Over de streep.

Afgelopen week, tijdens mijn vakantie in Opende Groningen, kreeg ik het redigeerwerk terug via mail van mijn boek Opkrabbelen. Ik kreeg meteen weer vlinders in m’n buik! Heerlijk weer aan het werk! Ik zag alleen een piepklein interpretatiefoutje in m’n manuscript dat per ongeluk veranderd was.

‘Kleine kinderen staan soms letterlijk voor een drempel en willen er niet overheen.’ Nee, het moest niet worden ‘een onzichtbare drempel’, maar een echte. En als je ouder wordt sta je soms weer bij zo’n drempel twijfelend of je erover heen wilt stappen of daar wilt blijven staan.
Ik denk dat je het wel gezien hebt op televisie. Over de streep. Ik zag het een paar jaar geleden in een Amerikaanse documentaire. Op een highschool stonden dezelfde presentors leerlingen over de streep te halen. Indrukwekkend. Confronterend. Pijnlijk en verdrietig. Het veroorzaakte een flashback.

Om begrip te kweken bij onbekenden waarmee je wel een fiks aantal jaren door de wandelgangen moet lopen, bij elkaar moet zitten in een klas en een veilig en vertrouwd gevoel wil creëren zul je in het prille begin als leerkracht iets moeten doen om die band goed op te bouwen. Kinderen van die leeftijd hebben niet altijd voldoende inzicht en empathie om dit zelf te bewerkstelligen. Daar is hulp bij nodig. In een groep die pas bijeen geplaatst is heerst de wet van de sterkste. Ben je anders, apart of niet (voldoende) geïnteresseerd in de leefwereld die gros van de groep nastreeft sta je erbuiten.

Get Microsoft Silverlight
Bekijk de video in andere formaten.

Elk huisje heeft z’n kruisje. Er speelt altijd wat achter elke voordeur. Iedereen heeft een verhaal. Een klein verhaal of een groot verhaal. Gisteren kwam er een tweet langs over de gevolgen van Over De Streep en Challenge Day. Het moet wel een positieve klank krijgen, werd gezegd. Het glas moet half vol zijn en niet half leeg.
Dingen zijn wat ze zijn en niet alles is leuk en gezellig. Daar mag over gesproken worden, het liefst in een veilige en vertrouwde sfeer. Ben je zelf gekwetst als je aan het pesten gaat? Ben je eigenlijk onzeker als je zo brutaal bent? Zoek je grenzen als je over die van anderen walst? Zoek je vluchtroutes als je drinkt, gokt of niet eet? Ben je écht altijd het zonnetje?

Als twaalfjarige ging ik op kamp terwijl ik die nieuwe klas amper kende. Ik had er de meest nare dagen die ik me voorstellen kon. Ik belde mijn ouders: ‘Kom me alsjeblieft halen!’ maar dat ging niet. Ik had het koud middenin de nacht en fietste als eerste over de blauwe brug naar huis. Nog nooit had ik zo hard gefietst.

En je leert te zwijgen over wat je dwarszit als niemand naar je wilt luisteren of als er geen opening is wat te vertellen. Je blijft als verlamd voor die drempel staan bij de eerst volgende situatie die precies hetzelfde lijkt. …

Kijk om, en loop weer door. Deel 47.

Veel leerde ik er, daar op die geitenboerderij. Ik moest door weilanden heen, fietste op opengebroken paden die nu door auto’s bereden werden maar misschien eeuwen geleden door paard en wagen benut werden. Het was bosrijk, rustig en er zwiepten hoge bomen die veel zonlicht tegenhielden. Ik bewonderde vele maisvelden en herinnerde me het schoolkamp een tijd geleden waarbij we er dwars doorheen gelopen waren middenin de nacht omdat we verdwaald waren bij een dropping.

...

Het gezin was niet spraakzaam en werkte hard. Ik boende er vloeren, waste de ramen en paste op dat ik niet in de keutels liep. De kinderen gingen naar school, kwamen tussen de middag thuis, zeiden amper gedag en gingen zitten aan tafel zonder handen te wassen. De allereerste keer dat ik daar het tafel gedekt had stond vader fronsend naar de keukentafel te kijken. ‘Borden?’ Hij stapelde ze één voor één weer op en zette ze terug in de kast. Het was geen zondag. Doordeweeks aten ze op plankjes. Plankjes? Ik wist niet wat ik zag.

Moeders was net uit het ziekenhuis ontslagen en lag in een ziekenhuisbed beneden in de woonkamer. Ze bliefde geen halfkoude thee, nee, ook geen koffie en dus stapte ik op de fiets om sap te kopen. De eerste winkels waren een half uur fietsen en moest ik in de plots opkomende regenbui weer naar huis. Moeder had pijn aan haar rug, mocht zich niet bewegen en werd elke dag een beetje knorriger. Als de kinderen in en uit het huis renden werd ze kwaad. ‘Hou eens op met die herrie! Buiten spelen! Vort!’

Ik zette een po onder moeders billen als ze riep dat ze moest. En ze moest vaak maar kon niet. Ik wachtte dan in het zijkamertje en hoopte dat ze niet gepoept had. Pies vond ik al erg maar poep was over de grens van kokhalzen. Natuurlijk mocht je als thuishulp niet laten blijken dat je kokhalzend over de w.c hing om andermans uitwerpselen weg te spoelen. Het zweet stond me op mijn bovenlip en ik zuchtte nog een keer. ‘Haal maar weg!’ werd er luid geroepen en ik haastte me naar de woonkamer. ‘Ik kon weer niet.’ verzuchtte ze en ik haalde de po onder haar billen vandaan.

Veel leerde ik op de geitenboerderij. Dat het boerenleven hard was en waar geen tijd was voor een beetje kalm aan doen. Dat alle afstanden grote afstanden waren, letterlijk maar ook figuurlijk. Je was werkzaam in een boerengezin maar je leerde hen amper kennen. Ik leerde vooral dat ik best mensen wilde helpen maar dat ik niet geschikt was om een po onder iemand’s billen vandaan te halen.