Ik kom een föhn ophalen.

Er stond een hele lange rij bij de Hema. Mensen met chocolade letters, met uitgeprinte papiertjes om een pakket op te halen. Mensen bleven maar aansluiten.
De mevrouw achter de kassa had zweetplekken onder haar oksels. Ik zag haar denken: maar ik heb zo pauze. Ze liep gehaast naar de hoek en riep om dat kassa drie en vier ook open moesten. En snel een beetje, dacht ze vast. Ze hielp de volgende klant.

Ik moest ook een pakketje ophalen. Een reisföhn. ‘Waarom heb je een föhn gekocht?’ wilde mijn oppaskind (later) weten. ‘Omdat er vonkjes uit mijn oude föhn kwamen. Straks zou mijn haar in de fik vliegen.’ Zijn ogen werden zo groot als schoteltjes. De rij schoof op en ik was aan de beurt.

‘Ik kom een bestelling ophalen.’ zei ik.
De jongeman keek me met opgetrokken wenkbrauwen aan.
‘Een föhn.’ zei ik ter verduidelijking.
‘Mevrouw Föhn?’

Even was ik van mijn a propos.
‘Nee. Ik kom een föhn ophalen!’
Ik noemde mijn achternaam. De jongen keek me nog steeds met opgetrokken wenkbrauwen aan.
‘Oh! Een föhn!’ Hij lachte en liep naar het magazijn.

Ik opende mijn rugzak alvast. Daar zou het prima in passen. Meneer kwam terug met een enorm pakket.
‘Kan het nog groter?’ vroeg ik.
‘Ze pakken het altijd goed in.’
‘Het is twee keer zo groot als dat ding zelf!’
Ik zuchtte en rekende af.

Met je mevrouw föhn.

Wil je mijn blogstukjes in je mail ontvangen? Abonneer je dan hier.

Als je schaterlacht.

Weet je wanneer ik heel blij word? Als je schaterlacht. Als je de bal voor je voet legt, terwijl je zit, en je met je voet de bal wegschopt. Het gaat best hard. Een zitvoetballer zou zeggen: Dat is een talentje. Maar ja, ik ben een bevooroordeelde tante, ik zeg dat natuurlijk.
Als je schaterlacht vult de kamer zich met vrolijkheid. In die grote schaterlach zit alles.

Afgelopen weken waren papa en mama het zo beu om je die vieze fabrieksmelk (voorgeschreven door het ziekenhuis) te geven en begon mama aan een voor menig diëtist en arts aan een controversieel en niet gemeten nieuwe voeding. Gewoon, normaal eten. Vanaf je geboorte tot na je tweede verjaardag was een aantal keer per dag spugen meer regel dan uitzondering. Voordat je moest spugen werd je misselijk, moest veel kwijlen en kwam het vaak met een golf eruit.

Blended diët kan nu makkelijker door de buiksonde, dat gekke slangetje dat nu uit je maag komt alsof je een klein staartje hebt. Je krijgt een boterham met appelstroop of kipfilet, twee stuks fruithap en avondeten gewoon door de blender fijngemalen als een soort smoothie door je buiksonde. En wat gebeurt er?

Je spuugt niet meer. En je plast weer meer. Je ontlasting is normaal. Je huidskleur is goed. Het is hoe het hoort. Daar krijg je vanzelf een heel blij kind van.

Afgelopen maandagmiddag zaten we beiden op de grond en voetbalden we. We hadden een nieuwe regel bedacht. Als de bal op het kleed terecht kwam moesten we de bal kruipend pakken. Nou ja, in de praktijk kwam het erop neer dat tante Karin die bal kruipend ging pakken en jij kreeg de slappe lach. Je schaterlachte en schaterlachte. Het kon niet leuker!

Even later probeerde je een soort kruiphouding. Met je ‘goede’ been en armen steunde je voorover en wilde je je knie omhoog doen. Dat deed je de laatste tijd wel vaker. Voordat ik naar huis ging deed je het weer. Maar nu had je beide benen opgetrokken en zat je in de kruiphouding met beide knieën onder je buik. Je sterke arm hield je een beetje in balans. Zou het?

Vorige brieven aan Q lees je hier!

Wil je mijn blogstukjes in je mail ontvangen? Abonneer je dan hier.

Als je in een kamer komt die je niet herkent.

Het moet erg unheimlich voelen als je in een kamer komt die je niet herkent waar mensen in een stoel zitten en naar je glimlachen terwijl je bedenkt dat je niet weet wie de personen zijn. Een persoon komt op z’n hartelijkst naar je toe en vraagt je dingen maar je kan het niet thuisbrengen. Zij zegt dat je thuis bent, hier in deze kamer, de woonkamer, ‘waar je graag bij het raam je kopje thee drinkt’ en je laat je meevoeren naar de stoel waar je blijkbaar elke dag in zit.

Even later rijdt iemand je in een auto ergens naartoe.
‘Waar gaan we heen?’ ‘Naar de crematie van je achternicht. Weet je nog? Dat heb ik je net verteld.’ Maar je kijkt beduusd en later fronsend want je had het echt niet eerder gevraagd. Dat wist je toch echt wel zeker. En op de crematie praten mensen tegen je, lachen, omhelzen je, vragen je of je hen nog herkent want het is zo lang geleden! Maar je kent ze niet. Er is geen enkele herkenning, geen blik of gelaatsuitdrukking die een herinnering oproept. En toch zeggen ze allemaal dat ze je kennen, je ooit op die verjaardag nog uitgebreid gesproken hebben over ditjes en datjes maar hoe kun je al die ditjes en datjes onthouden als je de hoofdzaken al vergeet?

En dan is er een mevrouw die bijna elke keer in huis rondloopt die in je kastjes zit, ronddwaalt in je keuken en denkt zomaar koffie te zetten en het bruut voor je neerzet. Je zegt telkens dat ze moet oppassen want die kopjes zijn van je moeder geweest. En als je denkt aan je moeder moet je huilen want je mist je moeder zo. Je wordt paniekerig als je huisgenoot je zegt dat je moeder al jaren dood is. Dat kan toch niet?

’s Nachts lig je wakker in je bed waar je man naast je slaapt. Hem herken je nog wel. Gelukkig wel.

Wil je mijn blogstukjes in je mail ontvangen? Abonneer je dan hier.