Vrij zijn zit in je hoofd.

Het is een zin die ik vaker hardop heb uitgesproken en heb vastgelegd op papier of via de digitale snelweg. Het is ook niet een zin die van mij zelf afkomstig is maar van iemand anders. Ik weet tot op de dag van vandaag niet meer wie deze zin uitsprak, en of ik het hoorde op televisie of las in een boek, maar het maakte indruk, tot op de dag van vandaag.

‘Hoe vaak iemand je zegt dat je er niet toe doet, of meedeelt dat je minder bent dan een ander, er stom uitziet, niets kunt, of je apart zet, uitsluit, verbant uit een gemeenschap, je opsluit in een kooi, kamp of opsluit in jezelf en je isoleert, jij bent en blijft altijd vrij in je hoofd. Er is namelijk niemand die je gedachten, dromen en normen en waarden kan afpakken.’

Het liedje van Nina Simone sluit daar als vanzelf goed bij aan. Het is mijn lijflied; mijn kracht.


 

‘What have I got, why am I alive anyway, yeah yeah what have I got, nobody can take away! I got my hair, got my head, got my brain, got my ears, got my eyes, got my nose, got my mouth, I got my, I got my sense…I got my arms, got my hands, got my fingers, got my legs, got my feet, got my toes, got my liver, I got my blood.. I’ve got life, I’ve got life, I’ve got headaches and toothaches and bad times too like you’.

– Nina Simone.

Anne Frank had haar woorden.

-3 mei 1944-
‘Ik ben vaak neerslachtig geweest, maar nooit wanhopig, ik beschouw dit schuilen als een gevaarlijk avontuur, dat romantisch en interessant is. Ik beschouw elke ontbering als een amusement in mijn dagboek. Ik heb me nu eenmaal voorgenomen dat ik een ander leven zal leiden dan andere meisjes en later een ander leven dan gewone huisvrouwen. Elke dag voel ik hoe m’n innerlijk groeit, hoe de bevrijding nadert, hoe mooi de natuur is, hoe goed de mensen in m’n omgeving, hoe interessant en amusant dit avontuur! Waarom zou ik wanhopig zijn?’ — Anne Frank.

Niemand neemt je je eigen gedachten af. Niemand. In welke barre omstandigheden dan ook, wat jij jezelf vertelt mag verteld worden. En laat je niets aanpraten en ook al kaffert iemand je uit, spuugt iemand op je, schopt iemand je, slaat iemand je, vernedert iemand je, jij bent wie je bent. Je bent goed zoals je bent. Laat niemand je dat afpakken. Niemand.

Dat betekent voor mij vrijheid.

Geen tanden.

Het is een terugkerend nerveus gedoe; de controle bij de tandarts. Teveel ellende gehad met tandartsen die zeiden dat alles goed kwam en dat het dan niet goedkwam. Of een tandarts die de pijn in mijn ene kies weglachte en ontstoken bijholtes de schuld gaf. Discussies over verdovingen. Verwijzingen naar de kaakchirurg. Gedoe. Ellende. Maar ik heb mijn tanden nog. Gelukkig.

Vanmiddag zat ik in de provisorische huiskamer in een mega grote bank weg te zakken terwijl ik een Grazia las, met op de cover Yolanthe Cabau van Kasbergen Sneijders of hoe haar achternaam ook heet, toen er een sjiek echtpaar kwam binnenwandelen. Sjiek als in perfect gekapt haar, broekpak in plooi, slangenleren schoenen en diamantenketting en gouden broche op een sjaaltje vastgespeld op een fijn colbertje.
Ze waren samen, man en vrouw, de leeftijd van mijn ouders vermoedde ik, waarbij de man meteen naar het toilet liep en de vrouw probeerde neer te vlijen op de mega bank waarin ze met haar korte pootjes bleef hangen boven de grond. Ze plofte in de bank harder neer dan normaal gesproken de bedoeling was om de simpele reden dat zij met haar ene hand een gedeelte van haar sjaal voor haar mond hield en zichzelf niet helemaal in evenwicht hield.

De man was teruggekeerd van het toilet en regelde koffie voor zijn vrouw en hem. Het verbaasde me dat er in de wachtkamer koffie gedronken kon worden want dat was nu niet bepaald een prettige geur voor een tandarts als de patient met koffielucht in de stoel zou liggen. Bovendien wilde je toch je tanden netjes gepoetst en ruikend naar tandpasta hebben?

De vrouw haalde de sjaal weg van haar mond toen zij een slok van haar koffie nam. Haar mond slonk. Haar wangen vielen ineen en ineens leek ze ouder dan ze was. Ze had geen tanden meer.