Mama is moe.

Mama is niet bereikbaar. Ze neemt de telefoon niet op en leest haar berichten niet. Misschien is ze met de fysiotherapeut de gang op. Of ze slaapt, want ze slaapt veel. Ze kan haar ogen bijna niet openhouden, zegt ze, en is soms te moe om te praten, dus hangen we maar op als ik haar wel kort spreek maar dat is een paar dagen geleden.

Het is nu de achtste week, waarvan zes weken vakantieperiode als een achtbaan aan onverwachte gebeurtenissen voorbij zijn gegaan. Van thuis naar ziekenhuis naar zorgcentrum naar ziekenhuis naar revalidatiecentrum weer terug naar het ziekenhuis. Mama is moe. Moe van alles. Moe van niet meer naar huis kunnen, moe van geen stap kunnen verzetten, moe van injecties, onderzoeken, naar de w.c gaan, lage bloeddruk, onrust, zwak zijn. Moe van ziekenhuizen, artsen, controles, scans, mri’s, bloed prikken. Moe van ouder worden, ouder zijn en niet meer kunnen wat ze altijd kon. Mama is moe en kan de telefoon niet meer oppakken. De verpleging geeft aan dat ze veel slaapt. Als ze veel slaapt eet ze niet en drinkt ze niet goed. Als ze slaapt is ze er niet. Als ze slaapt kan ik niet met haar praten. Als ze slaapt gaat de wereld zonder haar door.

Voor het eerst.

Het was er benauwd. Je rook chloor en je zag de kinderen voor het eerst in hun zwemkleding langs de rand van het bad zitten. Op een na. Ze wilde niet. Ze wilde niet met haar benen in het water. Ze wilde geen gespetter. Ze wilde naar mama. Naar huis. En ze keek om zich heen om te zien of ze ergens heen kon maar ze leek vastgeplakt aan de blauwe tegels met haar voeten. Ze hield haar handen voor haar mond en wilde haar tranen tegenhouden maar ze vielen toch. De badmeester was al in het water en sprak de kinderen toe en gaf ze de opdracht met hun benen te spartelen. Ze kroop naar achteren, botste bijna tegen een voorbijganger. En de badmeester kreeg haar in de gaten. Hij wenkte maar ze verroerde zich niet. Ze bleef daar staan, handen voor haar mond, schouders opgehaald en ze bibberde. Hij kwam uit het water. De druppels gleden van zijn zwarte zwempak naar beneden. Hij pakte haar vast en sprak tegen haar. Als hij het nu maar niet forceert, dacht ik. Forceren is verergeren. Het is een stap vooruit en dan weer twee stappen terug en dat wil je niet als een kind bang is voor het water.

Help!

Lieve Q,

Het was de tweede keer dat we een heel eind gingen wandelen. Langs de vijver en de fontein naar de grote weg waar de auto’s reden, dat vond je leuk, oversteken bij de stoplichten, dat vond je minder leuk want je moest even wachten. Langs de hoge bomen, de wind waaide hard en de wolken kleurden steeds donkerder grijs. ‘Oh jee.’ zei ik, ‘Ik denk dat het gaat regenen!’ En meteen keek je met een lach achterom want de vorige keer toen we gingen wandelen kwamen we terecht in een regenbui en rende ik met jou in de rolstoel naar een afdak van een schoolgebouw om te schuilen en daar moest je hard om lachen. Ik riep ‘Oh jee! Help, we worden nat!’ maar stiekem was het een avontuur. We schuilden bij de bomen, renden naar een ander afdakje. We hadden lol! Op de terugweg riep je steeds ‘Help! Help! Regen!’

Gisteren werd het dus ook weer donker. En ja hoor, het begon hard te regenen. We renden de weg over naar een boom waar we konden schuilen. De auto’s reden door de natte straten, mensen fietsten hard voorbij. Je had een jas aan met een capuchon op en bleef redelijk droog. Er kwamen auto’s voorbij met mensen erin die zwaaiden naar jou omdat je dikke pret had en moest lachen. Er kwam een bus voorbij die toeterde. Eerst schrok je een beetje maar de bus reed extra langzaam voorbij en de buschauffeur zwaaide. Toen het even minder hard regende liepen we snel naar een afdak van een appartementengebouw. We liepen in een drafje, riepen allebei: Oh jee! Help! Het regent!’ Mama appte nog: ‘Moet papa jullie ophalen?’ Welnee, dat wilden we niet. Dit was leuk! Dit was superleuk!

Toen we langs de vijver wandelden, bijna thuis waren en de zon weer achter de grijze wolken verdween keek ik naar jou. ‘Oh jee.’ zei ik. Je zette een grote glimlach op. ‘Help! Help!’ riep je uit. We roetsjten naar de afdak waar de auto stond. We waren net op tijd thuis.

Lees hier alle bieven aan Q.

Je hebt mensen en je hebt andere mensen.

‘Je hebt mensen en je hebt andere mensen.’ Het stond op een kartonnetje geschreven dat leunde in de hoek van een raamkozijn. Ik liep er langs maar vergat te fotograferen. Desondanks onthield ik de zin. Het was een goede samenvatting van de huidige tijd en dan heb ik het over mensen uit Afghanistan, uit Harskamp en andere mensen. In de trein vorige week zat een jong stel vriendinnen te keuvelen:

‘Ik koop gewoon een stuk of tien zwangerschapstesten. Je weet maar nooit!’ Ze schoot erna in de lach. ‘Ach, we zitten toch in Den Haag, daar kun je dit soort dingen gewoon zeggen.’ Er liep iemand voorbij en ze keken de persoon na. Even later vervolgde ze haar verhaal:

‘Ik zat vorige week in de tram, ‘s avonds laat, en er zaten twee oude mensen, ik schat vijf-en-zestig, en die waren dronken! Echt niet normaal! Dan denk ik bij mezelf, wat doe je dan met je leven?’

Een paar dagen later zat er een echtpaar met jong kind in de trein. ‘Dat is geen dubbeldekker, dat is een normale trein.’ legde de moeder geduldig uit. Het jongetje keek zijn moeder fronsend aan. ‘Wat is normaal?’ wilde hij weten. Zijn moeder verzuchtte. ‘Ja, dat is een goeie vraag. Wat is nog normaal?’

Je hebt mensen en je hebt andere mensen. Zo is het.

Meebuigen.

In de wachtkamer liet een man zijn vingerkootjes kraken. Het was hoorbaar, ik had de neiging mijn stoel anders neer te zetten maar ze zaten tussen rood en witte linten in verband met afstand houden. Een andere man kwam later binnen en had zich vergist in de tijd. Zijn afspraak was om kwart voor elf en het was nu kwart over tien. Hij verstond volgens mij niet eens wat de assistente zei en vroeg of hij mocht zitten. We wachtten allemaal daar in die kamer. Wachten op hulp, op advies, op een medicijn, op aandacht. De huisarts vroeg hoe het met me ging en ik wist even niet goed te zeggen of het goed ging. Wat was goed, in dit geheel? Dat besloot ik ook maar te zeggen. Dat het vreemd was dat anderen, familie, problemen ervoeren en ik er tussendoor kabbelde. Maar, zei de huisarts, je bent hier niet voor niets en dat was waar. ‘Het leven werkt, denk ik op die manier.’ mompelde de huisarts terwijl hij de injectiespuit prepareerde. De poeder moest gemengd worden met de substantie en dat moest op de juiste manier gebeuren anders loste het niet goed op. ‘Zodra jij weer op de rit bent gebeurt er weer iets om je heen waardoor je uit balans dreigt te raken. En het is dan belangrijk om te weten hoe je daarmee omgaat. Meebuigen is het, denk ik.’ Hij desinfecteerde mijn bovenarm. ‘Leven is meebuigen.’ Hij hield de naald bij mijn bovenarm. ‘Daar komt de prik.’ En hij zette de injectie.