Niets te geven?

We stonden te wachten op het perron om terug te gaan naar huis. Twee ongeduldige kinderen en ik. Ze keken op het bord met rode letters. ‘Nog zes minuten.’ Zei de oudste. Ze moesten zich in die paar minuten zien te vermaken, stoeiden met elkaar maar dat mocht niet van mij, niet op het perron. Dat was te gevaarlijk.

Er stond een jongeman naast ons met een mooie zwart leren laptoptas. Hij droeg zwarte kleding en lichte sneakers. Grote voeten, registreerde ik. Mooie tanden. Opeens stond hij voor ons en overhandigde een Kinder Bueno. Hij zweeg toen hij het gaf. Twee repen werden uitgedeeld. ‘Wat zeg je dan?’ Vroeg ik aan de kinderen. ‘Dank je wel.’ Hij hoefde niets te geven, maar hij gaf.

Watjes in je hoofd.

‘Wat kun je doen als je je verveelt?’ Ik had ondertussen het boek over MiniMoni erbij gepakt. Het meisje in het verhaal verveelde zich op haar vrije dag en vond er een oplossing voor. Het verhaal was geschreven in het Frans maar door de plaatjes te volgen konden we erover praten. Gastkinderen wisten niet wat ze konden doen als ze zich verveelden. Ik begon te lezen.

‘Want in je hoofd kan heel veel. Je kunt iets bedenken of overal naartoe reizen. Dan ben je nog wel in je kamer, maar je bent ook op een plek waar je graag wilt zijn.’ Ik liet een illustratie zien van MiniMoni op een stapel boeken zodat ze dacht dat ze vloog. ‘Dat heet fantasie.’

Ik was even aan het werk. Knop omgezet en de verhalen aangehoord van de kinderen. Ik haalde ze op uit school, liep met ze mee naar de tram en we keuvelden over school, sport en andere dingen. Het was een zonnige dag, niet al te koud en het was gewoon. Alsof alles doorging. ‘Watjes in je hoofd’ zei iemand laatst. Alles ging ook door. Werk, eten, leven.

Als ik kon fantaseren zou mama gewoon in de deuropening staan van haar huis en naar me zwaaien als ik naar huis ging. Dat ik de telefoon kon pakken en haar kon bellen. Als ik kon fantaseren stond ze op het perron van het station omdat ze, hoe eng ze het ook vond, naar me toe kwam gereisd. Ik fantaseer dat ze ergens achter de wolken woont maar geen deurbel heeft. Ik vraag me af waar ze is.

Freesia’s.

Vorige week zaterdag kocht ik in de bloemenzaak op loopafstand van mijn huis gele freesia’s die nu bijna zijn uitgebloeid. Daarna kreeg ik bossen bloemen met lila freesia’s en vulde mijn huis zich met de boeketten bloemen met oranje freesia’s uit het rouwboeket van mama. Als ik ‘s morgens wakker word denk ik steeds: ja, het is echt en als ik dan naar beneden loop ruik ik de geurige bloemen. Maar nu is mijn eerste bosje aan het verwelken en ben ik bang dat ik straks de freesia’s moet laten gaan.

Ik hou me vast aan alles wat tastbaar is. Zolang het tastbaar is kan ik zien en voelen en alles wat zintuiglijk is gebruiken om het vast te houden. Mama is niet tastbaar meer, zij is ‘m gevlogen. En alles dat vervlogen is kun je niet meer aanraken.

Ook mijn werkkamer voelt niet meer goed. Hoe vaak ik daar aan mijn bureau zat om instanties te bellen, spoedhulp, het ziekenhuis en andere mensen om zaken geregeld te krijgen? Hoe vaak overlegde ik telefonisch met mijn broer? Ik zie de plaknotities op mijn bureau met mama’s naam, geboortedatum en bsn nummer. Ik zie namen van afdelingen, routes en kamernummers. Ik heb gehuild in die kamer. Ik heb mama meer dan eens gebeld terwijl ze onsamenhangende zinnen vormde en ik orde in haar chaos moest scheppen. Soms wist ze later niet meer dat ik gebeld had en belde ze opnieuw. Ik heb meerdere keren uit het raam gekeken, de verte in, vragend aan de lucht wanneer het ophield. En dat is nu gebeurd.

Het is een leeg en vol gevoel, dat missen. Mama is echt weg. Ik voel dat ik iets meer ga landen en dat ik praten met vrienden fijn vind. En zoetjes aan, zoals de herfst voortbeweegt, verandert alles weer en ga ik weer aan het werk. De gele freesia’s zullen ergens stoppen met bloeien. Dan zal ik de bloemen weg moeten doen en de gewassen vaas weer in de kast moeten zetten.

Je bent weg en overal.

Lieve mama,

Het is vandaag een week geleden dat je ging. Dat gaan (waarheen?) was onverwacht maar wel gekozen. De huisarts in opleiding besprak met je, voor de laatste keer, dat je toch erg ziek was en niet meer beter werd. Voor het eerst zei je: ‘Ik ben ziek, dat weet ik, dat weet ik al heel lang.’ De huisarts in opleiding, die je hand vasthield, vroeg toen wat je daarvan vond. ‘Het maakt me niet meer uit.’ Het was voor het eerst dat we hoorden dat je wist hoe het echt was. In de weken, dagen en zelfs uren ervoor moesten we op herhaling vertellen dat dit geen fantasie was en dat je niet beter werd. Je verbeet de waarheid en je verbeet de pijn. Na het gesprek wachtte je tot je zeker wist dat het kon en ben je met een glimlach gegaan.

Na dagen van besluiten hoe we je op je mooist konden eren en na dagen logeren in mijn oude woonplaats bij broer en gezin ben ik weer thuis. Hier, op de keukentafel, staan boeketten met de meest kleurrijke en geurige bloemen die van je rouwboeket vandaan komen. Op zolder in mijn werkkamer geurt het net zo, bij vriendlief in zijn werkkamer ook. Als ik ‘s ochtends wakker word bedenk ik me twee dingen. Eén, je bent echt weg, en twee, ik ruik de fresia’s die je zo lekker vond.

We boften met de mensen die met ons samen de dienst hebben verzorgd. Er hingen ook dingen aan toeval aan elkaar vast maar ach, daar kun je over discussiëren. Ik had niet verwacht dat broer en ik je na je overlijden zouden helpen verzorgen. Wat heb ik dit als troostend ervaren. Toen de begeleiders je op je zij moesten draaien besefte ik dat je voor het eerst tijdens het draaien geen pijn meer had. Ik sloot de knoopjes van je broek, we fatsoeneerden je haar en je was prachtig.

Er staan kaarsen op de tafel, witte sneeuwuiltjes, die we lieten branden tijdens de rouwdienst. Je was gefascineerd door deze dieren en las erover, kocht beeldjes of je kreeg ze. Ze zijn mysterieus, zien heel veel en zijn zwijgzaam. Je was een lieve mama. Je hoefde ons niet veel te vertellen, we zagen aan je ogen en merkten aan je lach dat je liefde had voor ons. Je hebt veel meegemaakt in je leven, vooral de laatste jaren. Je was soms hard voor jezelf maar nooit voor anderen. Je kon er het jouwe van denken maar zou niet kwaadspreken over iemand.

Vandaag is het een week geleden dat je afscheid nam van ons. Het is elke dag wennen en aanpassen aan de dag. Een week lijkt kort maar ook weer lang geleden. Je kunt ons geen appje meer sturen of bellen. Je bent weg en ook weer overal. In de koffiemok die je ooit voor me kocht en waaruit ik koffie drink, in de zon, de wolken, in alles.

♡ Ria Ramaker-Brands 20-2-1946 ✝ 30-9-2021

Naar huis.

Lieve mama,

Zoals ik brieven schrijf aan mijn lieve neefje, schrijf ik nu ook een brief aan jou. Vandaag mag je naar huis, iets wat je al maanden aangeeft. Eerst zei je, toen je in een zorgcentrum terecht kwam, ‘als ik weer thuis ben zal het vast beter gaan.’ Helaas ging het niet beter. Je had even een klein momentje dat je nog iets opknapte en jezelf nog kon aankleden, een boterham smeerde en met familie belde maar al snel lag je weer in het ziekenhuis. De afgelopen weken hoopten we dat het toch weer beter met je zou gaan. De medicijnen leken hun werk te doen maar telkens als we hoop hadden, de artsen ook, kwam erna een vuistslag. Vorige week moesten we allemaal toegeven dat je niet meer beter wordt. Je wilde zelf nog steeds beter worden. Daar heb ik het meest verdriet om. Een lichaam dat niet meer kan maar een hoofd dat nog graag wil en hier wil blijven.
Terwijl ik ’s nachts wakker lig bedenk ik dat het onvoorstelbaar is om te beseffen dat je er straks niet meer bent.

‘Er was oorlog en ik liep alleen op straat.’ Je wist niet meer of je het had gedroomd of dat het echt was gebeurd. Het was niet fijn, zei je, want er was overal chaos. En ja, het zal ook chaos zijn in je hoofd. Je sloot je ogen want je was moe. ‘Waarom ben ik zo moe?’ Is wat je ook vaak aan ons vroeg, maar ook aan jezelf. ‘Hoe kan het nou dat ik eerst zo fit was en nu niet meer?’ En je vergeet ook momenten. Je weet soms later niet meer dat we bij je waren, je hand hebben vastgehouden en je hebben getroost als je moest huilen.

Maar vandaag ga je naar huis. Het laatste huis dat je hebt gekend. Hiervoor heb je op andere plekken gewoond en heel vroeger woonde je bij je ouders en twee zussen. Dit huis is je laatste huis en je zult alle liefde en verzorging krijgen die je nodig hebt. We zijn er voor je, mama, in je laatste stukje hier en we laten je niet alleen. Zoals je zelf altijd hebt gezegd: Als ik weer thuis ben zal alles beter gaan. Het is niet hoe je het voor je had gezien maar misschien komt er wel rust.