Karin Ramaker

Heel erg rustig blijven.

Het is warm. Ontzettend warm. Er is geen ontkomen aan; bij elke beweging voelt mijn rug klam, wrijf ik het vocht van mijn wangen en voorhoofd en puf ik even. Alleen dat al zorgt voor warmte.

Ik kan vrij goed tegen de warmte. Sommige mensen willen alleen maar in het water duiken. Daar heb ik geen enkele last van. Ik zit eigenlijk dolgraag in de zon. Het is meer een mentale toestand, denk ik weleens. Het heeft niets te maken met kleding, water of geen water of wel of niet iets doen. Als je weinig kleding draagt heb je het ook warm. Als je minder doet puf je het ook af, al vraag je je af hoe dat kan.
Het is rustig blijven. Misschien inderdaad niet teveel hooi op je vork maar je vooral niet druk maken over de warmte. Als je de nadruk legt op het hardop uitspreken ‘Ik heb het zo warm’ krijg je het denk ik nog veel warmer. Het is gewoon in- en uitademen, weinig beweging en rustig blijven. Heel-erg-rustig-blijven.

De wekker staat op vier uur en vijfendertig. Ik staar naar het plafond in het donker en zie een vage lichte gloed voorbij komen van het rolgordijn dat heel af en toe beweegt. Het is warm. Voorzichtig draai ik me om en sluit mijn ogen.

Er was eens een grote bruine stoel.

Er was eens een grote bruine stoel. Het leek een soort fauteuil. Ik maak er een ribfluwelen bruine stoel van want helemaal goed herinneren kan ik het me niet meer. Ribfluweel is zachter dan leer, tenzij het leer net nieuw was en goed ingesmeerd met vet.
De bruine stoel stond in een bruine huiskamer want in de zeventiger jaren was alles bruin. Alleen de lampen waren oranje. En een gedeelte van de gordijnen ook.

Ik zat in die stoel naast mijn vader. Hij was voor zijn leeftijd tenger en smal dus pasten wij er makkelijk in met zijn tweeën. Hij sloeg dan een arm om me heen en dronk uit een groot glas. Hij was net thuisgekomen van zijn werk en was moe. En ik wilde heel veel verhalen vertellen over school maar dat was altijd een beetje lastig. Als ik mijn neus in zijn overhemd stopte rook zijn overhemd een beetje naar shagrook en vader.

Soms zat ik alleen in die stoel. Ik was aan het wachten totdat mijn vader thuiskwam maar het leek op zich te wachten. Mijn moeder stond in de keuken haar dingen te doen en ik keek naar de zwart-wit beelden op de televisie. ‘Wanneer komt papa thuis?’ vroeg ik weer. Mijn moeder haalde dan haar schouders op. Ze wist het niet.

Er waren perioden dat mijn moeder naar haar fiets liep en vroeg of ik meeging. Dat wilde ik niet. Wat als mijn vader net thuiskwam en ik er niet was? Dan konden wij niet samen in de grote bruine stoel zitten en verhalen delen. Mijn moeder reed even een blokje om, zei ze. Ik begreep niet zo goed waarom dat was.

Soms zat ik wel met mijn vader in die stoel en bleek die stoel een beetje krap geworden. We moesten heen en weer wiebelen net zo lang totdat we een manier gevonden hadden om allebei fijn te kunnen zitten. Ik werd langzaamaan te groot voor die stoel. De plekken op de leuning werden ook steeds valer. De kuil waar mijn vader zat leek steeds dieper. De plek was steeds vaker leeg.

Grote bruine stoelen worden soms bij een verhuizing meegenomen door grote sterke mannen in een grote verhuiswagen.

Maar mijn pincode krijg je niet.

Ik ben overgestapt naar een andere bank. Dat lijkt een eitje. De banken doen hun best, al heb ik nu al twee keer een dringende vraag gekregen van mijn ex bank of ik het echt wel heel erg zeker weet, dat overstappen? En of ik er wel van bewust ben wat het allemaal gaat betekenen? Het is stiekem nogal wat, dat overstappen. Ik heb vier rekeningen waarvan twee spaarrekeningen. Alle vier de rekeningen met hun cijfercombinaties die ik uit mijn hoofd kende moet ik nu gaan vergeten. Uit mijn hoofd zetten. Er komen nieuwe cijfercombinaties voor in de plaats.

Dat is nog een ding; ik kan die rekeningnummers best ergens opschrijven. Als ik gebeld word door een instantie en men vraagt om een rekeningnummer dan pak ik mijn nieuwe bankpasje erbij en kan het oplezen. Maar ik krijg ook nieuwe pincodes. Die oude pincodes moet ik uit mijn hoofd zetten en er moeten nieuwe codes in. Die codes mag ik nergens opschrijven. Ze worden uit het blote hoofd geleerd. Wat is nou het probleem, zou je denken.

Ik stond van de week bij de kassa van een drogisterij. Er stond niemand achter mij, het was rustig. Ik kocht een pakje pleisters. De kassajuffrouw, een vrolijk uitziende jongedame met iets teveel glitterrouge op haar beide appelwangen, vroeg: ‘Wil je pinnen?’

Ik haalde mijn nieuwe pasje uit mijn portemonnee en slikte. Ik zette het pasje in het vakje. Even keek ik haar nerveus aan. ‘Toets uw pincode in.’ stond er op het display. Ik herinnerde het me wel. Langzaam tikte ik de cijfers in. Ik hoorde een bekend geluid. Het pasje werkte. Pff, opluchting. Dat ik de overstapservice moest controleren, dat de identifier laat werd verstuurd, dat ik veel moest bellen over ditjes en datjes was een ding. Voor het eerst weer een nieuwe code gebruiken. De hel.