Leg maar weer weg.

Ze keken haar aanlokkelijk aan. Twee witte eenhoorns. Pantoffel eenhoorns. Ze waren zacht. Aanraakbaar. Lief.
Ze stonden in een bak naast elkaar. Hun hoorn als een regenboog gekleurd.
Vader stond in de rij van de drogist te wachten. Hij had shampoo in zijn hand en een pak papieren zakdoekjes.
‘Papa?’ riep het meisje zacht maar hard genoeg. Haar vader keek achterom.
‘Leg maar weer weg.’
‘Papa?’
‘Leg maar weer weg Kaja.’
Ze bleef ernaar kijken. Ze haalde de witte eenhoorns uit de schap. Ze stopte beide handen in de pantoffels. Ze draaide met haar heupen heen en weer. De ogen van de eenhoorns waren schitterend blauw. Ze waren zacht. Heel erg zacht. Ze aaide de pantoffels alsof het knuffels waren. Ze legde een pantoffel tegen haar wang.
‘Papa?’
‘Schatje, leg maar weer terug.’
Haar vader schoof in de rij naar voren. Ik ook.
‘Papa? Mag ik die?’ Ze zei het heel zachtjes. Een beetje in zichzelf. Misschien wist ze dat ze deze pantoffels niet kreeg.

Wil je mijn blogstukjes in je mail ontvangen? Abonneer je dan hier.

Papieren zakdoeken.

Er lag een behoorlijke plas bloed op de straat. Vers bloed. Bloed dat drupte als een waterkraan die lekte. De plas werd bij elke druppel naar beneden groter. Auto’s reden langs. Ik zocht verwoed naar papieren zakdoeken in een half geopende rugzak. Er lag niks. Andere rugzak. Ja daar lag wat. Ik haalde het er met een ruk uit en drapeerde het vodje papier tegen zijn neus. Met mijn andere hand hield ik zijn hoofd vast. Zijn jas zat onder het bloed. Zijn wangen en zijn kin ook. Als ik het doordrenkte papier weghaalde begon het weer als een lekkende kraan te druppen. Snel er weer tegenaan. Het was een kwestie van tijd. Ondertussen sjokte een oudere vrouw langs die stoïcijns naar voren keek. Ook een vrouw met kinderwagen liep ons voorbij. Ze keek naar de plas bloed en trok haar neus op.
De bus kwam langs. Onze bus. Helaas, die moest verder rijden. Na een aarzeling stopte de chauffeur toch en gooide zijn deuren open. Hij riep iets. Toen stapte er een jongen half uit de bus en strekte zijn arm. Papieren zakdoeken. Die had ik zeker nodig! Ik bedankte de chauffeur en de jongen. De bus reed weer verder.

De les van deze dag, de belangrijke les van een zesjarige van deze dag, is altijd vooruit kijken. Als je praat, praat je naar voren, niet naar achter en zeker niet met je neus vol tegen een paal. Andere les van deze dag, iets kleins als papieren zakdoeken geven. Wat een fijn gebaar.

Wil je mijn blogstukjes in je mail ontvangen? Abonneer je dan hier.

Gevoelstemperatuur.

Het was bijna net zo koud als vandaag. Er stonden mensen in de wachtrij bij de apotheek. Tegenover speelden kinderen in een speeltuin. Ze renden terwijl hun jassen opbolden en hun sjaals achter hen aan deinden in de guurwind die om hen heen waaide.
Een moeder fietste traag met een aantal zware tassen achter op haar fiets langs me heen. De fietstassen puilden uit. Oude plastic Albert Heijn tassen met scheuren erin en kapot getrokken hengsels. Ze leek in een tergend traag tempo langs me heen te gaan.
Ik was op weg naar de tram, naar mijn werk.
Voor op de fiets in een kinderzitje zat een kleine peuter. Hij droeg een dikke winterjas en een muts met een bolletje erop. Zijn haren krulden onder de wollen rand omhoog. Dat bolletje zwiepte heen en weer bij elke drempel, opgehoogde steen en verholen goten.
Maar zijn handen. Zijn handen droegen niets. Zijn handen lagen op de koude stang. Die handjes.
Ik wilde zijn handen warmen. Erin blazen. Warm wrijven. Ik wilde het leed verzachten.

Wil je mijn blogstukjes in je mail ontvangen? Abonneer je dan hier.