DE SCHULDIGE WAS,

de nachtblindheid. Door een donker hofje, krakende bladeren en zwiepende takken van zwarte bomen, liep ik achter en opzij en voor het duister. Waarom er zo weinig lampen schenen in dat hofje van jonge gezinnen, met stationwagens en tuintjes, was me niet duidelijk.

Ik liep richting het station, waar de geur me leek te roepen dat ik nu echt honger kreeg; de snackbar naast het station geurde zulke lekkere dingen mijn neusgaten in.

Ik liep over grote stenen en kwakjes van bijeengeveegde bladeren die al meerdere malen natgeregend waren en nu viezer en dorder werden van de modder en verlepping.
Er lag iets dichtbij een struik. Het was harig en leek ineengedoken. Er ging een rilling langs mijn rug. Een beest?

Toen ik dichterbij kwam, eens goed keek, half voorover gebogen en met toegeknepen ogen, leek het beest dood. Het bewoog niet. Het lag er maar.
Ik hurkte, bekeek het nog beter en nog meer dichterbij.

Het was een bontje. Een lang kraagbontje van een capuchon. Zo’n afhaalbare nepbontje dat in elkaar gedraaid lag. In de kou. Vergeten. Weggegooid?

Een bontje.

Ik stond meteen weer rechtop en liep met ferme passen naar de trein. Flauwekul zeg!

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Door de site te te blijven gebruiken, ga je akkoord met het gebruik van cookies. meer informatie

De cookie-instellingen op deze website zijn ingesteld op 'toestaan cookies "om u de beste surfervaring mogelijk. Als u doorgaat met deze website te gebruiken zonder het wijzigen van uw cookie-instellingen of u klikt op "Accepteren" hieronder dan bent u akkoord met deze instellingen.

Sluiten