blog

Verwonderen.

Moeder verzuchtte. ‘Het is wel heel intensief met een anderhalf jarige.’ Ik bekeek het meisje dat in haar handen klapte en om haar heen keek voordat ze een duik deed naar de waterbak om te voelen of er echt water in zat. Ze was naar de overkant gewandeld terwijl mama even niet oplette. Er was niets aan de hand, ik had haar ook in de gaten en begreep dat ze nieuwsgierig was wat er allemaal aan deze kant gebeurde. Moeder was achter haar aan gehold en stond nu zuchtend na te hijgen.

‘Je moet overal achteraan lopen.’ zuchtte ze nogmaals. Ik knikte. Nu had ik al wel geleerd niet alleen op beeld af te gaan. Misschien sliep dit kind ‘s nachts slecht of was er iets anders aan de hand waardoor ze het lastig vond om te zorgen voor deze peuter. ‘Is ze verder oké?’ polste ik. De moeder fronste even haar wenkbrauwen maar begreep toen mijn vraag. Ja, ze ging naar de kinderopvang en daar waren ze heel tevreden. Geen bijzonderheden. ‘Ik vind het een leuke leeftijd.’ zei ik toen. Moeder was minder overtuigd. Ze vond dat op die leeftijd kinderen te veel aan spullen zaten, bloemen kapot trokken en niet goed luisterden. Voordat ik geïrriteerd dreigde te raken en namens het kind dat niet kon praten wilde opkomen (met ook nog een ander verhaal in m’n achterhoofd) besloot ik het over een andere boeg te gooien.

‘Dat is toch geweldig!’ riep ik enthousiast uit. ‘Dat betekent dat er een goede ontwikkeling is! Kids willen ontdekken! Daar leren ze van!’

Ik verbaas me dat ouders zich soms vergissen hoe jonge kinderen zijn en dat bepaalde ontwikkeling erbij hoort en ja, dat het intensief is maar ik hoor veel geklaag in plaats van verwondering. Dat vind ik een gemiste kans. Die leeftijden zijn prachtig en het komt nooit meer terug! …

Chronisch.

Met pijn leer je leven. Dat klinkt gek maar het is wel zo. Als pijn eenmaal in je lichaam huist en het dagelijks aanwezig is; zeurend, jennend, soms schreeuwend dan weer fluisterend, moeten hersenen en lijf manieren vinden ermee om te gaan. En dat lukt ook.

Pijn is een vreemde gewaarwording. Iedereen kent wel kiespijn of het gevoel van een blauwe plek. Maar kiespijn gaat na een behandeling weg en ook een blauwe plek verdwijnt. Tegen hoofdpijn nemen we paracetamol. Chronische pijn is echter met bijna geen middel te bestrijden. Pijn wordt een huisgenoot. Eentje die je liever ziet gaan maar omdat hij er eenmaal is zul je er het beste van moeten maken.

En dan is er verschillende pijn. De zeurvariant is van ’s ochtends bij het opstaan tot ’s avonds laat als je gaat slapen aanwezig. Je staat en zit in allerlei houdingen totdat ook die houding niet meer werkt. Ondertussen is er werk, je leven, afleiding. Je hebt het nodig, die routine. Want als je stilzit, nadenkt en even niets om handen hebt, is het er weer.
De ergste zeurvariant is de zenuwpijn. De gemeenste pijn die alleen met een paardenmiddel onderdrukt kan worden. Ik heb het paardenmiddel weleens moeten gebruiken maar dan lag ik uitgeput en duizelig in bed.

Chronisch. Ik haat het woord. Het is iets dat ik niet kan afschudden, niet kan wegzetten en niet kan opruimen. Chronisch is er altijd en gaat niet meer weg. Ik ben niet chronisch, wil ik roepen. Ik haat de vermoeidheid en de lamlendigheid. Ik haat het gebrek aan energie en zelfs het ontnemen van een sprankeltje glitter en kleur. Ik haat chronisch. Ik haat het, ik haat het, ik haat het. Misschien denk ik chronisch wel weg.

Wegmoffelen.

Als kinderen iets niet willen horen of zien denken ze het weg. Het is er gewoon niet meer. Soms denkt een kind zichzelf weg. Hij legt zijn handen op zijn gezicht en is weg. Wat? Waar? Nee, hoor. Geen idee. Geen idee waar het kind of een ding is! Lag het hier dan eerst? Niet dat ik erg in had. Het kan zijn dat het er eerst wel was maar nu in ieder geval niet meer. En vraag me niet hoe een kind iets kan wegdenken wat er eerst wel was. Het is magie! Het is dan ook wonderlijk dat volwassen mensen hetzelfde kunnen; iets wegdenken wat er eerst wel was. Niet bewust weggemoffeld, maar onbewust. Ze konden het wegmoffelen niet helpen. Ineens was het er niet meer. Hoe? Waar? Geen idee! Lag het eerst daar? Misschien!

Iemand vertelde dat ze een wegmoffelkastje had. Zo’n onding dat ze maar ergens neergezet had en waar ze niet meer naar omkeek. Daardoor was het uit zicht en was het er niet meer. Heerlijk! Iets uit het zicht plaatsen zodat niemand het meer ziet. Geen haan die ernaar kraait. Geen vragen.

Je hebt niet voor niets zolders of kelders die worden volgestouwd met spullen die uit het zicht moeten verdwijnen. Want als je het niet ziet…

Kalm of woest.

Lieve Q,

Je keek over de rand van de bank en zag het grote fotoboek in de kast liggen met jezelf op de voorkant. ‘Wie is dat?’ vroeg ik, meekijkend over de rand. Je moest lachen. ‘Is dat Pietje?’ vroeg ik. Weer keek je me aan maar nu moest je heel erg lachen. Je plaatste je duim op je kin en zei: ‘Grappie!’ Het was inderdaad een grapje.

Je was daarvoor druk aan het stoepkrijten. Dat hield je een tijdje vol. Puntjes, strepen. Blauw. Geel. Veel geel. Daarna zoefde je heen en weer in je trippelstoel in de tuin. Je hoorde de bomen ruisen, de auto’s die langsreden en een ‘vogol’. Soms vraag ik me af of er geen Westers bloed in je zit, want soms praat je verdacht veel met een harde G, en met veel ‘ie’ op het einde van een woord en ‘O’s.

Papa en mama gingen lunchen en jij bleef thuis. Niet alleen, ik paste op jou. Toen papa en mama wegreden in de auto keek je even beduusd. Je moest even nadenken over het voorval. ‘Hier?’ vroeg je. Ja, jij bleef hier. ‘Papa, mama, eten, drinken?’ Ja, papa en mama gingen ergens eten en drinken en daarna kwamen ze weer naar huis. ‘Hier?’ Ja.
Toen was het goed en dribbelde je naar de tuin.

Een dag ervoor was je niet in je hum op school. En thuis ging het mis. Het gaat wel vaker thuis mis. Dan ben je oververmoeid, overprikkeld en sla je wild om je heen en kun je je emoties niet meer reguleren. Je bent boos, verdrietig en daardoor agressief. En voor zo’n kleine man als jij ben je dan oersterk. Het is op zulke momenten voor papa en mama ook verdrietig. En aan het eind van zo’n dag slaap jij uren en zijn papa en mama doodmoe. Ik weet dit niet omdat ik erbij was. Ik hoor de verhalen. En ik voel me daar best machteloos over. Ik kan niets doen. Ik ben niet eens in de buurt.

Gisteren was het ongeveer half drie toen je op de bank ging wachten. Je keek via de glazen keukendeur naar de voordeur want dan kon je de blauwe auto zien aankomen. En je vroeg: ‘Papa? Mama?’ Ja, ze kwamen zo thuis. En ja hoor, daar kwam de auto de oprit op. Papa en mama stapten uit en jij was blij. We probeerden ons te verstoppen onder de deken maar toen papa de deur openmaakte vond je toch dat je al moest laten zien hoe blij je was.

En dat maakt het zo moeilijk. Een chagrijnige bui heb je weleens, ook als je bij ons bent. En dat je iets van tafel gooit gebeurt ook weleens bij ons of in een restaurant. Als je blij bent, ben je heel blij. Als je boos bent, ben je al snel heel boos. Ze zeggen dat kinderen compleet zichzelf zijn bij de mensen die ze het meest vertrouwen en waar ze zich het meest veilig voelen. Het is alleen voor papa en mama niet zo’n groot compliment als je niet meer weet hoe je je emoties kunt stoppen. Het is verdrietig en slopend. Voor iedereen.

Gisterenmiddag was voor mij gezellig. Fijn en gezellig. Je was een lieverd. Ik vertelde je dat ook. ‘Je bent lief hè, Q?’ En je zat op de grond en keek lachend naar me omhoog. Je was gisteren vrolijk, rustig en kalm maar ik ben me ervan bewust dat de kalmte soms overslaat in een woeste storm.

Lees hier alle brieven aan Q.

Heb je ergens last van?

‘Pssst!’

Ik keek op van mijn blik op de straat terwijl ik naar huis fietste. Hij keek me aan terwijl hij heel langzaam voorbij fietste.

‘Wat?’ riep ik.

‘Pssst!’ ging het weer. Ik fronste mijn wenkbrauwen.

‘Heb je last van je gebit?’ Toen keek hij fronsend.

‘Wat?’

‘Heb je last van je gebit?’ Hij schudde langzaam zijn hoofd. Haalde zijn schouders op dat hij me niet begreep.

‘Je slist zo. Ik dacht, misschien heb je last van iets tussen je tanden of heb je een tandenstoker nodig?’

‘Wat?’

Ik moest uitkijken waar ik fietste want het tempo daalde.

‘Je maakt zo’n raar geluid. Pssst!’

Toen viel bij hem het kwartje en fietste ik door.