dat er maar stond, gleed beide vingertoppen als in een aaneenschakeling van herhalingen, herhalingen langs elkaar heen terwijl zij met doffe blik over het spoor en voorbij de bomen – langs rommel en tussen takken – haar jeugd voorbij zag gaan.
Met gebogen schouders in een beige jasje gehuld. Haar regenkapje bengelend aan een van haar gerimpelde vingers, wachtte zij geduldig op de trein die komen ging.
Zij gleed beide vingertoppen als in een aaneenschakeling van herhalingen, herhalingen langs elkaar heen. Het lint van haar regenkapje, zonder enkele notie, enige notie, omdat het lintje te zacht was, glijdend langs oude, breekbare handen.
Voorbij de rommel op het spoor langs de kale takken van de bomen zag zij ergens ver, ver van hier een wazig zonnetje tussen het witte wolkendek.
