De Bende van Oss.

Geboren en getogen in Oss, eerst gewoond aan de ene kant van Oss tegen Berghem aan, later aan de andere kant van Oss in de Ruwaard en nog een jaartje of dertien in het hartje centrum ademde Oss mij en ik Oss.

Toch voelde ik me er nooit helemaal prettig. Alsof er een grijze deken over dat stadje lag, die ik niet aan de kant kon schuiven. De stad droeg geen verleden, dacht ik. De paar oude monumentale panden (o.a het Jan Cunen Museum, en een van de huizen aan de Molenstraat) leken niet te passen naast de nieuwbouw. Er was veel verwoest door branden eeuwen geleden.
Toen ik een jaar of zestien was las ik veel over de armoe in Oss in de jaren dertig en de komst van de margarine- en vlees fabrieken en later de tapijtfabriek en weverij. Van een agrarisch dorp naar een industriestad, waar keihard gewerkt werd in de fabrieken tegen weinig loon.

Misschien zit er toch meer in de grond en stenen van Oss. Het spoor van geweld in de jaren dertig gaf menig Oss gezin veel angst en onveiligheid. Men bouwde dikke deuren, tralies voor de ramen en vertelden niet waar de kluis lag. Helaas verraadde de lokale verzekeringsagent, aan wie ze grof geld betaalden voor een levensverzekering, de boel en werden deze gezinnen alsnog beroofd. Soms met de dood erop toe. De schandvlek kon niet worden weggepoetst, zelfs jaren later niet. De bende van Oss werd een georganiseerde misdaadbende die roofde, bedreigde en moordde. En in Oss zweeg je erover; had je wel toevallig wat gezien verraadde je niet anders was jij de volgende.

Ik heb jaren in de Kuiperij gewoond, vlakbij de Torenstraat en Peperstraat. Ik vraag me af wat en wie er op dat grondgebied geleefd heeft. Bestond de Kuiperij toen al, als straat? Liepen mannen met paard en wagen door de straat of stond er een fabriek, arbeidershuizen of de kazerne van de marechaussee?

Wie de film De Bende van Oss nog niet gezien heeft, ga er heen. Het is een stukje geschiedenis die verteld moet worden. Een stukje ellende, maar wel een echt verhaal. Ik ben, na het zien van de film, alleen maar nieuwsgieriger geworden naar de historie. Misschien dat ik binnenkort eens het stadsarchief binnenwandel. …

Melancholia.

Justine voelt zich op de een of andere manier aangetrokken tot een vreemd soort ster ver in het heelal maar zichtbaar aan het blote oog. De ster heeft een bepaalde uitwerking op haar. Men denkt in de familie dat ze ziek is. Ze voelt zich zwak en depressief en gedraagt zich destructief. Haar huwelijk strandt al op de eerste avond. Ze scheldt de huid vol van haar baas en wordt ontslagen.

Lars von Trier zet een sprookjesproloog neer met overweldigende muziek van Wagner. Het eerste deel gaat over Justine en het tweede gedeelte over haar zus Claire. Allebei gaan ze op verschillende manieren om met de dreiging dat de aarde geschampt zal worden door een planeet. De man van Claire, sterrenkundige, is ervan overtuigd dat het allemaal goed zal aflopen. Claire daarin tegen is bang.

Hoewel de film met tijd en wijlen zwaar op de hand ligt en aangedikt wordt door de dramatische muziek van Wagner kent de film ook kleine humoristische scenes. Het einde van de film is evenwel nog dramatischer. Terwijl Justine kalmer wordt en aanvaart wat er gebeuren gaat is haar zus Claire helemaal hysterisch. Zij kan amper verkroppen dat ze haar gezin zal verliezen.

Deze film is bijna poetisch gefilmd. Als je woorden en zinnen op film zou kunnen vastleggen zou het zo gedaan kunnen zijn. De film heeft als kenmerk ‘science fiction’. Het is de meest gevoelige en poetische science fiction die ik ooit gezien heb.