Negentiendrieënzeventig.

Jaren geleden stond ik nietsvermoedend bij een kassa om een fles wijn af te rekenen. De kassière, jong ding, vroeg zonder blikken of blozen om een identificatie. Ik keek de man achter mij aan, schoot in de lach, een mengeling van gène en verbazing, en piepte: ‘Ik ben van negentiendrieënzeventig!’ Het werd even stil. Ze keek omhoog, kreeg vervolgens grote ogen en riep: ‘U bent ouder dan me moeder!’

Afgelopen week had ik een kennismakingsgesprek met een leeftijdsgenoot. Gaande het gesprek en de vele anekdotes die door mij werden aangevuld met ‘Ja, heel herkenbaar!’ en ‘Had ik ook!’ werd het even stil. Ze fronste haar wenkbrauwen en keek me schuin aan. ‘Hou oud ben jij eigenlijk?’

Ik bedacht me dat die mengeling van verbazing en gène niet weg was. Het was precies hetzelfde gevoel dat ik vroeger ook al had, toen ik met mijn moeder een paspoort ging ophalen en er over mijn hoofd heen werd gesproken en mijn moeder tegen de dame achter de balie zei: ‘Zij kan het best zelf regelen, hoor.’ En later de vele controles aan de deur bij uitgaansgelegenheden waarbij mijn twee jaar jongere beste vriendin zo door mocht lopen en ik werd tegengehouden.

De laatste keer dat de kapper mijn haren kamde, in het witte schijnsel van tl buizen en schittering van de spiegel, merkte ze op dat voor een jongedame zoals ik de grijze haren vroeg waren ingezet. ‘Het staat je goed hoor, daar niet van.’ Ik keek haar via de spiegel aan, een mengeling van gène en verbazing en zei: ‘Ik ben van negentiendrieënzeventig!’

Rauw vlees.

Eigenlijk duwde de tandarts de afgebroken kies eruit. Nadat de verdoving gezet was (eentje in de ontsteking, minder prettig) begon hij te wrikken. Misschien is het een goed idee om patiënten een hoofdtelefoon op te laten doen. Dat je geen enkele pijn hebt tijdens dat wrikken is fijn natuurlijk, maar de geluiden die je vervolgens hoort zijn niet geschikt voor bange patiënten. Toen ging hij opeens staan, zette zijn grote hand op mijn mond en begon hard te wrikken en te duwen. Als een stratenmaker die een steen die vastzit uit de grond moet halen. Krak, hoorde ik. Een wortel was los. Toen de andere wortel. ‘Ik krijg ‘m er niet uit.’ hoorde ik. ‘Ja, hebbes!’ alsof hij een wedstrijd speelde. Fanatiek was de beste man, dat kon ik wel meedelen. Ondertussen knipoogde de assistente. (We moeten de assistenten eens vertellen, collectief, hoe waardevol ze zijn. Ze zijn een baken bij een op drift zijnd schip in een woeste zee.) De laatste wortel wrikte hij er ook uit. Een gat was wat overbleef. Met een gaasje waar ik op moest bijten zat ik rechtop in de stoel. Op het computerscherm zag ik mijn 3D gezicht, een skelethoofd met holtes en tanden. Drie dagen later voel ik rauw vlees. De hechtingen mogen er volgende week uit.

Zo groen.

Gisterenmiddag pakte ik mijn boek en zat neer op het bankje in de achtertuin. Ik was net begonnen in het boek van Peter Middendorp, Neven. Toen ik even staarde in de verte, naar de mini tuin waar de magnoliaboom staat en waar de druivenstruik in bloei is, dacht ik aan vorig jaar, toen de medische karavaan aan zijn reis begon; mijn moeder in het ziekenhuis lag en ze elke dag belde. Mijn telefoon kon niet even ergens liggen, ik nam hem overal mee naartoe. Stel dat. Toen ik vorig jaar, rond deze tijd, in het bankje zat naast mijn vriend, appte hij naar mijn moeder en stuurde een foto van onze tuin. Het was vroeg in de avond, net na het eten. We dronken koffie. Ze appte terug. ‘Is dat jullie tuin? Het is zo groen!’ Ja, het was heel groen. Ja, het was onze tuin. De tuin waar ze ook had gelopen als ze op visite kwam. Maar ze wist het niet meer. Er vielen steeds stukjes weg, herinneringen. Ze waren als kleine bellen die uiteenspatten in de lucht. Je zag het, even, erna was het weg.

Ik mijmerde, terwijl ik in het bankje zat, dat het vorig jaar ongeveer begonnen was. We gaven destijds nog niet op, hielpen waar we konden en gingen mee naar ziekenhuisafspraken. Maar rond deze tijd begon het. Een jaar is net als een paar maanden geleden. De tijd die is verstreken is een week, een maand, geen 365 dagen. Het is meer een aaneenschakeling van momenten, niet achter elkaar per se. Ik voelde even de paniek, het schakelen, de afstand die ik vaak voelde waar ik niets kon uitrichten, enkel kon luisteren.

Alle tijd heeft zijn ijkpunten. Vele momenten vergeten we, andere momenten staan in mijn geheugen gegrift.

Terug naar toen.

In de zacht wiegende treincoupé stonden heel veel mensen. Bij elkaar, tegen elkaar aan. De weekendtrein was vol. Ik liet me naar het zuiden des lands vervoeren, naar mijn verre familie en waar verhalen in de grond waren gestopt. Terug naar toen, naar het verleden en ook weer naar toekomst. Ik had mijn achternicht sinds de corona periode niet meer gezien. Wel gemaild. Beiden opgeslokt door andere toestanden zoals rouw en ziekte. Ze stond op het perron op mij te wachten. We reden in haar auto door de Hoofdstraat in Gilze en Rijen, een lange weg, naar huis. De Hoofdstraat was vroeger de Kerkstraat waarover ik schreef. De kern rondom de kerk waar huisjes werden gebouwd, brouwerijen en later industrie waar vooral leerlooiers actief waren. Waar de vrouwen in de fabriek konden werken maar met argwaan werden bekeken door de pastoor en de mannen in het algemeen want de vrouw moest deze kostbare uren vooral besteden aan man en kind en huishouden.

Ik kreeg originele documenten overhandigd. Of ik ze wilde bewaren, dan bleef het in de familie. Ja, dat wilde ik wel. Ik zou ook niet willen dat het zou kwijtraken. De originele briefwisseling tussen de broers en zussen van oudoom Kees in de oorlogstijd. ‘We willen niet dat hij naar het concentratiekamp gaat.’ Het bewijs van overlijden in Kamp Neuengamme. De repatriëring naar Nederland, naar Dongen en toen naar het ereveld in Loenen. We liepen in de middag over de chaotische begraafplaats in Dongen. Graven waren oud en verweerd, lagen dwars; horizontaal en dan weer verticaal. In vak C zou Kroetje moeten liggen. Een excentrieke vrouw die iedereen van de oude stempel in Dongen kende. Maar we vonden haar niet. We groetten wel de moeder van oudoom Kees. Zij lag er nog, met een groot kruis op haar graf met een beeltenis van Jezus erop.

We aten worstenbroodjes en dronken koffie en wisselden anekdotes. Over mijn ouders natuurlijk, ook zij had de rouwkaart destijds ontvangen. Ik liet een foto zien van mijn opa toen hij nog klein was. ‘Oom Marcel.’ zei ze vertederd. ‘Het was zo’n rustige, aardige man.’ Ik vertelde over het bezoek aan het stadsarchief in Breda en wat ik er aantrof over mijn overgrootmoeder. Dat ik alles wat ik kon verzamelen aan feiten en materiaal wilde noteren, beschrijven in een familieverhaal. Maar dat het heel veel werk was en tijd kostte. ‘Ik hoop dat ik het dan nog kan lezen.’ zei ze.

Door de verhalen te blijven vertellen leeft de geschiedenis. Is niets verloren. In ieder geval niet wat moet blijven. Je bent pas vergeten als men niet meer over je praat.

In bloei.

Toen we het huis moesten opruimen, verdelen, ontruimen, was mijn eerste prioriteit de planten. In hoeverre mijn moeder gesteld was op de planten die zij in huis had wist ik niet, maar ik had het sterke gevoel dat ik ze mee naar mijn huis moest nemen. Sinds eind maart staan er drie planten in huis. Een staande sprietplant in mijn werkkamer en de andere twee staan op zolder op de logeerkant bij het raam. Eén plant groeide niet zo goed. Telkens als ik naar boven liep, de overloop op, zag ik de planten, gaf ze water en keek of ze het nog goed deden. Een paar dagen geleden, bij een van de planten, stak er opeens een bloem uit. Kleine groene kegelvormige uitgroeisels met druppels van plakkerige nectar. Gisterenavond liep ik weer even naar de overloop en zag dat uit een paar van die groene kegels witte bloemetjes groeiden en er kwam een zoete geur vanaf. Ik vroeg via de bekende Twitterweg naar de naam van de plant en de bloem want bij deze plant, de Sansevieria, alias Vrouwentong, was blijkbaar het groeien van een bloem een zeldzaamheid.

Net na het overlijden van mijn moeder vroeg ze in een droom naar de planten. ‘Ze zijn bij mij.’ legde ik uit. Ik zal er goed voor zorgen. Ik zal er tijd in stoppen, arbeid, toezicht, aandacht en liefde.

De plant staat opeens in bloei. Hij heeft zich staande gehouden, zich herpakt en ontplooit. Het voelt als een mooi cadeautje.

Bloom—is Result—to meet a Flower
And casually glance
Would scarcely cause one to suspect
The minor Circumstance

Assisting in the Bright Affair
So intricately done
Then offered as a Butterfly
To the Meridian—

To pack the Bud—oppose the Worm—
Obtain its right of Dew—
Adjust the Heat—elude the Wind—
Escape the prowling Bee

Great Nature not to disappoint
Awaiting Her that Day—
To be a Flower, is profound
Responsibility—

Emily Dickinson.

Door de site te te blijven gebruiken, ga je akkoord met het gebruik van cookies. meer informatie

De cookie-instellingen op deze website zijn ingesteld op 'toestaan cookies "om u de beste surfervaring mogelijk. Als u doorgaat met deze website te gebruiken zonder het wijzigen van uw cookie-instellingen of u klikt op "Accepteren" hieronder dan bent u akkoord met deze instellingen.

Sluiten