Kraaienvleugels.

We waren onderweg naar de ijssalon en we bespraken de wereldproblematiek. Gisterenavond was er iemand bij ons in de buurt neergestoken. Mensen lopen tegenwoordig met messen op zak om ‘zich te verdedigen.’ Ik zag op sociale media een foto van een bebloede trui. Er was rood en wit lint gespannen. Veel politie bij het veldje. Precies het veldje waar kinderen overdag spelen.

En we bespraken het geweld in Amerika wat weer in volle hevigheid opengebarsten is nadat afgelopen week weer een donkere Amerikaan na een arrestatie in een abnormale nekgreep gehouden werd door een blanke politieagent en niet kon ademhalen. Hij verloor het bewustzijn maar nog hield de agent zijn knie in zijn nek. Dagen ervoor kwam er een video online van een donkere Amerikaan die een blanke vrouw aansprak in een park omdat haar hond losliep en zij, als in een slecht geregisseerd toneelstukje, de politie belde en aangaf bedreigd te worden. Je zou denken dat dit soort racistische ellende al lang voorbij zou moeten zijn.

Wij peuzelden ons ijsje op zittend op een bankje. Ik zag de enorme rozenstruiken in het midden van het plein in de wind heen en weer buigen, en dacht opeens aan Rosa Parks. Zij weigerde haar zitplaats in het voor zwarten gereserveerde deel achterin af te staan aan blanke passagiers. Dat kwam omdat de bus volraakte en ze dus plaats moest maken. Ik dacht aan de woorden plaats maken. Voor anderen die het niet prettig met je voorhebben.
Toen we terugliepen kwam er een kraai aanvliegen. Hij had zichtbare moeite om op te stijgen, stak zijn kraaienvleugels uit en wapperde ermee in slow motion mijn richting uit. Ik zag zijn kop, zijn donkere kraalogen. Ik twijfelde kort of ik opzij moest maar hij gleed pal boven mij naar boven. Hij was me ontstegen.
Soms heb je tegenwind. Soms heb je veel tegenwind. Soms doe je dan toch je stinkende best om er bovenuit te stijgen. Soms weet je niet waar je het allemaal voor doet. Soms weet je het pas veel en veel later. Soms voelt het als vechten tegen duivelse krachten.

Wil je mijn blog steunen met een bijdrage? Doneren mag hier.

Wil je mijn blogstukjes in je mail ontvangen? Abonneer je dan hier.

Schrijfonrust.

De afgelopen weken voel ik een schrijfonrust. Ik zit achter mijn bureau of op de bank of buiten aan de picknicktafel en wil dolgraag schrijven maar er is niets dat me aanzet of aanspoort tot schrijven. Er dwarrelen wel flarden voorbij aan het woeste water waarin surfers zijn verdronken, een kind van een jaar dat een heel duur medicijn nodig heeft en ouders die in hun wanhoop een donatieronde zijn gestart. Als ik de foto zie van het ventje met sondevoeding krijg ik een knoop in mijn maag.

Er dwarrelen flarden voorbij aan de herinnering aan vorige week toen ik in bed lag met een stevige bijholte ontsteking die ik weg probeerde te denken maar het lukte niet omdat de pijn te erg was. Het leken wel aanvallen, mijn kiezen en wang voelden ook beurs en pijnlijk. Als ik niet sliep staarde ik naar het rolgordijn en hoorde kinderen buiten spelen. Het was mooi weer, er leek niets aan de hand. Ze lachten, speelden, vermaakten zichzelf.
Je hoort weleens mensen zeggen dat je pijn snel vergeet maar ik bedacht me dat die ene keer jaren geleden dat ik zenuwpijn had in mijn kies en ik van de pijn rondkroop in mijn bed ik me die pijn nog erg levendig voor de geest kon halen. Ik herken zenuwpijn als een blinkend muntje op twee meter afstand op een stoep. Toen de antibioticumkuur z’n werk deed bleef ook alleen die kiespijn over. Ik bespaar je de hel van de tandarts maar van afgelopen week. Het gaat nu weer beter.

Ook dwarrelen fragmenten voorbij van zaadjes die ik plantte. Zaadjes die ik gekregen had van een kind en ik net als een kind wachtte op het eerste groene begin dat boven de aarde zou uitsteken en het ook deed na een krappe week.
En ik las uit mijn boek waar ik weken op wachtte omdat de boekwinkel eerst zei dat het er was en later niet meer en het opnieuw besteld moest worden en ik dus eventjes geduld moest bewaren. Ik wachtte op dat boek bij de deurmat, bijna. Het geluid van een kartonnen pakje dat door de brievenbus geschoven wordt en op je deurmat valt is een prachtig geluid.

Maar die schrijfonrust blijft. Ik heb vele gedachten en ik mijmer constant maar soms heb ik geen woorden of vind ik de woorden niet mooi of waardevol. En als ik nadenk over woorden die niet mooi klinken ben ik al niet meer bezig met wat ik wil doen, schrijven, dus hou ik maar op.
Twee dagen geleden zat ik in de zon en las uit mijn boek (The Year of Magical Thinking van Joan Didion) maar vanachter mijn zonnebril sloot ik even mijn ogen. Ik hoorde de zee in de wind en liet de schrijfonrust even gaan.

Wil je mijn blog steunen met een bijdrage? Doneren mag hier.

Wil je mijn blogstukjes in je mail ontvangen? Abonneer je dan hier.

We zijn net kleine kinderen die een beloning willen voor goed gedrag.

Als allerlei gezelligheidsgelegenheden al maanden gesloten waren en er eindelijk weer een kier geopend wordt doordat jij je lievelingsgerecht weer kunt afhalen, je ijsje weer kunt eten op anderhalve meter afstand van elkaar, en ook nog op een warme Hemelvaart na maanden geen familie en vrienden gezien te hebben weer bezoek in je achtertuin ontvangen mag is de blijdschap extra groot. En daar zit iets moois in. De beloning voor de opoffering. Als je iets een tijd moet missen en niet hebt, is het des te fijner dat je het weer krijgt. Daar zit iets in waar dankbaarheid uit voortvloeit en tegelijkertijd kan egoïsme de kop opsteken.

Misschien dat daarom half Nederland gisteren massaal naar de stranden afreisde; het ultieme cadeau werd aan elkaar gegeven na maanden binnen zitten. Los van de vraag of het juist was, hoor ik meer mensen om me heen roepen dat het binnen zitten, op het kleine balkon vertoeven zijn frustratie begint te uiten. Men verlangt naar de beloning voor al die opoffering. Men wordt zelfs recalcitrant of kwaad en eigent het zich toe.

We zaten gisteren onder een parasol, hadden speciaalbier rondjes (ik niet, ik zat aan een witte wijn) er waren hapjes met prikvorkje want ja, de hygiëne, maar het even samenzijn was een cadeau. Ik hoefde niet naar het strand, niet naar het bos, ik had mijn achtertuin. Gelukkig was er een achtertuin. Een cadeau, een geluk.

We zijn net kleine kinderen die een beloning willen voor goed gedrag. We willen best meedoen en helpen maar er moet wel een eindstation zijn en we willen beloond worden voor ons goede gedrag. We zetten ons beste beentje voor, snappen waarom we het moeten doen maar er komt ergens een grens, een rode lijn, waar we tegenaan gaan duwen. Grenzen zijn er ook om bevraagd te worden en soms zelfs omver geduwd en de ene persoon heeft een langere adem dan de ander. Verlangen naar het cadeau, de beloning is soms al in zicht en we willen het grijpen. Toe eigenen. Soms ook ondanks de ander.

In het verlangen naar weer normaal, of anders dan we nu moeten, zitten ook de kleine mooie dingen. Het idee dat die afhaalkoffie of het afhaalmenu lekkerder smaakt dan anders, de fietstocht ineens veel plezieriger is omdat er gewoonweg minder mensen op het fietspad te vinden zijn en er rust is op de weg, is een goed gevoel. Dat er, nu er meer versoepelingen zijn, meer drukte komt in de steden, men zich meer en meer verplaatst, soms helemaal geen anderhalve meter afstand houdt en bij elkaar komt is een risico.

Gisterenmiddag was er in ieder geval een moment dat alles even op zijn plek was. Goed gezelschap, fijne gesprekken, zonnewarmte en het gevoel van vrijheid. Je moet soms lang wachten op een beloning, maar dan heb je ook wat.

Wil je mijn blog steunen met een bijdrage? Doneren mag hier.

Wil je mijn blogstukjes in je mail ontvangen? Abonneer je dan hier.

Geduldig zijn.

De tijd tikte voorbij terwijl er aan de grote tafel met alle mogelijke papiersoorten in allerlei kleuren geknutseld werd. Er was maar een schaar.
‘Dan moet je heel even wachten. Geduld is een schone zaak, zeggen ze weleens.’ mompelde ik meer tegen mezelf dan tegen de ander terwijl ik een papier knipte.
‘Weet je wat geduldig zijn is?’
Hij knikte. Dat wist hij wel.
‘Dat is zó.’ zei hij en ging stilzitten op zijn stoel met zijn ogen dicht en zuchtte.
Ja, ik begreep wat hij bedoelde. Het was eigenlijk even tijd nemen om rustig te worden, ook al had je even ervoor misschien haast. Ik knikte.
‘Misschien kunnen mensen dit proberen, wat jij doet, als ze in de rij staan ergens en mopperen als de rij niet opschiet. Of als ze ergens anders moeten wachten.’
Hij was het ermee eens.
‘Het is wel moeilijk.’ zei hij toen. Oh ja, vertel mij wat, dacht ik. Ik kon ook ongeduldig zijn. Zeker als mensen niet heel praktisch waren en ik dus moest wachten terwijl ik zeker wist dat het sneller zou gaan bij een andere aanpak. Of als een gesprek heel veel over details ging terwijl het ook to the point kon. Ja, ik was regelmatig ongeduldig.
‘Hoe lang doe je dat eigenlijk?’ Ik deed voor wat hij deed; ogen dicht en rustig zitten.
‘Dat is elke keer anders.’ zei hij.
‘Oké..’ Ik dacht erover na.
‘Want de ene keer vind je het wachten niet erg, en de andere keer wel.’
‘Waar ligt dat aan?’ vroeg ik hem.
Het werd even stil. Er moest een vierkant geknipt worden, dat had zijn concentratie nodig en dus moest ik wachten.
Hij schudde zijn schouders.
‘De ene keer ben je blijer dan de andere keer.’

Wil je mijn blog steunen met een bijdrage? Doneren mag hier.

Wil je mijn blogstukjes in je mail ontvangen? Abonneer je dan hier.

Eeuwige zucht naar zee.

Op een laag van witte schuim, – het lijkt zo zacht
ben jij op een late avond weggedreven
als een veertje in een pak weggegeven
in een onstuimige, koude nacht

Misschien is je lichaam zoals je pak omhuld
Familie en vrienden laten de herinneringen verwarmen
En iedereen wil je omarmen, – maar
jij bent de eeuwige zucht naar zee.

Voor de Watermannen van Scheveningen.