Als ik niet schrijf, denk ik aan schrijven.

Eerlijkheid.

Het was me het dagje wel vandaag. Er was onverwachte kinderlijke eerlijkheid waardoor ik meteen besefte dat het wonderlijk was dat dit kind mij iets vertelde en dit aandurfde en tegelijkertijd het besef van de pijnlijke realiteit van haar vertelling. En eerlijk zijn is vaak iets zwaars, iets dat mensen niet willen aangaan want het doet iets met jezelf en met de ander en je hebt vaak angst voor de reactie. Soms is het een opluchting en zijn mensen blij dat iets in de openbaarheid treedt maar soms wenst men dat het nooit gezegd was. Dan kon iedereen net doen alsof het nooit anders was geweest. Maar zo af en toe is de eerlijkheid de grens die opgezocht wordt waarmee iemand iets moet, ongeacht de consequenties. De consequentie van boosheid, ruzie, onbegrip. Iemand de rug toekeren.

Telkens als zulke situaties zich aandienen, zegt vriendlief vaak, is het een check voor jezelf dat je let op je grenzen. En het zal zich zo af en toe aandienen, zeker als de ander niet inziet wat je hebt uitgesproken. Het zal zich herhalen en herhalen, de vragen zullen telkens opnieuw worden gesteld en jij zult denken: maar dat heb ik toch al gezegd? En toch keert het terug, in een draaikolk, en moet je zorgen dat je eruit stapt.

We kunnen talloze smoezen verzinnen met al onze creativiteit maar daar wordt het ook niet beter van. We smoezen dat we niet kunnen, dat we een andere afspraak hebben, dat we ons niet lekker voelen en daarom overslaan en we durven niet uit te spreken wat ons dwars zit. Het vergt moed om eerlijk te zijn. Je legt jezelf op een hakblok. En eerlijk zijn is soms hard. Dat je na een conflict de rust nodig hebt om het conflict te verwerken en dus niet afspreekt. Dat je niet per sé iemand hiermee afwijst maar de situatie even niet handelt.

Het kind was open over een nare situatie. Iets waar je als kind niet snel over spreekt en ze vertelde erover tijdens het maken van een tekening. Eerlijk duurt het langst zeggen ze weleens. Ik vind het nog vaak knap lastig om in het moment te reageren zoals ik het voel en niet zoals sociaal wenselijk is. …

Bang.

De tandarts zette een verdoving. Meestal heb ik er meerdere nodig maar ze wilde zien of de kies te redden viel en als mijn kies dan pijn ging doen tijdens de behandeling was de zenuw nog intact. Dat zou dan een goed teken zijn, anders moest er weer een wortelkanaalbehandeling aan te pas komen. Mijn wang aan de bovenkant begon naar mijn gevoel dik te worden maar dat leek maar zo. Lang geleden zei een andere tandarts dat ik best zonder verdoving die ene kies kon laten behandelen want de zenuwen waren toch dood. Tijdens de behandeling raakte hij toch een werkende zenuw en schoot ik voor mijn gevoel door het plafond. Nooit eerder had ik een tandarts uitgekafferd en het was de laatste keer dat ik die tandarts zag. Daarna, maar ook al eerder, ging ik schoorvoetend naar de behandelkamer, lag ik nachten wakker en was ik bang. Bang voor de pijn.

Onderweg er naartoe dacht ik aan de ontberingen die mijn oudoom Kees had meegemaakt. Veel was bekend naar aanleiding van verhalen van mensen die het concentratiekamp hadden overleefd. Ik zou willen dat ik een arm om hem heen kon slaan. In gedachten deed ik het ook en ik doe dat wel vaker. En neefje, Q. Ook hij had ontberingen. Niet dat hij het ten volle inzag maar als dierbare die toekijkt was het ook vaak zien dat er wel ontberingen waren maar dat hij zich er stoer doorheen sleept.

Eenmaal in de tandartsstoel en de geruststellende woorden van de tandarts gaf ik me over aan de behandeling. Als Q het kon, kon ik het ook. Als Kees het kon, kon ik het ook. Maar misschien moest ik zo niet denken en misschien hielp het me wel.

Gesneuveld.

‘Stopt u bij de Waalsdorpervlakte?’ Een zongebruinde man met petje op stapt de bus in. De chauffeur knikt. ‘Vlakbij ja.’ ‘Wat is vlakbij dan?’ De buschauffeur zucht eens flink. ‘Niet naast de deur, vlakbij!’ Na wat gemopper stapt zijn vriend ook de bus in en moppert. ‘Jij hebt niet die ene tas bij!’ ‘Jawel!’ ‘Ik zie die tas helemaal niet!’ ‘Op mijn rug!’

De bus rijdt richting Malieveld onder een tunnel door. De ene man verzucht. ‘Ik wil hier niet zitten.’ … ‘Ik ga nu niet ergens anders zitten, hoor! Ik wil op dat bord kunnen kijken!’ reageert zijn vriend. De eerste halte springt op het scherm in beeld. ‘Je weet niet eens hoe we straks moeten lopen!’ mopperde de man verder. ‘Ik word zo zeeziek! Wat een bak ellende, die bus.’

Na een aantal haltes vraagt de ene man aan een medepassagier bij welke halte ze het beste kunnen uitstappen. De medepassagier kijkt even op het bord en geeft dan antwoord. ‘Maar jullie gaan naar de plek waar mensen zijn gesneuveld?’ vraagt hij. Ze knikken allebei. ‘Jullie gaan daar een moment stilstaan om de gevallen soldaten te herdenken?’ Ze knikken allebei nog een keer. ‘Misschien dat jullie tijdens het moment van stil zijn ook even willen nadenken over al het geluk in de wereld?’ De mannen kijken elkaar even vragend aan en knikken. ‘Ja, natuurlijk. Dat spreekt voor zich!’ mompelen ze. De rest van de rit kijken ze zwijgend naar buiten, naar de regen op het raam. De medepassagier staat op om zijn ov chipkaart tegen het kastje te houden en knipoogt naar mij voordat hij uitstapt. Ik glimlach achter mijn mondkapje.

Verzet.

Vanmorgen liep ik langs nieuwbouw met straatnamen van verzetsstrijders. Toen ik weer naar huis wandelde langs dezelfde straten zag ik de naam Cornelis (Cor) Spaans, eenmaal thuis zocht ik zijn naam op. Een jongeman van bijna eenentwintig met een afscheidsbrief:

‘Lieve pa, moe, broers en zus, Nog enkele uren en wij zullen worden weggehaald om onze straf te ondergaan. Zoeven hebben wij het H.Avondmaal gehad. Lieverds, ik dank jullie allen voor alles wat Gij voor mij hebt gedaan.’ ~ Cor Spaans.

Ik moest denken aan mijn oudoom Kees Jacobs. Een jongeman die weigerde te gaan werken voor de Duitsers. Hij dook onder op verschillende adressen en raakte ergens, het is voor mij nog een open bladzij, betrokken bij het actieve verzet. Er wordt gesproken over de ordedienst. Hij heeft gevaarlijke dingen gedaan, zichzelf niet gespaard. Om een lang verhaal kort te maken, hij stuurde twee Zollbeambten met een smoes de verkeerde kant op toen hij op een lentemiddag via de Baarschotseweg in Diessen naar huis wandelde. Hij had geen persoonsbewijs om te laten zien en maakte er een gefabriceerd verhaal van. Hij won tijd maar die nacht omsingelden de Duitsers het vakantiepark waar onderduikers, piloten en verzetsstrijders zaten en werd hij opgepakt. Doordat ze hem vrij snel vonden bleven de anderen veilig. Ze hadden geen zin meer om de rest van het park uit te kammen. De twee mannen, een Rotterdammer en hij waren blijkbaar genoeg. Van deze twee keerde alleen Adri Wolters terug naar huis. Van Kees werd lang niets meer vernomen. Op tweeëntwintig oktober 1945 werd er een brief gestuurd dat Kees als politieke gevangene in Duitsland (Neuengamme) was omgekomen. (Later werd bekend dat zijn overlijdensdatum 25-10-1944 was.)

Ik denk aan verzet. Ik denk aan hoe verzet eruit ziet. Verzet is tegenspreken, niet meedoen met de rest. Tegenstand bieden. Verzet is door actie veroordelen wat onrecht is, onjuist, oneerlijk. Verzet is protest. Verzet is een woord: Nee. Soms is verzet helpen.

Het is denk ik goed om stil te staan bij de mensen die zich verzetten. Zij keken niet weg, hielden niet hun mond, deden wat gevaarlijk was maar ze deden het omdat er voor hen geen andere keus was. Uit principe, uit een gevoel van onrecht, uit groot gevoel voor het juiste te willen doen. Het is altijd makkelijker om net te doen alsof iets er niet is, alsof het niet bestaat. Het is altijd makkelijker om je mond te houden. Maar we moeten niet onze ogen sluiten. Ook nu niet. Juist nu niet. …

Lees ook meer over Truus van Lier en Sabine Zuur. En over mijn oudoom Cornelis Jacobs.

Op handen en voeten.

Niet eens op handen en voeten. Met een arm en zonder benen.

In Den Haag wil men naar de buitenwereld toe toegankelijk overkomen. Voor iedereen wat wils. Ondertussen is er de heer Sabri, een inwonende van Den Haag die op stompen (het is niet anders) 55 treden omhoog moet om naar zijn woning te komen. Hij heeft geen benen en maar een arm. Hij heeft geen recht op een aangepaste woning. Den Haag vind het niet urgent genoeg. Geld is natuurlijk altijd een belangrijke reden om te steggelen. Een verhuurder zal vast in z’n maag zitten met het aanpassen van een woning want hoe krijg je dit ooit doorverhuurd en het kost geld. Toen ik het artikel in het AD las vroeg ik me af wie het belletje gaf om deze meneer af te wijzen. Niet urgent genoeg. ‘U heeft een arm, en daar kunt u gewoon de trappen mee op. Prettige dag verder!’

Ondertussen merk ik op geheel ander vlak dat er binnen de gemeente Den Haag veel verloop is. De ene mail is nog niet verstuurd of iemand gaat alweer van zijn of haar plek af en wordt er een portefeuille overgedragen zodat de nieuweling weer alles moet gaan inlezen wat veel tijd kost. Mijn petitie Iedereen Speelt over een aangepaste speelplek in Park de Verademing in Den Haag ligt ook op z’n gat. Ze zitten op potjes met geld, er moet ‘planvorming’ plaatsvinden terwijl ik al lang en breed gesproken heb met een bedrijf dat nota bene een contract heeft lopen met de gemeente, er wordt veel vergaderd waardoor ervoor gezorgd wordt dat iets niet hoeft door te gaan. Zolang je vergadert gebeurt er niks en dat is precies de bedoeling. Voor je het weet is het 2022 en kijken we verder. We vergeten voor het gemak het SamenSpeelakkoord en doen gewoon alsof we veel begrip hebben voor degene die de petitie heeft gestart en met omwonenden ervoor heeft gezorgd dat het opgepakt moet worden in Den Haag. Dat jij plannen hebt is leuk, maar wij hebben andere plannen. En ook ego’s staan in de weg.

Iedereen heeft recht op een woning waarin hij normaal kan leven en voortbewegen. We vergeten zo makkelijk onze eigen mensenrechten. Politieke partijen stellen vragen, zijn ontstemd en vragen aandacht. Het is niet genoeg. Meneer Sabri had gisteren al een aangepaste woning moeten krijgen. In ieder geval een tijdelijke benedenwoning of een woning met lift. Er hadden al jaren geleden tijdelijke oplossingen bedacht kunnen worden die uitvoerbaar waren zodat de verhuurder op zoek kon naar de aangepaste vorm. Hij sliep jaren op een matras op de grond omdat men geen aangepast bed regelde. Niemand, geen ambtenaar, geen receptionist, geen verhuurder, geen telefonist voelt zich aangesproken.

Er is een totaal gebrek aan kennis en er is onvoldoende bewustwording. Er mocht geen scootmobiel komen maar wel een rolstoel maar met een arm is een rolstoel moeilijk te besturen. ‘Iemand moet mij dan duwen.’ Als je deze kennis niet hebt dan denk je aan zulke onlogische, idiote oplossingen. Iemand op Twitter, in een politieke functie, opperde dat ambtenaren trainingen moeten volgen. Ik stel voor dat, als meneer Sabri dan eindelijk met hulp van de hulptroepen op sociale media en de aandacht in de krant (want alleen dan komt er blijkbaar hulp) een aangepaste woning toegewezen krijgt en in een scootmobiel mag rijden zij eens op de koffie komen en leren van deze zaak.

Lees ook dit artikel eens: Ambtenaar, gebruik je verstand! (met dank aan een volger op Twitter.)