door een meneer die binnenkort in Nijmegen hoopt een netwerkplek te openen dichtbij het station. Aangezien zij er baat bij hebben dat ik er een blogworkshop zou kunnen geven en ik er baat bij heb want ik zoek een ruimte in het Gelderse, sloegen we twee vliegen in een klap. Werksgewijs had ik een goed gevoel bij 2011. Ook in Leiden stond iets op het programma. Waarover later meer. Maar ik had eerst schaduwen te trotseren. Ik had een hoofdstuk te schrijven. Om mee te beginnen. Voor een boek. Da’s best heavy shit, weet je.