Het kan nooit zo erg zijn.

Tom is misschien opgegroeid in een gezin wat de uiterlijke kenmerken heeft van een familie met gezamenlijke BBQ’s, voetbalwedstrijden kijken en eventueel een wintersportvakantie maar Tom distantieert zich uiteindelijk van zijn vriendin Ester die zelf ook niet weet hoe ze dichterbij hem kan komen. Zij heeft immers nooit geleerd om de nabijheid op te zoeken omdat haar ouders geen gereedschap hadden om een warme band te ontwikkelen.

Misschien was er in Tom zijn familie helemaal geen gesprek mogelijk, werd gevoel compleet weggewuifd en met koetjes en kalfjes bedekt en werd Tom een botte hork in plaats van de warme man die hij had moeten worden. Misschien kom je er niet achter waarom Tom een botte hork is geworden maar kun je erover nadenken. Heel in het begin van hun relatie, toen ze nog jong waren en dolverliefd, voelde Ester die warmte wel maar omdat hun levens niet op hetzelfde pad bleven maar uit elkaar liepen was de warmte overgegaan naar egocentriciteit. Misschien was die egocentriciteit verstopt en kwam het op een bepaald moment naar boven. Wie zal het zeggen?

De persoon Tom in mijn boek Draagtijd is geen leuke man. Dat moest hij ook niet zijn. Hij moet je als lezer ongemakkelijk laten voelen. Waarom is hij zo? Het kan toch niet zo erg zijn met die man? Zoals het in sommige families zichtbaar is en er patronen onbewust worden doorgegeven was dit voor mij als verhalenmaker een bewuste keuze.

In gesprekken met anderen kwam ik erachter dat een ongemakkelijke personage soms niet mag bestaan. Alsof de schrijver in zijn verhaal ruimte moet maken voor toedekken, mooier maken, in plaats van de realiteit beschrijven. Misschien is het voor jou als lezer ongelofelijk dat mensen zoals Tom bestaan maar ze bestaan. Echt.
Zoals er ook mensen bestaan zoals Ester, en haar moeder die ‘bijna monumentaal in haar karakter’ werd genoemd door een vriend en lezer. Ze bestaan. Mensen met ongemakken. Mensen met een tik, een rafelrand of verleden. En iedereen gaat anders om met wat ze lezen.

Wil je mijn blogstukjes in je mail ontvangen? Abonneer je dan hier.

Alles leek surrealistisch.

Er stond een man in de hal van het Kunstmuseum. Hij draaide een shaggie. Alles was dicht. De tafels en stoelen voor terrasweer waren opgestapeld en met een lint aan elkaar geknoopt. Binnen was het donker. Ik keek via het donkere glas naar binnen en zag hem opeens staan. Zijn witte geruite overhemd viel op in het verder donkere geheel. Ik zwaaide naar hem. Hij knikte eerst met zijn hoofd en besloot toen ook te zwaaien. Een wapperende hand. Hij leek zich ermee ongemakkelijk te voelen. Misschien dacht hij dat hij alleen was. Zoals de laatste weken.

De vijver bij het museum lag er ook maar stil bij. Alles was verlaten en stil en niemand zat op de houten bankjes. Ik fotografeerde ramen en stenen en dat houten bankje, waarbij ik moest denken aan een scène die Alex van Warmerdam zou kunnen opnemen voor een nieuwe film want alles leek surrealistisch. Verstild.

Spiritus.

Spiritus ruikt lekker. Ik gooi een kuipje gevuld met spiritus in een emmer en laat er een klein druppeltje afwasmiddel bij. Het water stroomt in de emmer, klotst. In het Latijn betekent spiritus ademtocht.
Ik haal het zand van de ramen.

Het sponsje wordt vies en donker. Ik sop het in het water. Het klotst weer tegen de rand. Buiten is er niemand. De zon schijnt en er fietst een postbode voorbij die even knikt en ik knik terug. Terwijl ik het sponsje over het raam haal, de wisser heen en weer, bemerk ik strepen. Ik zucht. Ik herhaal mijn handeling met de zon op mijn rug. In de hoek zit nog een streep. Ik haal diep adem. Ik vind strepen irritant. Ze horen er, na het schoonmaken, niet meer te zitten. Toch verschijnen er strepen. Op plekken middenin het raam in plaats van in een hoekje.

Normaal gesproken zitten er op zo’n zaterdag als deze, laat op de ochtend, aan de voorkant mensen koffie te drinken in de deuropening. De zon draait pas na drieën achter de huizen naar de achtertuinen dus de eerste stralen vangt men aan de voorkant. Kinderen spelen op zaterdagen als deze buiten; op de stoep, op het grasveldje aan de overkant. Ze fietsen heen en weer of tekenen op de stoep. Maar niemand is buiten.

Later op de dag zitten er een paar buren aan de voorkant. Ik heb net een wandeling gemaakt, mijn spieren zijn stijf van het zitten de hele week. Normaal gesproken loop ik elke dag hele stukken. Als ik moet werken, van stations naar scholen en van scholen naar stations en dan ook nog wandelend op mooie dagen want met kinderen ga je naar buiten als het mooi weer is. Als ik geïnstalleerd ben en op mijn stoeltje zit bij de deuropening met een boek, de bladzijdes omsla en ik de zon op mijn armen voel is het heel even weg. Het virus. Zelfs de strepen op het raam lijken verdwenen.

Wil je mijn blogstukjes in je mail ontvangen? Abonneer je dan hier.

Levenslucht.

De verpleegster staat naast het bed. Ik hoor geluiden, piepjes en zuchtjes die ik liever niet wil horen maar ze zijn er, in een ritmische herhaling. De patiënt is in slaap gebracht en ligt nu op zijn buik om beter te kunnen ademhalen. Zijn ene hand ligt net boven het laken. Plukjes grijs haar ook.

De verpleegster checkt het een en ander zoals verplegend personeel dat doet. Er staan monitoren, er lopen slangen van en naar machines en zij is helemaal ingepakt. Schort, handschoenen, mondkap, bril, muts. Als de patiënt wakker zou worden zou hij zelfs haar ogen niet herkennen.

Ze loopt om het bed heen en checkt. Dan loopt ze terug langs de andere kant van het bed en op rughoogte schuift ze heel even een stukje wit laken recht. Haar hand in een handschoen strijkt een aantal keren over het laken, recht het en aait er even zacht overheen. Ik hield het tot dat moment in de documentaire Levenslucht nog droog. Kijk de documentaire hier terug.

Wil je mijn blogstukjes in je mail ontvangen? Abonneer je dan hier.

Aan de andere kant.

Hoe doe je dat, gastouder zijn op afstand? Het is niet te doen. Ik zit aan de ene kant van Den Haag en de kinderen zijn aan de andere kant van Den Haag. Ik zit al bijna drie weken thuis, zie geen kinderen en kan mijn werkzaamheden daar niet uitvoeren. Gastouders worden via een mail ook al gewaarschuwd; er zijn handhavers op pad in Amsterdam om te controleren of er gastouders aan het werk zijn bij huishoudens van niet vitale beroepen. Maar daarover maak ik me geen zorgen want ik weet waar ik ben: thuis.

Hoe zou ik in contact kunnen blijven met het vraagouderadres en toch iets kunnen betekenen? Er wordt veel digitaal opgelost, dus waarom zou ik niet iets kunnen doen met videobellen? Afgelopen dinsdag zag ik de snoetjes weer. We raakten weer in gesprek over school, thuis zijn, in de tuin spelen en werkjes maken voor school. Door bijna elke dag te bellen en even te kletsen met elkaar zijn ze toch hun Nederlandse taal niet aan het verwaarlozen. Het is niet zoals normaal maar in tijden van crisis doen we het ermee. Het is beter dan niets.

Wil je mijn blogstukjes in je mail ontvangen? Abonneer je dan hier.

Door de site te te blijven gebruiken, ga je akkoord met het gebruik van cookies. meer informatie

De cookie-instellingen op deze website zijn ingesteld op 'toestaan cookies "om u de beste surfervaring mogelijk. Als u doorgaat met deze website te gebruiken zonder het wijzigen van uw cookie-instellingen of u klikt op "Accepteren" hieronder dan bent u akkoord met deze instellingen.

Sluiten