De regie.

Als mensen in hun laatste levensfase zitten en ze weten het, dan rest er niets dan je klaarmaken voor de finish. Het geeft een dubbel gevoel om te praten over praktische zaken als welke kleding wil je aan, wat moet bewaard blijven en wat mag weg. Welke muziek wil je laten horen. Alsof iedereen plaatsneemt op een feestje en je er tussenuit bent gepiept. Je maakt het zelf niet meer mee. Toch is het ook rustgevend om precies uit te voeren wat de wensen zijn. Spijt heb ik niet van de manier waarop we de uitvaart geregeld hebben voor mijn moeder. Alles was in goede samenspraak, met veel liefde, zorg besloten en uitgevoerd. Maar we wisten veel niet. We besloten iets vanuit een idee dat het waarschijnlijk goedgekeurd zou worden. Toch bedenk ik me ineens dat mijn moeder ook dit allemaal weg zou wuiven. Flauwekul, poppenkast. Ze had het prima gevonden.

Mijn schoonmoeder doet het allemaal anders. Ze kiest en regelt zelf. Geen enkel onderwerp is niet bespreekbaar. Alles open en bloot, alles helder en nuchter. Ze neemt zelf de regie. Heel ziek zijn doet iets bijzonders met mensen. De ene geeft niet op, tegen beter weten in en tegen de klippen op. De ander berust in het lot en geeft erin toe. Voor iedereen is het anders en we weten zelf ook niet waartoe we in staat zijn.

Tussenfase.

Er is nog niets opgeruimd en weggebracht. Mama’s handdoeken en nachthemden liggen nog in de kast. De schoenen en pantoffels staan nog naast elkaar onder de stoel in de slaapkamer. Het zijn spullen maar ze zijn meer dan dat. Ooit zag ik een documentaire van iemand die te midden van zijn eigen veroorzaakte rommel uitlegde waarom hij deze spullen niet wilde wegdoen. Hij zou zichzelf weggooien, zei hij. Toen pas begreep ik een beetje waarom sommige mensen zich hechten aan voorwerpen terwijl ik juist spullen vrij snel van de hand doe. En dan is er nog een verschil tussen wat gezien wordt als rommel en wat waardevolle voorwerpen zijn. Maar ja, deze meneer vond zelfs een plastic boterhamzakje met lekkende batterijen waardevol.

Toen ik vorige maand weer even in mama’s huis was keek ik naar de kapstok. Daar hing haar nylon blauwe jasje te wachten om aangedaan te worden. Hij hing er alsof ze elk moment naar de gang kon lopen om haar jas te pakken om weg te gaan. Gisterenavond keek ik achteloos een programma op televisie toen ik opeens het beeld zag van mijn moeder met haar spijkerbroek aan en dezelfde blauwe jas. Ze stond bij de deuropening en leek half gedraaid. Ze zwaaide met haar fietssleutel in haar hand en lachte. Zoals ze altijd deed als ze wegging.

In deze tussenfase zijn alle spullen van mijn moeder er nog. Ze wachten om verdeeld te worden en weggedaan. Wie zijn wij om te beslissen wat er bewaard wordt en wat niet? Ik hoop maar dat we er goed aan doen. En terwijl de spullen er nog zijn voelt het ook als een Niemandsland. Het grijze gebied waar ze is waar haar spullen bewaard worden en waar ze nog een beetje onderdeel van uitmaakt, waar ze op de een of andere manier nog een stem heeft. In de sieraden want die droeg ze. In haar duster want die had ze ‘s morgens aan als ze het koud had. In de blauwe jas die ze aandeed als ze naar buiten ging.

Als ik opruim, bepaal ik zelf welk stukje van mij wordt weggedaan. Voor mij is het niet belangrijk meer. Ik doe afstand van de herinnering. Ik raak ervan onthecht. Mijn moeder had geen tijd om ons uit te leggen wat er bewaard moest blijven en wat niet. Daar gaf ze zichzelf ook geen ruimte voor want haar focus was leven. Als je leeft blijven je spullen precies op de plek waar ze altijd waren.

Het hoeft nu nog niet opgeruimd en weggedaan. Maar ooit, als het moet, zal ik met de groots mogelijke zorg behouden wat belangrijk voor haar is.

Vergeet je niet te leven?

Vergeet je niet te leven, dacht ik laatst.’ Het is het begin van een gedicht van Kees Hermis. Het leven gaat ook zonder mama door. Dat is ergens prettig, de dagen vullen zich met allerlei werkzaamheden maar het is tegelijkertijd een vreemd vacuüm. Missen is een werkwoord. Missen is iets vreemds, ongrijpbaars. Het is een gevoel van weemoed en heimwee. Het is een verlangen. Het is verwerken, zegt een vriendin. ‘Het is rouw.’ zegt een andere vriendin. Volgens Manu Keirse, klinisch psycholoog en rouwspecialist, is het verlies overleven. Verwerken zou betekenen dat er een eind aan komt. Ermee leren leven is iets anders. De heimwee komt vast en zeker terug, op onverwachte momenten. Soms denk je er even niet meer aan, totdat je het ineens wel doet.

Frans.

Voor de stoomboot van Sinterklaas nam ik watten mee. ‘Cotton?’ vroegen mijn gastkinderen. Later was ik op zoek naar een stift. ‘Waar is je etui?’ Ze keken me wazig aan. In Frankrijk is etui heel iets anders. Net als maillot. Een maillot is een broekje, een zwembroek wordt ook al maillot genoemd. Toen de Fransen in Nederland vertoefden werd er flink Frans gesproken en mijn oma heeft zelfs op de lagere school Frans gesproken als tweede taal maar de verbasterde woorden zijn nu niet heel erg bruikbaar. De eerste keer dat ik in een brief bij mijn gastgezin iets las over een maîtresse werd er gewoon een juf bedoeld. Een etui is een zakje zonder rits. Een klein zakje, een grote zak is een sac. Een pennenzak is een plumier. Weer had ik iets nieuws geleerd. We stopten de watten in de beplakte keukenrol. ‘Et voilà!’

Tot rust.

Als de doe-stand, die ervoor zorgt dat alles op rolletjes loopt geen functie meer heeft, kom je tot rust. In de afgelopen maanden, jaren met tussenpozen, snakte ik vaak naar die rust. In de rust zou ik kunnen liggen, hangen en nietsdoen en de dag zou kabbelend aan me voorbij gaan. Ik zou leukere dingen doen zoals een boek lezen, met mijn hoofd in de wolken zijn of met vakantie gaan. In de doe-stand is er geen plek voor rust. Je moet op stel en sprong vooruit, schakelen, moeilijke gesprekken voeren en nadenken over zaken die je liever voor je uitschuift of uitbant. Dan klopt het onvermijdelijke voorzichtig en erna hard op de deur.

Tijdens de periode dat mijn moeder ziek was kwamen er onverwachte telefoontjes, schoot ik in mijn kleren en reisde ik uren heen en weer. Ik bezocht mijn moeder zo vaak ik kon maar moest ook werken. Ik kreeg meerdere malen per dag een telefoontje, ook als ik aan het werk was en moest daar een weg in vinden. De doe-stand was daardoor soms ook een spagaat. De doe-stand zorgde er bovenal voor dat ik kon doorgaan. Mijn motor was meedenken, troosten, sussen, overleggen, doen en snel handelen. Ik ben heel goed in doen en snel handelen. Dat is ook mijn werk.

En toen kwam die rust. De rust waar ik zo naar snakte, waar ik zo van hoopte dat het me wat balans zou brengen. Ik moet wennen aan die rust en zoek naar balans. Die rust lijkt opeens leegte. Afgelopen week stond ik ‘s avonds even naar buiten te turen en dacht: Hoe zou het met mama gaan in het ziekenhuis? En erna: Oh nee, ze is niet meer in het ziekenhuis. …