Skip to content →

Auteur: karin

Ik ben zelfstandig. Ik ben veel tegelijk. Ik hoef niet in een hokje. Ik ben gastouder, geef trainingen over bloggen, maar ben vooral auteur en schrijf nu een roman.

De mevrouw waar ik elke week heen moet om te praten.

1995.

Joyce kwam met een vrij timide wandel via de achterdeur naar binnen. Ze legde een groot vel papier op tafel, vroeg om sap en een koekje en wilde daarna weer naar buiten.
Mijn blik viel op de tafel. Dat grote vel papier. Het lag niet helemaal gevouwen, maar half open, in een soort van boog. Ik zag lijnen. Gekleurde lijnen. Als in een tekening. Maar gros van het vel bleef wit.

Joyce nam een vriendinnetje mee naar binnen. Ze keken televisie terwijl ik de houten vloer dweilde. Met een zwier wreef ik de mop langs de tafel, onder de tafel.
Mijn oog bleef met een magnetiserende blik teruggaan naar de tekening. Er waren pijlen gemaakt, zag ik. Pijlen en namen. Ik zag, toen ik per ongeluk tegen de tafel stootte en het vel papier verder open schoof, ook mijn naam staan.

Vriendinnetje ging, toen het donker werd, naar huis. Mama zou zo thuiskomen, en papa werkte laat. Broertje Robert werd door de moeder van een vriendje thuisgebracht. De auto toeterde licht toen ik voor het raam stond en zwaaide. Robert kwam met een oorverdovend lawaai aan enthousiasme binnen en liet me een speelgoedauto zien.

‘Dat mag ik hebben van Thijmen!’ sprong hij bijna een gat in de lucht van blijdschap. Ik glimlachte en begon de aardappels te schillen. Ik zou het eten voorbereiden totdat hun mama thuiskwam.

Joyce was aan tafel gaan zitten en bekeek de tekening. Het lag nu helemaal open.

‘Wat heb je getekend?’ vroeg ik.

Joyce keek op en haalde haar schouders op.

‘Dat moest van Elly.’

‘Wie is Elly?’

‘De mevrouw waar ik elke week heen moet om te praten.’

Aha. Ik begreep het. Ik wist dat Joyce extra hulp nodig had.

‘En om te tekenen.’ vulde ik aan.

Ze knikte.

‘Ik moest mijn familie tekenen, niet als mensen maar als dieren.’

Ik zag een aantal dieren op het vel papier. Op een kinderlijke manier getekend; met grove lijnen. Ik zag een beer, een kat, en een hert. De beer was papa, de kat was mama. Bij het hert stond mijn naam.

‘Ben ik een hert?’ vroeg ik verbaasd. (Ben ik familie? …)

Joyce knikte.

Wil je mijn blogstukjes in je mail ontvangen? Abonneer je dan hier.

Leave a Comment

Ik stond afgelopen week met een schoen in een plens sneeuwwater mijn evenwicht te bewaren.

Men kijkt me raar aan als ik mopper over sneeuw. ‘Dat is toch mooi?’ Ja, het is erg mooi. Als je binnen zit met een kop koffie op de bank en weet dat je niet meer naar buiten hoeft om boodschappen te halen of naar een afspraak moet. Dan is sneeuw vreselijk mooi. Idyllisch. Wonderlijk. Prachtig.

Ongeveer twintig jaar geleden woonde ik al een aantal jaren in mijn kleine appartementje en schoof op een ochtend, op mijn verjaardag, de gordijnen opzij en keek naar een witte wereld. Verrek, dacht ik. ‘Wat een bofkont ben je, dat je op je verjaardag sneeuw hebt!’ Alsof het een uit de lucht gevallen cadeau was. En dan moest ik er ook nog mee boffen. Ik moest taart halen, dat zag ik met die sneeuw helemaal niet zitten.

Afgelopen zondag belde mijn familie. Ze wensten me een fijne verjaardag maar helaas, ze zagen het niet zitten om met de auto naar het Haagse te komen. Te glad. Begrijpelijk. ‘We komen over twee weken, goed?’ Die sneeuw (waar ik zo om zou moeten boffen) veroorzaakte een nogal stille verjaardag. Gelukkig schuifelden de buren s’ middags mijn kant op om gezellig taart te eten en later te borrelen.

Ik wenste dat de sneeuw ging smelten. Maar als sneeuw smelt geeft het vreselijke sneeuwdrap. Ik had een ferme discussie later deze week over dit woord. Het kind van zeven wist te melden dat sneeuwdrap niet bestond en het dus niet moest noemen. ‘Ik noem het gewoon sneeuwdrap.’ mopperde ik. Het veroorzaakte natte sokken die ik twee keer op een dag moest verwisselen. Mijn oude schoenen werden uit de kast getrokken want dat was minder zonde.

Volgend jaar vier ik mijn verjaardag in de zomer. Besloot ik. Nou ja, ik besloot het al eerder. Alle winterkinderen willen denk ik hun verjaardag vieren in de zomer. In de achtertuin met lampjes en lounge muziek en cocktails en mensen in t-shirts en de zon op hun gezicht. Dat is altijd beter dan een sneeuwbal in je nek of een natte schoen in een plens sneeuwwater omdat je je evenwicht verliest. Ik stond afgelopen week meerdere malen met een schoen in een plens sneeuwwater mijn evenwicht te bewaren. Ik ben geen wintermens.

Wil je mijn blogstukjes in je mail ontvangen? Abonneer je dan hier.

Leave a Comment

Hi Tim.

Moeder en zoon komen de tram in maar het is druk. Ze staan in het tussenstuk.

‘Hou je goed vast, Tim, straks gaat ie rijden en dan val je.’

Tim houdt zich niet vast dus moeder pakt zijn capuchon vast.

‘Laat me los!’
‘Nee, Tim, straks val je tegen die meneer aan en dat gaat ie niet leuk vinden.’

De meneer kijkt hem even gespeeld streng aan en kijkt dan weer naar buiten.

‘Ben jij de conducteur?’ vraagt Tim aan de man. Terwijl de man zijn hoofd schudt vult moeder aan:

‘De conducteur zit toch helemaal vooraan, Tim.’

Tim vergeet zich vast te houden en valt tegen een mevrouw aan.

‘Zie je nou wel, Tim! Je valt tegen die mevrouw! Nu even vasthouden.’ roept zijn moeder gepikeerd.

De jongen draait zich om en kijkt de onbekende vrouw aan.

‘Hi.’ zegt hij.

‘Hi, Tim.’ zegt de onbekende vrouw terug.

Even is het stil. Tim kijkt de vrouw verbaasd aan. Zijn ogen worden groot en zijn mond zakt open.

‘Ken jij mij?’

Wil je mijn blogstukjes in je mail ontvangen? Abonneer je dan hier.

Leave a Comment

Door de site te te blijven gebruiken, ga je akkoord met het gebruik van cookies. meer informatie

De cookie-instellingen op deze website zijn ingesteld op 'toestaan cookies "om u de beste surfervaring mogelijk. Als u doorgaat met deze website te gebruiken zonder het wijzigen van uw cookie-instellingen of u klikt op "Accepteren" hieronder dan bent u akkoord met deze instellingen.

Sluiten