Even een identiteitskaart aanvragen.

‘Wil je met vergiet of zonder vergiet?’ De schorre dame in de tabakszaak kijkt me quasi schaapachtig aan en begint dan onbedaarlijk hard te lachen. Ik frons mijn wenkbrauwen. ‘Vergiet?” vraag ik haar. ‘Ja, ik heb weleens een man op de foto gezet die een vergiet op zijn hoofd wilde.’ ‘Ja, ja! Daar las ik wat over. Het is een soort geloof. Als vrouwen met hoofddoek op een pasfoto mogen dan mag ik met een vergiet op mijn hoofd op de pasfoto.’ Een andere klant legt het nog even uit. Ik sta hier al voor de derde keer, bij de tabakswinkel. De pasfoto is telkens net niet goed.

‘Te veel glans.’ zegt de jonge man achter de balie van het gemeentehuis. ‘Te veel glans? Waar!’ Ik probeer mijn irritatie te verbergen. Het lukt niet erg. Wat nou te veel glans. Hij laat het zien op de pasfoto. Ik sta er half glimlachend op. Mijn haar is uit mijn gezicht. Ik heb een vlekje op mijn wang. Ik zucht. ‘Kijk, aan de zijkant van je gezicht is te veel licht waardoor er iets te veel glans op komt. Dan valt je gezicht weg als je foto gescand wordt. Je wilt straks niet onverhoopt tegengehouden worden bij de douane, toch?’ Ik krijg voor de tweede keer een bewijs mee om de pasfoto opnieuw te laten maken. ‘Hoe laat is het nu eigenlijk?’ vraag ik de man. Ik moet straks naar mijn werk. Ik heb geen uren de tijd!

Weer sta ik in de tabakswinkel. ‘Is ie weer niet goed?’ Ik schud mijn hoofd. ‘Te veel glans.’
Ze lacht haar slijmrochel los en schiet in een hoestbui. ‘Nou, ga maar weer zitten.’ Ik leg mijn jas over mijn tas en ga op een soort hoge kruk zitten. Ik strijk mijn haar uit mijn gezicht en achter mijn oren. ‘Zijn mijn wenkbrauwen nu wel goed in zicht want dat ging de vorige keer mis.’ Ze houdt haar duim op. ‘Nu even niks zeggen en een beetje glimlachen.’
Ik heb helemaal geen zin om te glimlachen. Maar zo’n criminele foto is ook niks. Even een identiteitskaart aanvragen. Ik was er een ochtend mee zoet. ‘Dus die man met die vergiet mocht wel met zijn pasfoto op een identiteitskaart?’ vroeg ik. Ze knikte. Ik trek een mondhoek omhoog en de flits gaat af. ‘Nou, als ie nou niet goed is…dan kom je maar weer terug.’ Weer schiet ze in een harde schorre lach. ‘En anders een fijne dag nog!’

Laat mij maar even.

Afgelopen zaterdagavond zat ik aan tafel te borrelen en te eten met vrienden. ‘Waar ben je momenteel mee bezig?’ ‘Ik schrijf mijn boek.’ Ik haperde ervan. Het wordt als het goed is een boek, voor nu is het een verhaal. Het verhaal is eigenlijk af maar ik haper ook daar. Ik huiver, ik aarzel, ik wil eigenlijk niet dat iemand het al leest. Het was meer dan een jaar mijn cocon. Ik was mijn geheime laatjes aan het opruimen. Als ik het over een maand opstuur is het klaar. Alle kastdeuren en laden open. Geen verborgen lijnen, geen verhullingen. Niets. Mijn hoofdpersoon zal spreken, dat doet ze nu nog niet, en dat hou ik liever zo. Ik ken haar het beste, ik ken alle personages het beste. Al een jaar of vijf wonen ze in mijn hoofd.

Er zijn maar twee personen die mijn verhaal ongeveer kennen. Twee redacteuren van een uitgever. Verder helemaal niemand. Mijn woorden zijn zorgvuldig gekozen en dat is de reden dat ik soms met pijn in mijn buik zinnen afrond en denk: Straks leest niet alleen de redacteur mijn verhaal, maar ook mijn vriend en als het goed is iedereen. Ik heb me nog nooit zo kwetsbaar gevoeld. Dus laat mij maar even. Ik ben vandaag een sentimentele.

Vandaag buiten ondanks de miezer.
Toch weer naar binnen want dat was toch fijner.