Skip to content →

Karin Ramaker Posts

Ik hoefde er niet uit.

Vannacht, of vanmorgen vroeg, werd ik wakker van de regen. Het raam stond open vandaar dat het geluid van de regen harder klonk dan wanneer het raam dicht zou zijn. Ik spitste mijn oren want ik wilde vaststellen of ik eruit moest om het raam dicht te maken of niet. Als ik eenmaal lekker warm in mijn bed lig wil ik er eigenlijk niet meer uit. Ik hoorde de harde regen op de stenen kletteren. Mijn arme plantjes hadden nu wel genoeg water gehad, hoor. Ik luisterde nog even aandachtig. Volgens mij kletterde de regen steil naar beneden. Mooi. Het raam bleef open. Ik hoefde er niet uit.


Leave a Comment

Het is net zo erg om te zwijgen als iets niet in orde is als oproepen tot haat.

Laatst droeg ik een ketting. Het was een zilveren ketting met een bedeltje eraan. Een hart. Het hart lag soms in het kuiltje van mijn nek. Soms duwde ik het hartje weer terug op zijn plek want het was gaan verliggen op mijn huid en dat voelde niet lekker. Toen ik later weer die ketting voelde besloot ik dat die ketting me eigenlijk een beetje benauwde. Het zat te strak om mijn nek, weliswaar laag en niet drukkend tegen mijn adamsappel aan, maar zo voelde het wel. Ik deed de ketting af.

Ik zat op mijn werkkamer en staarde wat voor me uit. Ik moest iets afronden maar ik rondde het niet af. Waarom ik het niet afrondde was omdat iets me tegenhield. Maar wat wist ik niet. Dat staren deed ik, meer als vanzelf, omdat ik voelde dat iets doen nu geen zin had. Het was beter om te peinzen en misschien later weg te leggen of actie te ondernemen. Misschien omdat ik aanvoelde dat een beslissing nemen beter was als er ruimte was voor een verstandelijke keus.

Ondertussen staarde ik dus naar mijn niet afgeronde schilderij. Ooit, ’s avonds laat met weinig licht, verfde ik een doek helemaal blauw. Toen het blauw bijna droog was, middenin de nacht, zag ik de contouren van een gezicht. Ik verfde die contouren tot het klaar was en stopte ermee. Ik was moe en ging slapen. De volgende dag bekeek ik het doek en ontdekte een vrouwengezicht. Ze hield haar ogen gesloten. De wereld was er even niet. Ze droeg iets om haar nek. Ik kon niet goed zien wat het was. Het was breed. Een doek? In ieder geval benauwde het me. Alsof ik dat doek, dat ding, van haar nek wilde weghalen zodat ademen iets makkelijker ging. De nek is een kwetsbare plek, dacht ik nog. Een dikke ketting, een sjaal, een grove hand zou veel kunnen breken.

Dit afgelopen weekend zag ik de demonstraties in Charlottesville, Virginia. Haat uit vele monden, haat in de ogen. Een schuldige opzoeken. Jij bent de veroorzaker.
En dan de aanslag waarbij een onschuldige jonge vrouw het leven liet omdat ze met haar mond, haar keel, haar stembanden opriep tot verdraagzaamheid en compassie. Haar mond werd gesnoerd. Haar keel metaforisch en rigoreus dichtgeknepen.

Het is net zo erg om te zwijgen als iets niet in orde is als oproepen tot haat.


5 Comments

Ik heb eigenlijk alleen geduld voor leuke dingen.

Gisteren voltrokken zich meerdere ‘Aha!’ momenten. De eerste kwam vrij vroeg, toen ik op mijn werkadres aan de keukentafel zat te kijken naar het gepuzzel van mijn jongste oppaskind. Hij was heel rustig en stil aan het verzamelen, sorteren en was erna begonnen. Met veel geduld, moest ik bekennen. ‘Hoe komt het dat je zoveel geduld hebt met puzzelen?’ vroeg ik meer aan mezelf dan aan hem. Hij haalde zijn schouders op. ‘Ik heb niet altijd geduld.’ zei hij. ‘Maar wel voor puzzelen.’ beaamde ik.

‘Weet je wanneer ik geen geduld heb?’ vroeg hij terwijl hij puzzelstukjes in elkaar zette. ‘Als ik in een rij moet wachten.’ Dat kon ik begrijpen. Zelf had ik ook helemaal geen geduld als ik in een rij moest wachten. En meestal stond ik dan ook nog eens in de verkeerde rij. De rij die het meest leek op te schieten bleek toch niet de snelste rij te zijn omdat iemand zijn pinpas per ongeluk blokkeerde of de kassière navraag moest doen bij een collega.

Ik dacht er verder over na. Ik ben met kinderen behoorlijk geduldig. Veters leren strikken, wandelingen maken, uitleggen, met vallen en opstaan iets proberen, in de herhaling, daar heb ik eindeloos geduld voor. Een boek schrijven, een schilderij maken, een studie volgen, opruimen, een nieuw recept proberen, ik heb er geduld voor.
Maar als iets niet opschiet, een verhaal te lang duurt, via een omweg iets verteld moet worden wat ook in twee zinnen kan, vergaderingen, als er iets beloofd wordt en het gebeurt niet of te laat, als de trein vertraging heeft heb ik geen geduld. Of als ik een gebruiksaanwijzing moet lezen met heel veel tekst, er op het fietspad met een slakkengang wordt gefietst of een kookboek veel te veel tekst blijkt te bevatten, dan heb ik geen geduld. Absoluut niet.

Hij stond ineens op. ‘Ik heb eigenlijk alleen geduld voor leuke dingen.’

Dat was het dus. Je hebt geduld voor leuke dingen. Dingen die je nieuwsgierigheid wekken. Waar je een fascinatie voor hebt. Wat grappig dat ik me dat opeens besefte. Via hem.

Diezelfde avond appte ik met een vriendin over werkdingen. Typische zelfstandigen dingen waarbij we allebei precies wisten wat de ander bedoelde. Beoordelingen die niet altijd even vlotjes verliepen of een slechte communicatie waardoor een opdracht door je vingers glipte misschien omdat je zelf ook niet doorvroeg of bevestigde. Soms ook doordat je beleefd wilde blijven bepaalde zaken liet aanmodderen maar er miserabel van werd. Bovendien veranderde er hierdoor helemaal niets.

Er werd bedacht dat beleefdheid misschien niet zo’n goed idee was geweest. Misschien was het verstandig geweest bepaalde duidelijkheid te vragen. Ik fronste mijn wenkbrauwen en dacht erover na. Beleefdheid wordt wellicht geassocieerd met aardig zijn. Vriendelijk. We knikken ‘ja’ en gaan mee met de meut. Maar als je duidelijkheid vraagt ben je dan minder aardig? Wordt duidelijkheid ineens geassocieerd met minder vriendelijk? Een Aha! moment.


2 Comments