Ik wens u een fijn leven.

De arts met wilde haardos stond in zijn witte jas tegenover haar en bekeek haar neus. Hoe ze de operatie een maand geleden hadden uitgevoerd weet ik niet maar het was nog niet helemaal genezen in de neusholte. Dat is niet erg, zei hij, dat wordt vanzelf beter. ‘Heeft u spoelwater gebruikt?’ Mijn moeder schudde haar hoofd. ‘Dat kunt u nog doen, dan geneest het sneller.’
‘Hoe gaat het verder met u?’ wilde hij weten. Hij was inmiddels gaan zitten aan zijn bureau en draaide zijn stoel naar haar toe.
‘Nou, het kon beter.’ verzuchtte ze.
‘Ik ben twee keer geopereerd hè?’ zei ze om even hem te laten weten dat het allemaal niet meeviel.
Hij liet haar vertellen. Mijn moeder vertelde over die ene operatie en dat het vrij snel erna best wel goed ging maar dat ze ineens hoorde dat ze weer geopereerd moest worden. Een week later lag ze weer onder het mes. Deze keer met een flinke opening in haar schedel. Ze liet een hand over haar hoofd gaan om te laten zien dat er een flink litteken zat.
Ze dacht thuis nog dat niet alle nietjes eruit gehaald waren twee weken ervoor maar toen ik keek zag ik een paar korstjes en het genas goed.
De arts luisterde geduldig. ‘Ik ben heel moe.’ zei mijn moeder toen. Hij knikte. ‘Ja, daarom wilden we de operatie via de neus doen, omdat we weten dat iemand zo snel weer op de been is erna. U heeft de pech gehad dat u opnieuw geopereerd moest worden. En u kunt maanden nog last houden van deze moeheid.’
Mijn moeder knikte.
‘Maar, ik ga u ontslaan. U hoeft bij mij niet meer terug te komen.’
Mijn moeder wreef over haar ene oog.
‘Ja, ik word er ook emotioneel van.’ grapte hij.
Ze moest lachen. Even was het stil.
‘Ik wens u een fijn leven.’ zei hij toen. Even was ik sprakeloos.
Het waren woorden die je zomaar zou uitspreken als je iemand niet meer ging zien. Maar mijn moeder is ziek. En wat was dat fijne leven precies als je een paar weken ervoor geen fijn nieuws gekregen had?
Ik slikte een plotselinge brok in m’n keel weg. Langzaam stond ik op en hielp mijn moeder uit de stoel. Arm in arm liepen we de lege hal weer in. Het galmde ondertussen in mijn gedachten. Een fijn leven. Ik wens u een fijn leven. Wat als het leven op dit moment van het ene moment overging in het andere en er weinig anders was?

Wil je mijn blog steunen met een bijdrage? Doneren mag hier.

Wil je mijn blogstukjes in je mail ontvangen? Abonneer je dan hier.

Veerkrachtig.

Afgelopen weekend las ik een artikel van the NY Times. ‘What Makes Some People More Resilient Than Others?’ Hoe komt het dat sommige mensen meer veerkrachtig zijn dan andere mensen?

“Many, many resilient people learn to carefully accept what they can’t change about a situation and then ask themselves what they can actually change,” Dr. Southwick said.

Ik moest denken aan een boom met dikke wortels die je niet ziet omdat ze groeien onder de grond. Stevig geworteld maar de meeste verse takken aan de boom zijn gevoelig voor het weer en zijn nukken.

Er zijn verschillende mensen die ik ken die veel voor hun kiezen gekregen hebben en op de een of andere manier kunnen functioneren en toch ergens een lach voelen terwijl de traan vers is opgedroogd. Soms denk je weleens, hoe doen zij dat? Maar ze doen het. Ik heb het ook weleens gevraagd. Een vriendin haalde haar schouders op. ‘Wat is de andere keus? Er is namelijk altijd een keus. Bij de pakken neerzitten kan altijd nog hè. Positief blijven helpt, dat is een soort focus.’

De vrienden die ik ken die behoorlijk wat voor hun kiezen kregen zijn stuk voor stuk positieve en vooruitstrevende mensen die het monster in de bek kijken. Ik heb daar bewondering voor. Allen hebben te maken gehad met immens verdriet zoals het verlies van dierbaren, ziekte en sommige mensen hadden de pech het ene net een beetje verwerkt te hebben voordat het andere zich weer aandiende. Niemand gaf de wereld de schuld, niemand was boos, niemand was weggeslagen. Allen waren open in hun verdriet, huilden, praatten en lieten hun vrienden toe. Daarna zetten ze alles op een rijtje en vroegen zich af wat ze in de tijd die er nog was konden doen. Voor hun dierbare, voor hun familie en voor hun gezin. En ook voor zichzelf.

We leren kinderen die vallen zelf op te staan. Straks moeten ze het ook, zelf staan, op eigen kracht. Rug recht. Kin omhoog. Wat ik altijd zeg tegen mijn stiefdochter, mijn oppaskinderen, mezelf. Soms is er iemand in de buurt die je helpen kan maar wat als je het alleen moet doen?
Maar veerkrachtig zijn zit in veel aspecten, dacht ik later.

Er zijn momenten geweest dat ik dacht dat ik het niet ging redden en toch redde ik het. (Artikel miracle drug) Er was een diep gevoel van hopeloosheid, machteloosheid, bijvoorbeeld door het niet kunnen helpen van de ander of het niet kunnen stoppen van fysieke of mentale pijn.
Het voelde alsof ik gedragen werd, vraag me niet hoe dat kan of hoe dat voelt, want ik kan het je niet uitleggen. Later dacht ik, nadat ik het artikel gelezen had, dat heel misschien veerkracht zo voelt. Alsof ik me in de meest pijnlijke zielenpijn gedragen voelde. Wat ‘gedragen’ precies is weet ik niet en dat hoeft ook niet. Ik weet wel dat het ervoor zorgt dat te midden van al die pijn en het verdriet waarvan je denkt dat het niet stopt ik weet dat het overgaat. Dat het voorbij gaat. Dat het een andere vorm krijgt. Dat het buigen en meedeinen is van hoe het leven gaat zoals de boom met sterke wortels en nieuwe dunne takken die soms een zware storm moeten trotseren maar dit doorstaan omdat ze meebewegen. En wetende dat iedereen achter zijn voordeur hun portie ontvangt.

Ook dat iemand die me kwetst me even raakt maar dat ik erna kan inzien dat het probleem niet per sé bij mij ligt. Dat het soms een sneer is, een snauw, onmacht, ook andermans verdriet. En dat ik het kan zien en voelen maar kan weerleggen. Maar niet alleen dat. Het is ook steeds beter inzien waar ik nodig ben en hoe dan en wanneer ik afstand moet bewaren en zwijg omdat iemand zijn of haar eigen lot bepaalt. Dat laatste moet ik nog beter leren.

Wil je mijn blog steunen met een bijdrage? Doneren mag hier.

Wil je mijn blogstukjes in je mail ontvangen? Abonneer je dan hier.

Als alle dagen een beetje veranderd zijn.

Als alle dagen een beetje veranderd zijn en je ontvangt een kaartje ben je even blij dat er iemand aan je denkt. Er is moeite genomen om iets uit te zoeken met een aangename voorkant en er is moeite genomen om bepaalde woorden op papier te schrijven. Er is nagedacht over wat degene zeggen wil. Er is een adres opgezocht en er is een postzegel geplakt. Dezelfde dag of een dag later is iemand naar een brievenbus gelopen of gefietst of heeft het onderweg met de auto gedropt. Een dag later ligt het kaartje in een mooie envelop op de deurmat en ben ik degene die naar het handschrift staart en me afvraag wie het kaartje heeft gestuurd.

Als de dagen een beetje anders zijn geworden en je soms bij het wakker worden niet weet welke dag het is en wat er van je verwacht wordt en je gedroomd hebt over stilstaande treinwagons of een beeld van een fietser met een extra fiets die je niet goed vast kunt houden maar wel nodig schijnt te hebben want ja, dromen zijn altijd raar, is het fijn als je naar dat kaartje kunt kijken en een warm gevoel krijgt omdat ergens aan de andere kant van Nederland en zelfs in dezelfde straat mensen aan je denken.

Wil je mijn blog steunen met een bijdrage? Doneren mag hier.

Wil je mijn blogstukjes in je mail ontvangen? Abonneer je dan hier.

Kwaadaardig.

Het lijkt me bevreemdend om te horen dat iets kwaadaardigs in je lichaam huist. Er is ook niets aardigs aan. Zeker als je ooit dacht, tien jaar geleden, dat de logé met grof geschut uit huis was gezet maar dat het zonder kloppen via de achterdeur weer in je is gaan wonen, voor onbepaalde tijd op een zolderkamertje en je ook niet echt op de hoogte houdt van de dagelijkse rompslomp, gedoetjes en komende gevaren.
Want het kwaadaardige heeft geen zin in een theekransje of een informeel gesprek. Het zit rustig op zijn plek en verhuist zonder al teveel toeters en bellen naar de volgende plek om daar, zonder geluid en gerommel, daar op z’n plek te blijven zitten met alle gevolgen van dien.

De man tegenover het andere bed in het ziekenhuis was vier weken geleden het thuiswerken beu want hij was elke avond doodmoe van het concentreren en kijken naar een scherm. Hij kocht een ander scherm maar dat hielp niet. Misschien had hij last van zijn ogen? Bij de opticien werd duidelijk dat hij de zijkanten niet meer zag. Een uitgewist beeld. Via de neurologie werd hij opgenomen en na een paar dagen geopereerd aan een ‘enorme knots’ in zijn hoofd, achter zijn oor. Hij zat aan de tafel toen ik de kamer opliep om bij mijn moeder op visite te gaan.

Mijn moeder had het verband van haar hoofd en ze liet me de enorme wond zien. Hij liep in een boog van boven naar beneden. Helaas was ook met de tweede operatie niet alles dat kwaadaardig was weggehaald. Het was een soort sluiproute. Ze hadden de snee, een luikje in het schedel, dicht geniet. Krammetjes. Maar het zag eruit als echte nietjes, die je gebruikt voor om papier aan elkaar te binden, niet om in een hoofd te jassen.

‘Kun je al wat beter zien?’
Ze kneep haar ene oog dicht, toen de ander. Ze keek naar het raam, was onzeker.
‘Is er veel groen?’
‘Ja, van de bomen.’
Ja, ze zag wel wat. De contouren van de man aan tafel ook. Hij zwaaide. Op de kamer werd er gelachen. Gelukkig maar. Toen de zon scheen door het raam ging de automatische luxaflex ineens naar beneden.
‘Je mag hier niet eens van de zon genieten!’ mopperde de man, met een grijns.
‘Wacht maar, zei m’n moeder, ‘ze gaan zo open.’
En warempel, ze floepten open.

De echtgenote van de man kwam binnen met een bos bloemen. Heel even hoorde ik achter me dat hij ineens moest snikken. Het was hier, op de kamer, een achtbaan van wachten, goed nieuws, slecht nieuws, weer afwachten en proberen te verwerken. Mijn moeder wist niet meer wanneer ze de CT scan kreeg. Had ze die nou al gehad of moest het nog? Morgen misschien? Ik vroeg het maar aan de verpleegkundige. Maandag om 9.00.
‘Lekker vroeg.’ zei m’n moeder. Je moest in deze tijd alles wat enigszins positief was ook maar zo bekijken.
Ze sloot even haar ogen.
‘Ben je moe?’ vroeg ik. Ze knikte.
‘Zal ik maar gaan?’ Ze knikte.
Toen ik even later op het station stond appte mijn moeder of ze morgen de scan kreeg of maandag. Maandag. Want het kwaadaardige logeert misschien ook nog eens met een heel gezin in haar lichaam.

Wil je mijn blog steunen met een bijdrage? Doneren mag hier.

Wil je mijn blogstukjes in je mail ontvangen? Abonneer je dan hier.