Skip to content →

Auteur: karin

Ik ben zelfstandig. Ik ben veel tegelijk. Ik hoef niet in een hokje. Ik ben gastouder, geef trainingen over bloggen, maar ben vooral auteur en schrijf nu een roman.

Treinreizen met jou zijn echt een hel.

Ik glipte net op tijd de treincoupé binnen en plofte neer op de eerste de beste vrije plek. De deuren sloten zich achter twee mensen die ook hijgend de trein gehaald hadden. Ze gingen zuchtend naast elkaar zitten in een vierzit.
Naast mij sliep een man die zijn mobiele telefoon niet meer zo stevig vasthield. Tegenover mij was een mevrouw druk aan het tikken op haar laptop. Ze haalde af en toe stukjes brood uit elkaar en at het op. De kruimels vielen op haar toetsenbord. Het stel dat na mij naar binnen was gegaan leek in eerste instantie een stel zonder issues. Maar dat veranderde plotseling.

In plat Amsterdams wist zij hem te kennen te geven dat hij eens normaal moest doen. Als ik niet zo’n last had gehad van de spanning die er opeens heerste had ik misschien uit nieuwsgierigheid kunnen vragen wat normaal doen precies was. Iedereen had een andere definitie van normaal doen. Ik vond het bijvoorbeeld niet normaal dat zij zo schreeuwde in een volle coupé.

‘Mag ik Godverdomme niet eens wat spullen kopen?’ brieste hij.

Zij foeterde. Hij blafte. Er werd druk gebaard. Iedereen in de coupé deed net of ze het niet hoorde. Ik was me bewust van mijn eigen spanning. Ik had een hekel aan deze spanning. Het zorgde voor angst. In een ruzie kon iets, een woord, een gebaar, een opmerking er ineens voor zorgen dat het explodeerde. Wat was normaal doen? Schreeuwen tegen elkaar? Konden zij niet even wachten totdat ze thuis waren, of buiten op het perron? Moesten wij getuige zijn van hun communicatie armoede?

En toen was het stil. Hè hè, dacht ik. Rust. Ze waren toch tot bezinning gekomen. Ze waren toch volwassen genoeg om te denken aan anderen in deze trein. Ze waren zich er toch van bewust dat deze onenigheid misschien niet ging over wel of niet normaal doen maar over hoe je met elkaar omging. Ze keken beiden een andere kant uit. De een keek uit het raam waar de weilanden voorbij raasden en de ander keek naar zijn handen die hij over zijn broek wreef.
Ik sloot mijn ogen en genoot van deze stilte.

‘Treinreizen met jou zijn echt een hel!’ zei hij toen.

Wil je mijn blogstukjes in je mail ontvangen? Abonneer je dan hier.

One Comment

Het was een machtsverhouding die niet klopte.

Het was een van de eerste keren dat ik uitging. Het was in een dorp ver weg van huis daarom bleef ik bij een vriendin slapen. Het was gezellig, druk, en je moest in elkaars oor schreeuwen wilde je iets van elkaar verstaan. ‘Wil je een drankje van mij?’ Ik schudde mijn hoofd. Hij was me onbekend. Ik had gehoord dat men soms iets in je drankje deed. Mijn vriendin en ik zorgden voor elkaars drankjes. ‘Maar bedankt.’ zei ik nog vriendelijk. Toen ik me omdraaide voelde ik een hand op mijn billen. Er werd eerst gewreven en toen in geknepen. Er stond een half vol biertje op de bar en ik goot de drank over zijn hoofd. Dat had ik natuurlijk niet moeten doen. Kankerhoer. Kutwijf dat ik was. Maar niemand had gezien wat hij deed.

Onderweg naar huis, rond een uur ’s nachts, reed ik het laatste stukje alleen. Het waren maar tien minuten. Ik had een vriendinnetje bij haar huis afgezet. Ik trapte flink door maar bij het spoor moest ik stoppen. Er kwam een trein voorbij. Ik had het niet gemerkt maar er was iemand naast me gaan staan. Hij hield opeens mijn stuur vast. Toen ik besefte wat hij deed rukte ik eraan. Hij hield stevig vast en leek niet los te laten. Ik riep: ‘Laat los!’ Hij liet los. Toen de spoorbomen omhoog gingen reed ik als een gek naar huis.

Hij bedoelde het vast goed. Aardig. Die aaien over mijn bol. ‘Dat is toch niet normaal!’ riep een collega toen ze het gezien had. Toch deed hij dat vaker als ik achter de computer zat. Hij was onze directeur. Streng. Nukkig. Er viel niet echt mee te praten. Dan was het toch aardig als hij dat deed? ‘Nee, hij hoort niet aan je hoofd te aaien.’ zei mijn collega. Hij ging een jaar later met pensioen.

Met Wing Yang was ik bij de kinderboerderij aan het spelen. We aaiden de diertjes. We vonden de bokjes het leukst. Er stond een jongen met zijn fiets naar ons te kijken. Hij glimlachte. Hij leek heel aardig. Toen wij weer naar huis wilden lopen vroeg hij of we even wilden kijken naar iets moois. Hij had het bij zich. ‘Kom.’ wenkte hij. Wing Yang liep meteen mee. Ik stond een beetje te treuzelen. Ik wist niet goed of het nu wel zo’n goed idee was. De jongen stapte van zijn fiets af en begon zijn broek open te maken. ‘Kijk, ik heb een luier bij me en die moeten jullie even bij mij aandoen. Willen jullie mij helpen?’ Wing Yang wilde naar hem toe lopen en ik riep dat we naar huis moesten. We moesten nu echt naar huis!
Ik liep tussen de takken door naar Wing Yang en trok aan haar arm. ‘We moeten naar huis!’ Het voelde niet goed. De jongen was ineens niet meer zo aardig en begon harder te praten. Hij had echt hulp nodig want hij kon de luier echt niet zelf aantrekken. Ik trok aan Wing Yang’s arm en we renden door de struiken het pad op en renden de grote weg over. Er raasden auto’s voorbij en ze toeterden. De jongen was op zijn fiets geklommen en reed achter ons aan. Dit voelde niet langer meer als een spelletje. We renden en renden en toen bonsden we op oma’s deur. De jongen was nergens meer te zien. Wij hijgden na achter de gesloten deur.

Het was een machtsverhouding die niet klopte.

Wil je mijn blogstukjes in je mail ontvangen? Abonneer je dan hier.

4 Comments

Een uithaal van verdriet.

Terwijl de trein wegreed van het perron leunde ik met mijn hoofd tegen de hoofdsteun. Ik was moe. Het was een lange dag geweest. Ik keek links van mij naar het raam waar een prachtige lucht voorbij raasde. Het werd ook al eerder donker, bedacht ik me. Voor me zat een jong stel. In eerste instantie leek er niets aan de hand. Ze zaten dicht bij elkaar. Ze waren in een gesprek verwikkeld. Ik kon het niet horen en hoefde het ook niet te horen. Ik sloot mijn ogen om even in die twintig minuten die ik had een powernap te houden. Maar ik hoorde een uithaal. Een uithaal van verdriet. Een hulpeloos wenen.

‘Maar ik vind niet dat het zo moet! Het is niet eerlijk.’

Gesnotter.

‘Ik begrijp wel dat jij het ook niet wilt, maar…’

Geween.

‘Ik vind het ook heel erg.’

‘We vinden allebei dat het over is, toch?’

Huilen.

Door het spiegelbeeld in mijn rechter raam zag ik schuin voor me twee mensen voorover gebogen. Ze huilden. Zij haalde een hand door haar lange haren die steeds voor haar gezicht lagen. Hij hield twee handen voor zijn gezicht. Ik bemerkte een soort verslagenheid. Het was voorbij.

Plotseling was de trein een afscheid. Twee mensen die gingen splitsen. Je kon op het perron kiezen welke weg je wilde gaan en uitstappen. Ze gingen, als de trein gestopt was, ieder hun eigen weg.

Wil je mijn blogstukjes in je mail ontvangen? Abonneer je dan hier.

Leave a Comment