
Het was het tweede aangezicht van die middag. Buiten zaten twee mensen dicht naast elkaar op witte bistrostoelen. Zij keek verdrietig, teleurgesteld eigenlijk, terwijl hij op haar inpraatte. ‘Ik kan het nu niet meteen regelen. Dat gaat gewoon even niet. Ik heb er het geld niet voor.’ Ik liep naar binnen en nam plaats aan een tafeltje. Het was druk bij Dudok; mensen lazen kranten, dronken koppen muntthee en aten bitterballen. Geroezemoes. Knisperende bladzijdes. Voetstappen. Rinkelende kopjes en schotels. Gekletter van vallend bestek op borden.
In het openbaar huilen. Het is me ook meer dan eens overkomen.
Op het moment dat je tranen als brede rivieren over de randen van je oogleden glijden en er geen weg meer terug is, kan het je ook niets meer schelen. Je maakt automatisch je wereld piepklein en de dam is gebroken.
Ik huilde lang geleden op een bankje op een koud station in Wijchen terwijl mensen langs me heen liepen, ik huilde bij de kapper omdat ik de situatie niet meer onder controle had en ik huilde pas geleden nog in de stad toen ik geschrokken was van bepaald nieuws en me bewoog langs drukke straten met heel veel mensen die misschien wel omkeken of er wat van dachten en ik heb menigmaal mijn tranen bedwongen als ik terugdacht aan alles dat ooit ooit was of nooit meer anders zou worden.
Het meisje liet haar schouders zakken en keek naar beneden. Het was ongemakkelijk als buitenstaander ernaar te kijken dus keek ik weg. Het was het meeste privémoment dat je maar bedenken kon in een bomvol restaurant. Toch trok het moment als een onzichtbare hand naar me toe. Het was ergens mooi, teer en mocht bestaan. Mensen die huilen zijn ergens op hun mooist. Ik nam een foto. Deed net of ik iets anders fotografeerde. Voelde me een voyeur in mijn eigen beeld. …
