Skip to content →

En we zwoeren dat we zwegen over die ene nacht.

We hadden het te druk met de pias uithangen. Te druk met elkaar provoceren, te tarten. We waren te gevoelloos voor gevaar. We hadden teveel gedronken en geblowd. We hadden te vaak in elkaars gezelschap vertoefd en waren steeds minder thuis geweest. We wilden te veel lol maken en te weinig volwassen zijn. We stopten onze volwassenheid in een koffer en sodemieterden het weg in een kast met de deur op slot. We struikelden over de lege flessen, de lege kratten en de borden die al dagen op de grond lagen. Broodkruimels en uitgedrukte peuken prikten onder onze niet gewassen sokken. We trokken onze broeken nog eens op en vergaten onze ritsen dicht te doen. We waren ongelofelijk idioot bezig en we gaven er geen donder om. We vlakten de waarheid uit en we stopten onze oren dicht met onze handen als we teveel gewetensbezwaren hadden. We wisten alles uit wat bewijs was, keken elkaar zwijgend aan en we zwoeren dat we zwegen over die ene nacht.

In het donker liepen we in langzaam tempo over de gracht toen een van ons riep dat ie moest pissen. Er werd getrokken aan zijn broek en er werd een beetje heen en weer geduwd. Iemand struikelde nog en hield zich vast aan de gladde reling en riep iets van ʻholaʼ en veerde weer terug. We grinnikten als kleuters en sjokten door maar Bas riep met dubbele tong dat hij moest pissen ʻen niet zo weinig ook!ʼ
Bas wankelde terwijl hij zijn broek probeerde te openen. Hij sjorde aan zijn knoop. We schonken er al geen aandacht meer aan. In plaats van te letten op Bas zag Thomas-Jan een kleine rode Canta staan. ʻDie gaan we gewoon erin duwen!ʼ riep hij en iedereen bulderde en lalde en sjokte naar de rode Canta.

ʻHelp dan eens een handje, vriend!ʼ lalde Thomas-Jan naar de rest.

Met zʼn vieren sjorden we aan de Canta, duwden het ding van zijn plek en schoven het zo de gracht in. Met veel kabaal werd er gejuicht. ‘Dit is nog een rode Canta maar de week ervoor sodeflikkerden we die teringhoer het buitenzwembad in van de buren!’ hikte Bas. We bralden. Alles was zo godvergeten grappig.
Er ging een lamp aan ergens in een bovenwoning maar in de straat was het verder stil.

Waarom de Canta meer prioriteit had dan de valpartij van Bas was iedereen ontgaan. Het was een ongeluk. Hij probeerde nog met zijn handen de gladde stenen te grijpen maar hij zakte steeds weer terug het koude water in. En wij stonden en keken ernaar. Het was een slow-motion film of een slechte film want Bas gorgelde water en dook kopje onder en kwam niet meer boven.

We waren begin twintig en we liepen in stilte naar huis. We zwegen tegen familie en vrienden en zochten mee de volgende dag. Na een week dreef onze studiegenoot in een ander gedeelte van de gracht als een opgeblazen kikker in donker maatpak en rode sokken ons voorbij en was onze straf dat we zijn lichaam voor altijd en eeuwig op ons netvlies gebrand zagen.

[fictie.]

Published in blog

2 Comments

  1. Fictie voor jou, niet voor de brallers en brakers onder de studenten. Knap geschreven.

  2. @Liesbeth: dank je. Speel nog met het idee dit verder uit te werken. Maar dat kan altijd nog. ;-)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

%d bloggers liken dit: