Geplaatst op Geef een reactie

De wachtkamer.

De vorige keer dat ik de wachtkamer betrad liep er net een jongen de behandelkamer uit met zijn moeder. Ze hield een rugzak vast, bebloed. Hij zag lijkwit en moest gaan zitten in een van de wachtkamerstoelen. ‘Ben je duizelig?’ vroeg zijn moeder. Hij kon alleen maar zitten en zwijgen.
Toen ik afgelopen week weer in de wachtkamer plaatsnam bij de tandarts en eerst mijn natte jas ophing aan de kapstok kwam er een vrouw naar binnen. Ze keek aarzelend om zich heen. ‘Moet ik me ergens melden? Ik ben hier niet bekend, ik moet nu naar een vervangende tandarts.’
Ik vertelde haar dat ze kon wachten en werd gehaald. Ze sloeg haar natte paraplu uit en hing haar jas op. De tandarts kwam al snel en ze liepen door de gang heen.
Terwijl ik naar mijn schoenen keek, de muur en mijn handen ving ik een gesprek op. De deur van de kamer was blijkbaar niet dicht.
‘Bent u verder gezond?’ vroeg de tandarts. ‘Ik voel me gezond ja, maar ik ben het niet.’ Een kort lachje.
‘Waarom bent u niet gezond?’
‘Ik heb uitgezaaide borstkanker. Ik ben uitbehandeld.’ Het werd stil.
Ik keek naar de muur. Naar de putjes die erin zaten van schilderijen die verkeerd opgehangen waren en misschien ineens naar beneden gevallen waren. Ik keek naar de lege bank, een Chestwick.
‘Ik ben blij dat ik nu terecht kan want volgende week ga ik nog even met vakantie.’
‘Geniet ervan hoor. Echt. Geniet.’
De miezer druppelde langzaam zigzaggend op het raam naar beneden. Ik keek naar de vloer. Naar de kapstok waar haar jas en sjaal hing. Haar paraplu stond schuin in de hoek. Regen gleed langzaam van het stof naar de vloer. Een klein plasje bleef achter. Ik kwam voor een kies waarvan de zijkant gebroken was en ik had me die ochtend, toen ik belde, druk gemaakt om de verdoving en gedoe. Mijn moeder zei jaren geleden, toen ze borstkanker had, dat iedereen maar zei dat ze ziek was maar zelf voelde ze zich gezond. De vrouw was snel klaar en liep weer de gang in. Ze glimlachte en zei me gedag toen ze wegging, naar buiten.

Wil je mijn blogstukjes in je mail ontvangen? Abonneer je dan hier.

Geplaatst op 1 Reactie

In z’n blote nakie.

Op een woensdagavond, iets later dan normaal, stond ik nietsvermoedend in de Turkse pizzeria om het ‘gewone recept’ door te geven. De man achter de toonbank schreef het op een schrijfblok. Terwijl hij het opschreef kwam er een nieuwe klant binnen. We keken beiden op.
Buiten kwam een man in een drafje aangerend. Hij liep langs een koffiehuisje schuin richting een straat waar auto’s geparkeerd stonden. Er was niets bijzonders aan, alleen we zagen bij nader inzien dat hij geen kleding droeg. Het miezerde. De druppels kleefden op het raam.
Onthutst keek de Turk me aan. Toen keek hij de nieuwe klant aan. Ik keek de nieuwe klant aan. De klant staarde naar het tafereel buiten en keek weer naar ons. Toen keken we alle drie nog eens naar buiten. Het was stil in de winkel. Ergens in de open keuken siste een frituur.
De blote man liep in een drafje. Zijn buik hing een beetje over zijn heupen en hij had veel haar. Heel veel haar.
‘Hij loopt in z’n blote nakie.’ zei de Turk zacht. We knikten allemaal. We constateerden dat er een naakte man in de miezer voorbij de winkel liep.
‘Daar is het geen weer voor.’ zei de nieuwe klant. Hij was bloedserieus.
Even later liep een politieman in hetzelfde drafje achter de naakte man aan. Ik hoopte dat hij de man kleding zou laten aantrekken.
‘Doe mij een patat met en een bamischijf.’ zei de klant.

Wil je mijn blogstukjes in je mail ontvangen? Abonneer je dan hier.

Geplaatst op Geef een reactie

Als in een glitterbol.

Lieve Q,

Ik had het liefst een vlinder via je oor in je hoofd geblazen, eentje die
een regenboog achter zijn vleugels trekt als een vliegtuig met een boodschap.
De regenboog zou glitters afstralen die zo hard zouden knetteren
dat je hersenen weer zouden werken, misschien dat je handje en been het weer zouden doen.
We hopen dat de hersenhelft die het nog wel doet zonder vlinder blijft vliegen
en de regenboog vanzelf laat kleuren en alle verzamelde glitters
laat knetteren als in een felle glitterbol.
Er zitten namelijk mooie klanken in je hoofd en ondeugende binnenpretjes.

Lees hier alle brieven aan Q.

Wil je mijn blogstukjes in je mail ontvangen? Abonneer je dan hier.

Geplaatst op 1 Reactie

Ze vingen me op.

Bij andermans blog las ik over groepsprocessen en wijze besluiten nemen. Meteen was ik terug in het bos met een groep medestudenten die ik nog niet zo goed kende maar die mij wel moesten opvangen op het moment dat ik me achterwaarts zou laten vallen. Ik droeg een blinddoek waar ik weliswaar door het piepkleine kiertje onderaan kon kijken maar waar ik alleen vaag een beetje licht zag. Ik zag geen voeten maar hoorde het gekraak van takken als men bewoog. En ingehouden gegrinnik, gefluister en zenuwachtig gekuch.
Het was de leraar die me in het midden zette en de anderen opdroeg achter mij te gaan staan. Het was niet eng, zei hij nog, want ik werd zeker en vast opgevangen. De les? Vertrouwen in elkaar hebben. Hoe kon je vertrouwen in elkaar hebben als je elkaar amper kende? En waarom zou je bedenken dat je niet werd opgevangen? Het was het doel van de opdracht. Ja, misschien kon men je langzaam terugvallende lijf niet houden? Je eigen zwaarte zou misschien te onverwacht zijn? Dat bleek mijn angst. Dat niemand er iets aan zou kunnen doen, er geen schuldige was om aan te wijzen. Vette pech dus.
Ik moest mijn armen kruislings voor me houden en bij de tel naar drie kon ik me op mijn hakken achterover laten gaan. Vertrouwen. Groepsproces. Wijze besluiten.
Ze vingen me op. Het was een zucht. Ik voelde mijn hart kloppen in mijn keel. En ik was blij dat ik de tweede in de groep was die ‘ja’ had gezegd alleen maar om er vanaf te zijn. Als ik alleen was geweest had ik niet mee hoeven doen aan een gedwongen groepsproces om elkaars vertrouwen te winnen. Een wijs besluit.

Wil je mijn blogstukjes in je mail ontvangen? Abonneer je dan hier.