Hij was boos.

Met plakband was hij in de weer. Hij haalde een paar keer wat van de plakbandhouder af en plakte het ergens op. Daarvoor had hij een speelgoedhelikopter een paar keer op de grond gegooid. Hij was boos. Ik vroeg aan zijn broer of de helikopter van hem was. Hij schudde zijn hoofd.
Als je speelgoed moedwillig kapot maakt word ik normaliter boos. Deze keer niet.

‘Wat ben je aan het doen?’ vroeg ik.
‘Ik maak een propeller.’
‘Is ie stuk dan?’
Het werd stil.
‘Is de propeller kapot?’
‘Ja.’
Het ding was door het gooi- en smijtwerk afgebroken. Met veel plakband werd de propeller weer provisorisch aan de helikopter vastgemaakt. Hij leunde echter als een treurwilg naar beneden.
‘Jammer hè, dat hij nu kapot is?’ zei ik.
‘Als je je speelgoed heel houdt en er niet mee gooit, zeker niet als je boos bent, dan kun je er verder mee spelen.’
Zijn gezicht betrok. Ik hoefde er verder niets aan te doen.

Wil je mijn blogstukjes in je mail ontvangen? Abonneer je dan hier.

Geef een reactie