Wacht maar.

Niets is zo erg als wachten. Er zijn momenten dat je jezelf afvraagt waarom de tijd so snel voorbijgaat en momenten dat je niet begrijpt waarom de tijd voortkruipt. In het wachten zit een stilstand maar dat niet alleen, in de wachtstand kruipen de seconden pesterig aan je voorbij. Wacht maar, het moment komt er …zo aan.

Het wachten in een wachtkamer. Het wachten thuis. Willen opruimen, lezen, werken maar het wachten loert. Wachten op nieuws. Wachten op een telefoontje. Wachten op woorden. Wachten op uitsluitsel. Afwachten.

Wil je mijn blog steunen met een bijdrage? Doneren mag hier.

Wil je mijn blogstukjes in je mail ontvangen? Abonneer je dan hier.

Waar ging dit gesprek mis?

Er komt een bus aangereden met drie negens erop. Voor mij het teken dat deze geen dienst heeft, in ieder geval moet ik niet instappen. De buschauffeur stopt en opent wel haar deur. Ik doe mijn mondkapje op en loop naar haar toe.
‘Wordt dit lijn 1?’
‘Dit ís lijn 1.’
Ik kijk nogmaals naar de drie negens aan de zijkant en vertrouw erop dat het goed is. Ik stap in en vraag voor alle zekerheid of deze lijn 1 naar het centraal station rijdt. Weer vindt deze buschauffeur het een rare vraag.
‘Daar ga ik wel vanuit.’
Ik ook, denk ik met een frons, en ga zitten. Even twijfel ik op ik haar niet vertel dat er nog steeds drie negens op de bus staan.

Mijn mondkapje voelt warm in mijn gezicht van het ademen. Gelukkig regent het niet meer, ik trek mijn regenjas uit. Als de bus wegrijdt en langs haltes gaat, soms stopt en mensen in en uit laat stappen, komt het centraal station in zicht. Ik druk op de knop en ga vast staan bij de zijdeur.
Voordat de buschauffeur stopt en eerst een bocht omgaat kijkt ze in het achteruitkijkspiegeltje.
‘Moet je naar de trein?’
Heeft ze het tegen mij? Ik kijk om me heen en knik.
‘Ik stop wel bij platform G, dan hoef je niet ver te lopen naar de trein.’
Fijn, denk ik, maar ik heb geen haast.
‘Ik koop eerst nog een koffie!’ roep ik terug en bedank haar.
Ze fronst haar wenkbrauwen.
‘Maar dan kun je toch alsnog snel naar de trein?’
‘Eh, ja, prima. Ik ben hier niet bekend, ik weet niet waar platform G is maar erg bedankt, maar als ik verder moet lopen geeft het niks.’ Ik wilde haar niet beledigen, verkeerd inschatten of wat dan ook. Het was goed bedoeld, helemaal fijn, maar als ik verder had moeten lopen, bedoelde ik, was het ook prima geweest.
Onderweg naar de Albert Heijn om daar een kop koffie te kopen vraag ik me af: waar ging het in dit gesprek mis? Ik loop naar perron drie en zie de trein al staan. Als ik een plekje heb gevonden bij het raam sluit de trein de deuren en vertrekt.

Wil je mijn blog steunen met een bijdrage? Doneren mag hier.

Wil je mijn blogstukjes in je mail ontvangen? Abonneer je dan hier.

Wat had ik dit graag willen doen.

Er is een filmpje doorgestuurd van mijn neefje die logopedie les krijgt. Door middel van plaatjes kan hij aanwijzen wat hij graag zou willen dat de logopedist doet, in dit geval grote bellen blazen. Hij gebaart met zijn hand dat hij het nog een keer wil. De logopedist blaast een grote bel die uiteen spat op de tafel. ‘Nou is ie….?’ Neefje wacht heel even. Dan zegt hij heel zachtjes ‘Weg.’

Wat had ik dit graag willen doen, bedenk ik me, terwijl ik het filmpje voor de zoveelste keer afspeel. Later ontvang ik nog een filmpje tijdens de logopedie les. Neefje mag kiezen uit grote bellen blazen of kleine bellen blazen en zegt ‘grote.’ Hij leert de taal te spreken, soms onwennig met een wollige W en een zachte, onzekere G maar hij oefent. Ook de gebaren zijn cruciaal. Het is fijn om te zien hoe hij groeit in zijn taalbeleving en ontdekt welke klanken er zijn en dat hij ze leert uitspreken. Ik stuiter bijna van mijn stoel van opwinding. Wat bijzonder en mooi!

’s Middags zit ik met mijn oppaskinderen, die ook Nederlands moeten blijven oefenen, te praten. Voor hun is het ook lastig soms om woorden te vinden voor wat ze willen zeggen. Er vallen soms lange pauzes, die laat ik ook zo, er moet nagedacht worden. Er wordt gesproken over klanken die anders zijn in het Frans dan in het Nederlands. Ze vinden het vreemd als ik toch een woordje Frans uitspreek. De jongste wijst naar een gek beest in een boek. ‘Dat ies un Monstre.’ ‘Dat is een monster.’ beaam ik.
Later maak ik huiswerk met de jongste. Hij wil eigenlijk niet. Voelt zich onzeker en durft niet goed, bang dat het misschien niet goed is. Ik merk hoe dapper je moet zijn om wel te durven. Om wel de klanken te uiten zodat anderen je horen.

Mijn tweede baan na mijn opleiding was er eentje die viel of stond met lef en uitproberen. De school had weinig geld, of wilde in ieder geval geen nieuwe fulltime remedial teacher aannemen. De onderwijsassistent zou aanvullende taken kunnen overnemen. Met enige nukkigheid werd ik in het team remedial teachers gezet om te ondersteunen. Zij hadden ook geen extra tijd. Met name kinderen van groep drie met taalachterstand zouden met me mee gaan om bijles te krijgen. In eerste instantie vonden ze het helemaal niet leuk om uit de klas gehaald te worden. Kijk, daar gaan die kinderen die niet goed kunnen leren, werd gedacht. Al snel wilde ik dit omdraaien. Het zou een feestje moeten worden om mee te gaan. Als je opgehaald werd zou je iets leuks gaan doen. Iets leuks en leerzaam. Ik maakte spelletjes van de AVI woorden. We maakten zelf liedjes om de woorden te automatiseren. Kinderen die meegingen sprongen na een tijdje op uit hun stoel om mee te gaan. En tijdens de rapportenvergaderingen waarbij de collega remedial teachers wederom aankaartten dat ik eigenlijk niet bevoegd was om iets met die kinderen te doen, onderbrak de lerares hun betoog. De kinderen waren in niveau omhoog gegaan dus voortzetten van de groep was wel aan te bevelen. Ik begreep dat mijn collega’s het niet oké vonden dat ik ongediplomeerd hun werk overnam en dat ik, als ik heel eerlijk was, veel deed op gevoel. Woorden leren automatiseren was niet alleen een aanwensel maar dat de kinderen in dat kamertje het gevoel hadden dat ze fouten mochten maken, dat ze niet uitgelachen werden en dat ze veel complimenten ontvingen als hen iets lukte was meer mijn taak dan wat dan ook. En het werkte, en daar was ik trots op.

Even later ontvang ik weer een filmpje. Neefje zit op de bank en kijkt naar buiten naar de regen. Hij vindt de regen mooi. Dan doet hij zijn arm omhoog en maakt een klank. En dan nog een keer. ‘Hoog.’ Hij probeert alle klanken te maken. De H is moeilijk maar hij probeert het. En de G maakt hij mooi rond af. Als ik mijn opleiding opnieuw mocht kiezen, dertig jaar geleden, zou ik de taal aan kinderen willen overbrengen. Als gastouder doe ik dat ook, maar in een andere vorm.

Wil je mijn blog steunen met een bijdrage? Doneren mag hier.

Wil je mijn blogstukjes in je mail ontvangen? Abonneer je dan hier.

Corona is stom.

Als ik de bus uitstap gooi ik mijn mondkapje in de eerste de beste prullenbak en loop naar de draaideur van het ziekenhuis. Eerst handen ontsmetten. Ik zie een stel het ontsmettingsmiddel dat buiten staat negeren en ze lopen met z’n tweeën door de draaideur. Ook daar is aangegeven dat je via de draaideur met een persoon naar binnen mag. Er staat een jongedame met een geel hesje vooraan in de hal maar checkt haar mobiel. Ik zoek eerst het toilet op, app mijn broer en wacht in de hal. ‘We zitten boven. Maar wij mogen niet meer naar beneden komen, ook niet om te lunchen, en jij mag niet naar boven.’
Kak.
Ik besluit een koffie te gaan halen. Er staat nergens aangegeven bij welke kant van het restaurant je naar binnen mag, ik sta eerst verkeerd, loop dan naar de andere kant en sluit aan op afstand van een paar mensen die alles aanraken wat er in de vitrine ligt en weer terugleggen.
Als ik mijn koffie heb kijk ik om me heen. Het restaurant is helemaal leeg. Geen linten. Wel weer een meisje in geel hesje dat op een tafel zit en op haar mobiel kijkt.
‘Waar kan ik zitten?’
Ze kijkt om zich heen.
‘Hier niet.’
Als ze nou een paar tafels hadden vrijgegemaakt en de rest weggehaald of met linten afgezet hadden bezoekers nog even een rustmoment. Ik loop met hete koffie de hal in. Nergens een stoel.
Ik heb geen puf om me kwaad te maken. Bij de apotheek staan ze in een rij te wachten maar ik betwijfel of het op anderhalve meter is. Artsen en verpleegkundigen lopen heen en weer door de hal zonder beschermende middelen, geen mondkapjes, misschien niet nodig, maar ik kan niet naar mijn moeder die voor allerlei onderzoeken en gesprekken de hele dag boven zit. Gelukkig is ze niet alleen maar ik had gehoopt even met broer en moeder te kunnen samenzijn. Te kunnen praten.
Corona is stom. Niet altijd zijn de regels te begrijpen, voor mij niet altijd consistent. Mensen in de hal staan dicht bij elkaar, lopen in en uit en mengen zich tussen het verplegend personeel. Oudere mensen, zieke mensen, kinderen.

Ik zit uiteindelijk op een stoel waar ik eigenlijk niet mag zitten. Ik drink mijn koffie en staar de lange hal in van het ziekenhuis. Volgende week ligt mijn moeder daar dus alleen.

Wil je mijn blog steunen met een bijdrage? Doneren mag hier.

Wil je mijn blogstukjes in je mail ontvangen? Abonneer je dan hier.