Bang.

De tandarts zette een verdoving. Meestal heb ik er meerdere nodig maar ze wilde zien of de kies te redden viel en als mijn kies dan pijn ging doen tijdens de behandeling was de zenuw nog intact. Dat zou dan een goed teken zijn, anders moest er weer een wortelkanaalbehandeling aan te pas komen. Mijn wang aan de bovenkant begon naar mijn gevoel dik te worden maar dat leek maar zo. Lang geleden zei een andere tandarts dat ik best zonder verdoving die ene kies kon laten behandelen want de zenuwen waren toch dood. Tijdens de behandeling raakte hij toch een werkende zenuw en schoot ik voor mijn gevoel door het plafond. Nooit eerder had ik een tandarts uitgekafferd en het was de laatste keer dat ik die tandarts zag. Daarna, maar ook al eerder, ging ik schoorvoetend naar de behandelkamer, lag ik nachten wakker en was ik bang. Bang voor de pijn.

Onderweg er naartoe dacht ik aan de ontberingen die mijn oudoom Kees had meegemaakt. Veel was bekend naar aanleiding van verhalen van mensen die het concentratiekamp hadden overleefd. Ik zou willen dat ik een arm om hem heen kon slaan. In gedachten deed ik het ook en ik doe dat wel vaker. En neefje, Q. Ook hij had ontberingen. Niet dat hij het ten volle inzag maar als dierbare die toekijkt was het ook vaak zien dat er wel ontberingen waren maar dat hij zich er stoer doorheen sleept.

Eenmaal in de tandartsstoel en de geruststellende woorden van de tandarts gaf ik me over aan de behandeling. Als Q het kon, kon ik het ook. Als Kees het kon, kon ik het ook. Maar misschien moest ik zo niet denken en misschien hielp het me wel.

Beantwoord