Bolleke.

Ik betrap me er weleens op dat ik tegen mijn overleden moeder praat, hardop of in mijn hoofd, alsof ze nog ergens is. Het gesprek gaat heel achteloos, zo van: ‘Nou, mam, wat dacht jij ervan?’ Of: ‘Dit had je wel/niet leuk gevonden zeker.’ Het is gemompel in de ruimte. Waarom zou ik dat doen? Ik weet het niet. Zo vertelde ik laatst dat Ellen Bakker een bolleke voor haar (en mij) aan het maken was. Het was nogal wat werk, ze hield me ervan op de hoogte en ik zag de kleivorm, het baksel en later de afronding. Toen de deksel werd gekleid had het eerst een bolletje bovenop. Ik twijfelde, maar ik vertrouwde Ellen erop dat het goed was. Toch was mijn eerste indruk dat het geen bolleke meer was maar een tiet en daar zou mijn moeder haar neus een beetje van moeten ophalen, ik zag het zo voor me. Niet alleen zou ze haar neus ervan moeten ophalen, ze zou er ook een beetje om moeten lachen. Een dag later vertelde Ellen dat mijn moeder het inderdaad geen goed idee vond. De deksel was kapot gevallen.

Nu is mama’s bolleke helemaal zwart van binnen zoals zwart hoort te zijn en aan de buitenkant straalt het groen en zelfs onderaan het potje zit een koperen gloed. Dat bleek lastig te fabriceren, zei Ellen nog. Op de verjaardag van haar kleinzoon werd het in een mooie doos met de letters ‘breekbaar’ erop thuisgebracht. Een prachtig potje. Een kleine urn. Een bolleke.

Lees hier meer: Een beetje moeder.

Kleibrein.nl

Weggesleept.

In de jaren negentig zaten we op de grond bij Plein 44 Nijmegen omdat we demonstreerden. Vreedzaam demonstreerden. Oké, de bussen konden niet rijden. Vraag me niet waar de demonstratie precies over ging, ergens moet er nog een krantenartikel bestaan waar ik met foto opsta samen met andere studenten zittend voor de bus. Het had te maken met openbaar vervoer en studenten en er was een geldkwestie. Maar we zaten er. Extinction Rebellion zat ook menigmaal op de grond of vastgeketend aan palen. Ze zaten op de grond, meer niet. Misschien werd er geroepen, zoals wij destijds ook deden. Ze werden met stokken uit elkaar gehaald en opgepakt want ze verstoorden de openbare orde.

Laat dit even op je inwerken. Het verstoren van de openbare orde op veel grotere schaal is wat er de afgelopen dagen (en al eerder) gebeurde in delen van Nederland. Maar dan niet zittend op de grond, vastgeketend aan palen. Er reden, en rijden nog steeds, loodzware trekkers op snelwegen waar ze niet horen, er worden hooibalen in de hens gestoken wat veel rookoverlast veroorzaakt. En we maken ons druk over medisch personeel dat naar hun werk moet, afspraken in ziekenhuizen die niet door kunnen gaan, uitvaarten die niet bijgewoond kunnen worden maar ik denk vooral aan het speciaal vervoer voor kinderen die onderweg zijn naar school of weer naar huis, voeding nodig hebben en medicatie. Moeten deze taxibusjes met speciale koplampen aangeven dat zij er ook via de vluchtstrook langs moeten? Oh, die vluchtstrook stond gisteren ook vol met rondlopende, doldwaze boeren.

Ik ben groot voorstander van het recht op demonstreren maar de logica is wel een beetje erg zoek momenteel. Waar de culturele sector op ludieke manier theaters wilden vullen werd er gedreigd met boetes. Onderwijspersoneel trommelt rustig door. Terwijl fietsers halsbrekende toeren moeten uithalen om in het centrum van grote steden lomprijdende trekkers te mijden en boeren met klauwhamers politiewagens afrossen, door barricades breken, mest lossen op de snelweg, ambulances laten wachten, vuurwerk van viaducten gooien op het moment dat de brandweer een groter wordende brand wil blussen wordt er niets gedaan.

We werden destijds weggesleept. De bus moest verder kunnen rijden. Even in actie om je stem te laten horen. Dat was gewoon demonstreren. Wat er nu gebeurt is terreur. Mijn respect is 0.

Heb wel meer te doen!

Als er ergens een plek is waar je verplicht rustig aan moet doen is het mijn plaatselijke apotheek. Daar kom je terecht in een oase van traagheid. Met irritatie van klanten als gevolg, wat de rust niet bevordert. Ze werken er soms met vier mensen sterk, elk aan een balie, maar vaak staan ze met elkaar te overleggen verder van de balie verwijderd. De computers werken soms niet zoals het hoort, ‘het systeem’ werkt vaak niet zoals het hoort en mensen zuchten steevast. Maar vanochtend werd het een man allemaal teveel.

‘Staan jullie in de rij?’ wilde iemand weten. De rij werd achter hem langer. Ik zou zo geholpen worden. Voor mij nog twee mensen. Ze stonden aan de balie en hadden net hun gesprekje gehad en nu stonden de apotheekassistenten met elkaar te overleggen.

‘Wat zijn ze hier traaaaaaaaag!’ riep een man in de rij opeens.

Zeg, jullie kunnen nog harder werken hoor. Ik moet ook werken! Liefst vandaag!’ Hij zuchtte. ‘Ik heb wel wat meer te doen!’

Hij drentelde heen en weer. De apotheekassistenten leken getraind in het stoicijns denken. Ze gaven geen kik, overlegden rustig verder. Omdat ik van tevoren wist hoe dit kwartiertje tot twintig minuten ging verlopen maakte ik me ook nergens druk over. Je leert daar nog wat.

Jan is jarig.

Lieve Q,

Gisteren vierden we je verjaardag. Zes jaar geleden belde papa op en zei dat Jan was geboren. Maar dat was een grapje. Vorige week was ik bij de boekwinkel voor heel iets anders maar zag een klein boekje over Klein Jantje die jarig was en ik nam het zonder aarzelen voor je mee.

‘Jan.’ zei je en wees naar de vogel. Hij had een feestmuts op. ‘Jan is jarig.’ Ging je verder. Want verhalen vertellen gaat je steeds beter af.

Ook was er een walvisdolfijn. Het was een dolfijn. We rekenden walvis goed, ze lijken op elkaar. De heliumballon schoot naar het plafond in de kamer. Want Q, vorig jaar zou je met je oom en tante naar de vissen gaan maar dat ging helaas niet door. Oma Ria werd ziek en zou niet meer beter worden. ‘Q, als het straks vakantie is, moet je maar tegen papa en mama zeggen wanneer je naar de vissen wilt. Misschien zie je dan ook de pinguins.’ Je keek naar de cadeaukaart.

‘Vis.’ zei je. Ja, we gaan gauw een datum prikken.

Ook kreeg je van opa en oma een zitzak. Prinsheerlijk zat je erin het boekje van Jan te lezen. Wat was Jan ooit een frummeltje. Je paste in mijn onderarm. We kochten bij een mevrouw een zelfgemaakt pyjama pakje met sterren. Je bent nu ineens zes jaar geworden. Je hebt net een nieuwe rolstoel gekregen met blitse wielen. Je bent blij als je naar school mag. Je vindt de juffen lief en de kinderen ook. Je werkt hard, leert graag en bent moe als je thuiskomt. Maar dan is die zitzak misschien ook zo gek nog niet.

Lieve Q, we maken grapjes over Jan. Je bent natuurlijk, Q.

Een ander huis.

‘Wat vind je ervan?’ Gastkind begon te lachen. Hij keek me schalks aan en draaide zijn hoofd weg. Hij kon het niet zeggen, had de woorden niet om zijn gevoel te beschrijven. Ik was erover begonnen dat ik weg ging. We moesten het erover hebben, niemand sprak erover. Ik liet het maar even. Een paar uur later, toen we samen op de bank zaten in de kantine van het zwembad, vroeg hij:

‘We kunnen nog wel skypen, toch?’

‘Ja, natuurlijk.’

‘Ga je verhuizen?’

‘Nee, ik ga niet verhuizen.’

‘Ga je niet naar een ander huis?’

‘Ik blijf wonen in mijn eigen huis.’

Pas veel later begreep ik wat hij bedoelde. Ik ging weg, de ouders wilden het zelf aan de kinderen meedelen. Misschien hadden ze de kinderen verteld dat ik naar een ander huis ging om met andere kinderen te werken.

‘Als ik wil kan ik jou nog appen om te vertellen wanneer ik zelf met de bus naar school ga.’

Ik verschoof op mijn plek van ongemak. Het bleef een van de moeilijkste dingen van mijn werk; weggaan en afscheid nemen. En de vraag of ze het wel zouden begrijpen.

Door de site te te blijven gebruiken, ga je akkoord met het gebruik van cookies. meer informatie

De cookie-instellingen op deze website zijn ingesteld op 'toestaan cookies "om u de beste surfervaring mogelijk. Als u doorgaat met deze website te gebruiken zonder het wijzigen van uw cookie-instellingen of u klikt op "Accepteren" hieronder dan bent u akkoord met deze instellingen.

Sluiten