Karin Ramaker

Iedereen zat in mijn aura.

Hij zat naast me.
Hij droeg een geel met groene sjaal over zijn spijkerjack met een geel shirt.
Naar mijn idee was hij fan van Ado.
Zijn linkervoet tikte snel en hard op de vloer. Het verraadde een liefde voor hardcore muziek. Door zijn oordopjes heen kon ik de bonkende geluiden horen, net nu ik het allerliefst helemaal niets wilde horen.
Ik wreef even in mijn ogen om de scène erna weer in me op te nemen.
Naast hem zat een man met overgewicht.
Zijn zwarte zijden overhemd zat strak om zijn bovenlijf.
Tussen de kieren van zijn overhemd bij de knoopjes, die verrassend genoeg dicht bleven zitten, zag je oude witte huid. Zijn dikke bovenbeen schuurde tegen de nerveuze hardcoreman aan.
De hardcoreman ging verzitten maar wreef zijn dunne, knokige knie tegen de mijne. Ik schoof mijn benen opzij.
Iedereen zat in mijn aura die dag.

Uiteindelijk bepaalt de tijd en het tempo jou.

Het was in de vroege avond toen we elkaar na lange tijd weer zagen. Buiten op een terras dat geen zon meer kreeg. Het weer was omgeslagen, onze humeuren niet. Ik bedacht me dat het een jaar geleden was en dat het zo niet voelde. Het waren de woorden die we gaven aan de tijd maar in werkelijkheid was de tijd er niet. Er werd een flesje zelfgemaakte olijfolie overhandigd. De olijven waren met zorg geplukt.
Het was net zoals de draad oppakken waar het een jaar ervoor neergelegd was, onaangetast en dus waren de gesprekken onder het genot van wijn en brood vertrouwd.

We gingen later op de avond naar binnen. Het werd fris. Zelfs een vest hield de warmte niet vast. We zaten aan een ronde tafel met spierwit laken. We spraken over het gemis. Dat je iemand kunt achterlaten en kunt missen, dat je zelf iemand voorbij gaat, ook dat ook anderen je achterlaten maar ook dat je iets kunt missen dat ongrijpbaar is. ‘Wat is dat gevoel dan?’ vroeg L. Ik haalde mijn schouders op. ‘Dat is … Oer.’
We spraken over veranderingen. Dat het onvermijdelijk is. ‘Het is zoals de golven van de zee.’ Je gaat mee met de stroming; je roeit met de riemen die je hebt. De tijd en het tempo mag je soms zelf bepalen maar uiteindelijk bepaalt de tijd en het tempo jou. Je kunt ertegen vechten maar dat heeft weinig zin. Ik moest denken aan de molen met de wieken van Don Quichot.

We spraken over geluiden. Dat als je al een tijd in een rustige omgeving verkeert je de stadse geluiden tien keer harder hoort binnenkomen. Dat je de stilte gaat missen en moe wordt van de geluiden van voorbijrazende auto’s. Lopend op een knarsend verhard zandpad met alleen het geluid van de natuur leek minder heftig dan razende motoren. Ik kreeg steeds meer zin in het natuurhuisje dat we hadden geboekt.

Gisterenmiddag vlogen er een aantal straaljagers en later een helikopter over mijn hoofd. Het was Veteranendag. Ik zat binnen maar ik kreeg er een ongemakkelijk en onrustig gevoel van. Toen ik naar buiten ging voor een wandeling reed er in snel tempo een politiebusje voorbij met luide sirene. Later nog meer sirenes. Eigenlijk hoorde ik de hele dag sirenes. ‘Van stad naar platteland.’ stond er ooit in een vermelding over mij geschreven. Ik lachte toen en riep heel hard ‘Ja ja!’

Wachtkamers. Het zijn de kamers waarin je moet wachten.

Wachtkamers. Het zijn de kamers waarin je, zoals al gezegd, moet wachten. Je hoopt telkens dat je niet zo lang hoeft te wachten en bladert wat door een tijdschrift van een jaar oud. Ze liggen opgestapeld in een hoekje op een aftands houten tafeltje dat wellicht bij de Kringloop gekocht is. De Linda ligt bovenop. De Linda is het meest gelezen blad. Dat kun je zien aan de voorkant die afgebladderd en afgescheurd is. Het is door vele handen gegaan.
Er staan stoelen naast elkaar. Nepleer. Net ervoor liepen een man en een vrouw achter een vrouw met witte jas aan. En zij waren al lang aan het wachten dus ik tel uit mijn winst.

Er is altijd een vaste routine als het om wachten gaat. Ik zeg de mensen in de wachtruimte gedag en ga zitten en staar naar een flatscreen aan de muur dat telkens reclame afwisselt met ziekenhuis mededelingen. Ik voel lichte spanning in mijn maag dat ik alleen weg kan laten gaan als ik goed ademhaal. Door de neus in, door de mond uit. Langzaam. Het maakt me kalm. En dan is het wachten opeens niet meer vervelend. En doordat het wachten zo lang duurt vergeet ik dat ik in een wachtkamer zit. Ik bekijk zelfs een fototentoonstelling van een vrijwilliger in de hal ernaast.

De vale lichtgele linoleumvloer, de leestafel, de man tegenover me die op zijn mobiele telefoon kijkt, de schaterbui die ontvlamt in de receptieruimte ernaast, mensen in witte shirts en witte broeken en klompen in allerlei kleuren klik-klak-klik door de hal, een groot schilderij aan de muur dat een tikje scheef hangt.

En dan hoor ik mijn naam. ‘Mevrouw Ramaker?’ Na dertig minuten alles bekijken in die wachtkamer moet ik alsnog mee. …