Dat is het. Niets meer dan dat.

Heel soms zou ik met je willen ruilen. Jij begint elk moment met nu, op dit moment. Alles ervoor lijkt niet opgeslagen of vergeten waardoor de traan die je liet omdat je pijn had of ongemak voelde weer opdroogt, alsof hij ervoor niet heeft bestaan. En dus was ervoor iets onbestaanbaar en wat er komen gaat irrelevant.

Wij, grote mensen, willen zo volwassen doen maar we bakken er maar weinig van. Alle opgeslagen herinneringen maken ons weemoedig en angstig want we denken meer aan narigheid dan aan het mooie. Wij weten namelijk wat er voorheen gebeurd was, dat die ene prik zo pijn deed, we bang waren voor een operatie, we die ene kamer niet prettig vonden en dat we die momenten opslaan als een zin in een dagboek.

Dit moment. Het moment waarin alles stil staat en de belangrijkste mensen ertoe doen. Dat is het. Niets meer dan dat.

En jij zit weer parmantig in je bed om je heen te kijken en is alles wat ervoor was alweer kwijt. We maken ons zorgen maar we zijn te weinig bezig met wat er nu bestaat. We gaan naar cursussen om te leren hoe je moet ademhalen, kunt luisteren naar je hart en we leren dat het kopje koffie dat we in onze handen houden en uit drinken dit moment is. Precies dat moment dat we de koffie te heet drinken en weer moeten wachten totdat ie afgekoeld is en onze gedachten weer afdwalen.

We dwalen met onze gedachten af naar nare sprookjes die altijd erger zijn dan onze verzinsels of we bakenen onze gedachten af om niet te erg overdonderd te worden als het eenmaal zover is. Ondertussen is er voor jou niets dan een knuffel, een lach en wat er is. Dit moment. Het moment waarin alles stil staat en de belangrijkste mensen ertoe doen. Dat is het. Niets meer dan dat.

In English here.

 

Mijn moment 2016.

Ik wist precies, precies, wat het moment was van 2016. Ik schreef het in een half uur en verstuurde het naar Henk-Jan na twee keer te hebben geschrapt en aangepast.

MijnMoment van 2016.

…Ik loop eerst de verkeerde afdeling op. Voordat ik mijn handen was en desinfecteer pak ik mijn jas en tas weer en ga. Ik heb soort van haast. Ik moet naar hem toe. Ik loop weer door een geopende deur een afdeling op. Ik was mijn handen met desinfecterend spul. Het ruikt apart. Ik kijk naar rechts en zie een piepklein bedje met hem erin. De machines zijn aangesloten en ik hoor piepjes. Op de intensive care hoor je alleen maar piepjes en alarmpjes afgaan.

Als ik bij zijn bed kom slaapt hij. Er komen slangen uit zijn lijf. Hij wordt beademd. Hij beweegt af en toe zijn ene hand. Ik pak zijn arm en wrijf er zachtjes overheen. ‘Hé, grote kleine vriend. Ik ben er. Ik pas op jou.’ Heel even zie ik zijn wenkbrauwen bewegen. Hij beweegt zijn arm. De verpleegster komt kijken. ‘Jij bent de tante? Ik hoorde dat er was gebeld dat je hierheen kwam.’ Ik knik. Ze controleert wat slangen, kijkt op de pomp die ergens bovenaan bungelt met sondevoeding erin. Heel langzaam drupt er een beetje door een dunne slang naar zijn maag. Als ze weggaat bekijk ik het grote litteken op zijn borst. Het is felrood. Misschien wel tien centimeter. Ooit zou hij daar stoere verhalen over vertellen. Het beneemt me even de adem en ik snik. Verdomme! Net als je door een zware hartoperatie komt en denkt dat het achter de rug is… Zijn linkerarm en been liggen er bij alsof ze niet meer van hem zijn. Herseninfarct. Verdomme.
Ik veeg snel mijn tranen weg. Nu geen verdriet. Dat doe ik later wel. Ik wil er voor hem zijn. Vanavond. Ik wil hem troosten. Ik wil hem liefde geven. Hij verdient het.

Ik wrijf zachtjes over zijn wangen, over zijn voorhoofd waar ook pinnetjes en een band omheen zitten. Ik aai over zijn verlamde arm, over zijn hand. Ik leg zijn dromendeken, die hij van een vrijwilliger gekregen heeft, verder over zijn naakte lijf. Ik kijk er toch weer even onder, naar zijn benen. Ik aai zachtjes over het beentje dat het doet en dan ook over zijn verlamde been. Geen beweging. Dan moet hij hoesten. Zijn beademingsapparaat zit in de weg. Zijn borstkas doet pijn. Hij heeft het benauwd van het slijm. Ik wenk een verpleegster. Hij opent zijn ogen en kijkt me aan. Ja, ik weet dat je dit niet wilt. Verdomde beademingsapparaat. Hij tuit zijn lippen zoals hij voor de operatie deed om te vertellen maar er komt geen geluid uit. Dan zit er een dikke traan in de hoek van zijn rechteroog. Ik slik zelf tranen weg. De verpleegster haalt het slijm weg met een slang. Dat is even vervelend maar het lucht erna op. Hij wordt weer kalmer en sluit zijn ogen. Ik leg zijn dekentje weer goed. Dan stuit mijn oog op de duim en wijsvinger van zijn verlamde hand. Hij houdt de rand van zijn luier vast. Ik frons mijn wenkbrauwen. Nee, dat zie ik verkeerd…

(Nog een ander moment kwam veel later. We gingen op bezoek bij mijn neefje die net weer thuis was na vijf maanden in het ziekenhuis gelegen te hebben sinds zijn geboorte. Mijn schoonzus gaf hem aan mij en ik kletste met hem over de dromen die ik had. We zouden naar het strand gaan maar dan moest hij wel een hoedje op tegen de zonnestralen. Hij lachte van oor tot oor. Omdat ik ook naar de verhalen aan het luisteren was van anderen besloot ik mijn neefje rechtop te zetten op schoot zodat ie om zich heen kon kijken maar hij gooide zich achterover! Hij wilde meer verhalen! En daar moest ik ontzettend om lachen. En hij ook. Dat was een moment dat ik dacht, jij gaat verhalen horen, we gaan verhalen aan elkaar vertellen, voorlezen en delen met elkaar en heel veel lachen. We laten de ellende achter ons en gaan lachen.)