Categoriearchief: werk

rustig aan doen

Rustig aan doen.

Afgelopen week wist ik dat ik het rustig aan moest doen. Rustig aan doen lukte me wel. Ik had immers verse littekens op mijn buik en een flinke nawee van de narcose dus hield ik me erg rustig. Ook wist ik wat me te wachten stond want in 2013 had ik een vergelijkbare operatie. Totdat ik mailtjes kreeg met uitdagende werkverzoeken. Dan wordt ‘jezelf rustig houden’ een ander verhaal.

Afgelopen dinsdag zat ik gestrest in de auto. Google Maps bracht ons via de toeristische route via een file-omweg naar een plek waar ik geen zin in had, maar ook weer wel. Een ziekenhuis is geen bioscoop, speeltuin of lekker restaurant. Het is er saai, benauwend en vooral omgeven door stress. En toch wordt je er geholpen, als het goed was.
Vriendlief gooide me bijna letterlijk de deur uit bij de ingang terwijl ik door een draaideur, die tergend langzaam draaide, via de lift naar afdeling 8B rende om me precies één over negen te melden bij de balie. Het bleek al die stress niet waard; ik werd pas ‘klaargemaakt’ voor OK om 10.30. Tijd zat dus. …

Die narcose was een verhaal op zich. Terwijl ik eerst een half pilletje moest innemen om ‘rustig te worden’ en ik in de hal lag voor de OK kwam een anesthesist naar me toe met een dame die nog moest leren. ‘In welke hand wil je je infuus?’ ‘Doe maar links.’ zei ik, maar ik vroeg wel om voorzichtig te doen. Vorige keer had ik erge pijn aan die ene hand nadat het infuus erin gejast was. De dame die moest leren werd er prompt zenuwachtig van. Terwijl ze haar spulletjes bij elkaar zocht mompelde ze in zichzelf. ‘Eerst moet dit en dan … eh … dat.’ En toen nam ze een eerste poging tot infuus inbrengen. Die mislukte. ‘Oh jee, hij lukt niet.’ Poging nummer twee volgde. Ze kreeg er een kleur van. Ik ook. Van frustratie. Opeens stond er een opgefokte autoritaire man naast mijn bed. Hij droeg blauwe kleding net als de rest van de mensen om me heen. Hij wees naar de dame die moest leren en beval haar haar kapje op te doen. Het was een man die geen tegenspraak duldde. Een arts. De dame die moest leren was niet bepaald van het genre kalm blijven als een arts bevelend tegen haar sprak dus raakte ze in de war. ‘Nu!’ riep de arts. Het voelde een beetje gênant om er tussenin te liggen. Uiteindelijk moest de anesthesist het infuus inbrengen nadat het erg lastig was een goede ader te vinden.

 

Niet lang erna werd ik licht in mijn hoofd en vielen mijn ogen dicht.

 

In de OK schudde ik de hand van mijn arts. Hij zou me opereren. ‘Ben je gespannen?’ vroeg hij. ‘Een beetje.’ zei ik. De anesthesist vroeg ineens aan mij op welk eiland ik wilde zijn. Ik was er hevig door van mijn apropos. Ik kon geen eiland bedenken. Een eiland? Waarom moest ik bedenken op welk eiland ik zou willen zitten? Plotseling kreeg ik een kap om mijn mond. ‘Rustig ademen, hoor.’ De anesthesist had duidelijk wel zin in de voorstelling van een eiland. ‘Nou, vertel. Welk eiland wordt het?’ Ik keek hem even veelbetekenend aan. Ik wees naar mijn mondkapje. ‘Ik kan niet goed praten nu!’ ‘Oh ja…’ zei hij. Niet lang erna werd ik licht in mijn hoofd en vielen mijn ogen dicht.

Een ingreep is zo gepiept als je onder narcose bent. Voor je het weet zit je weer in je bed en heb je honger. Althans, ik wel. Toen ik tegen etenstijd net een beschuitje met jam achter mijn kiezen had kwam een kwieke Surinaams uitziende verpleegkundige de zaal op en riep met een luide stem of iedereen kip of rundvlees lustte. Even later schoof de verpleegkundige een grote bak met deksel op mijn bijzettafel. Toen vriendlief de deksel eraf haalde kwam mij een penetrante etenslucht tegemoet en voelde ik me lichtelijk misselijk. ‘Doe maar weer dicht.’ stamelde ik. Daarna verdween mijn beschuitje met jam in een kotszak.

‘s Avonds laat kon ik zelfstandig naar de badkamer, had ik inmiddels drie (!) beschuitjes met jam gegeten en wilde toch naar huis. Dat mocht ook van de arts, die nog even een evaluerend gesprekje hield waar ik de helft alweer van vergat op het moment dat ie weer weg was. Tegenover mij lag een dame, ongeveer net zo oud als ik, die zich ook niet al te best voelde. Terwijl vriendlief en ik aan het babbelen waren hoorden wij van achter een donker oranje gordijn een dame over haar nek gaan. Niet in haar bed. Op het zeil. Misschien kwam dat omdat mijn buurvrouw geen kip of rund wilde eten maar haar vriendje nasi had laten brengen.

Rustig aan doen

 

In de auto reed vriendlief zachtjes over drempels en durfde ik mijn ogen niet open te doen. Als ik mijn ogen opendeed en uit het raam keek voelde ik mijn maag weer draaien. In het donker, bijna thuis, vroeg ik of de auto aan de kant mocht. En of hij een plastic zakje had. Qua timing zat ik helemaal goed. Mijn drie beschuitjes verdwenen, helaas, in een Albert Heijn zak. Thuis ging ik meteen naar bed. Ik moest rustig aan doen deze week. Aansterken.

En dan komen er mailtjes. Ik had mijn ‘ik ben weg’ modus vergeten aan te zetten. Maar ik zou wel leuke, interessante gesprekken tegemoet gaan de komende tijd. Met mij gaat het weer beter en begin ik weer rustig aan met drie uur werken buiten de deur en bouw ik het netjes op. Veel willen in je hoofd zorgt voor onrust in je lijf. Daar kun je kwaad om worden, gefrustreerd om zijn en verdrietig maar het helpt niks. Toen ik het liet gaan ging het een stuk beter.

(Dagen later wist ik ineens op welke plek ik wilde zijn. Tulum, Mexico.)

Als zzper wacht ik weleens lang op een betaling.

Met deze blogpost probeer ik begrip te kweken. Niets meer of minder dan dat. Voor de zzp’er die opdrachten aanneemt en soms 60 tot 90 en ik las zelfs in een besloten discussie 180 dagen moet wachten op betaling van een opdracht. ‘Zo werkt dat bij ons.’ ‘Policy.’ ‘Kunnen we niets aan veranderen.’ ‘Daar ga je mee akkoord.’
Bij de bedrijven waar dit bij mij is overkomen heb ik meestal heel veel geduld gehad, totdat ik eens ging polsen. Begrijp me niet verkeerd, ik heb hele leuke en fijne opdrachten mogen doen met enthousiaste mensen bij deze grote bedrijven. Leuke bedrijven. Ik werk graag voor hun. Maar het went niet, dat gevoel van lang wachten op je geld.

Voor een vaste werknemer maakt het namelijk helemaal niet uit. Of hij nu heel hard werkt, veel ziek is of uit zijn neus pulkt, aan het einde van de maand staat er een bedrag op zijn rekening. Ook een vrije dag wordt gewoon doorbetaald. Daar staat de vaste werknemer niet of onvoldoende bij stil denk ik. Voor een zzp’er is dit een heel ander verhaal. Een zzp’er werkt naar arbeidsuren. En als zzp’er mag je blij zijn dat je een behoorlijke buffer hebt zodat je (tijdelijke) gaten kunt opvullen. Als je veel gaten moet opvullen snoep je die zelfde buffer langzaam op en is je boekhouding scheef totdat er na een maand of twee, drie of langer uiteindelijk toch een betaling is. Kun je weer terugstorten, hevelen en verwerken. Het is niet mijn favoriete klus. Het is niet leuk om na te mailen, na te bellen en nog eens na te vragen en nog eens te bellen. Eerlijk? Ik vind dit het enige nare aan het zelfstandig ondernemerschap.

Hoe ga jij als zzp’er hiermee om?

Het is ook prettig als je als zpp’er freelance inkomsten hebt die maandelijks binnenstromen. Een soort basis. Ook hier heeft lang niet elke zzp’er zo’n mogelijkheid. ‘Daarom laat ik het ook vooruit betalen!’ zeiden een aantal zzp’ers alsof dit de meest logische oplossing was. ‘Dat is mijn policy!’ zeiden nog een aantal zzp’ers. ‘Ik laat altijd 50% vooruit betalen.’ Dat is fijn als dat geregeld kan worden. Een stukje zekerheid. Maar dat kan dus lang niet altijd.

Zeg je dan tegen deze opdrachten toedeloe? Eerlijk? (Ik vraag het je eerlijk.)

Ik heb de afgelopen tijd veel nagedacht over wat betaling van werk betekent – voor mij als zzp’er. Het gaat ergens niet eens over dat bedrag. Ja, ook, natuurlijk. Mijn schoorsteen moet ook roken. Maar het betekent veel meer dan dat. Het is waardering uiten voor geleverde diensten. Het is loyaliteit. Ergens vind ik het zo ouderwets, deze lange uitstel van betaling aan een eenpitter die het vaak hard nodig heeft. Er komen steeds meer zzp’ers bij die opdrachten uitvoeren. Bedrijven maken steeds meer gebruik van eenpitters om diensten te leveren. Ik vind het niet meer passen. Waarom betalen sommige grote bedrijven zo laat uit? (En ik weet ook dat het anders kan.) Waar ligt het nou aan? Wat kan ik eraan doen? Mijn algemene voorwaarden bij een offerte heb ik al aangepast. Ik vraag vanaf nu een percentage vooraf omdat ik dat een tussenweg vind.

Hoe ga jij als zzp’er hiermee om?

Artikel: Meerderheid zzp’ers en kleine bedrijven wacht op betaling.

 

Prietpraat in de kinderopvang.

In de jaren dat ik werkte in de kinderopvang heb ik vele anekdotes verzameld van gesprekken met kinderen. Het zijn de meest informatieve, speelse en meest rake opmerkingen en gedachten die kinderen aan me vertelden. Menig volwassene kan daar een puntje aan zuigen, vind ik. De leukste anekdotes en prietpraat gesprekken van mijn tijd in de kinderopvang heb ik hieronder verzameld, voor jou om te lezen. Haal er veel plezier uit, maar vooral ook wijsheid.

Ik wil S. (3 jaar)’s middags uit bed halen.
“Kom je eruit?”
S: “Nee, ik blijf nog even liggen.”

///

‘Wat heb jij gedaan in het weekend?’ vraag ik aan R. (3,5 jr.)
R. denkt een moment na.
‘Oh, we gingen wat klooien in de schuur.’

///

kinderopvang anekdotes

 

T. (2 jaar) zit aan tafel en krijgt een boek aangereikt. Er staan wel plaatjes bij maar ook heel veel letters op.

“Dat kan ik toch niet lezen!” legt hij beduusd uit.

///

 

We zitten aan tafel en ik vraag aan T (3,5 jaar:) 
“Wat wil je later, als je groot bent, worden?”
Hij denkt even na.
“Ik word later prinses.” zegt B. (3,5 jaar.) T. weet het.
“Ik word brandweer!”
“Wat doe ik eigenlijk?” vraag ik dan. Hij denkt lang na.
“Jij doet groot werk.” zegt ie dan en knikt.

///

“Toffie tinken!” zegt S (2 jaar) en geeft me een plastic kopje.
“Dank je wel.” zeg ik en doe net of ik de koffie helemaal opdrink.
“Op?” vraagt ie.
Ik knik en neem vervolgens mijn eigen kop koffie ter handen.
“Toffie tinken!” roept ie weer.
“Kijken?” vraagt ie dan.
Ik laat hem de koffie zien.
“Ook toffie tinken.” Hij wijst met z’n vinger.
“Wil je ook koffie drinken?” vraag ik.
De koffie is behoorlijk afgekoeld. Ik laat hem een slokje nemen.
Hij trekt een vies gezicht.
“Lekkuh!” zegt ie dan.

///

Leidster: “Ja, ik heb je twee keer gewaarschuwd! Dat is dan eigen schuld, dikke bult.
J (3 jaar) verontwaardigd: “Ik heb helemaal geen dikke bult!”

///

De kinderen zitten netjes op de grond bij de ini mini wc’s. Op een krukje verschoon ik de kinderen die net op de w.c gezeten hebben en een schone luier nodig hebben. T. (3,5 jaar) zit aan zijn piemel.
“Hij zit aan z’n piemel.” roept S (2,5 jaar) en wijst.
“Ja.” zeg ik alleen, wetende dat ik er maar verder geen woorden over vuil moet maken. Dat doen jongens nu eenmaal. Dat zit er al vroeg in.
“Meisjes hebben geen piemels.” gaat S door met haar uitleg.
“Nee?” vraag ik. “Wat hebben meisjes dan?”
“Meisjes hebben een muisje.”
Ik denk dat ik het verkeerd verstaan heb.
“Wat hebben meisjes?”
“Meisjes hebben een muisje.”
Ik vraag me af of S, het allemaal wel op een rijtje heeft.
“Waar zit je muisje dan?” vraag ik toch nog even door.
Ze wijst naar haar ‘meisjesplasser.’
Collega heeft het toevallig ook gehoord en begint te lachen.
“Da’s nog eens wat anders dan een poes!”

///

Er werd, tijdens de lunch, voor een keer Fristi gedronken.  
‘Roze melluk.’
“Ik wil witte melluuuk!” huilde T.
“Daar hoef je niet om te huilen! Als je het gewoon even vraagt, dan krijg jij witte melk.”
“Bij papa in de kroeg hebben ze ook die.” riep S enthousiast en wees naar de geopende pak ‘roze melluk.’
“In de wat?”
“Bij papa in de kroeg hebben ze ook die.” Ze wees weer.
“Gaat papa dan biertjes drinken?”
“Ja. En dan valt ie van de kruk en moet ie spugen.”

///

T. (3,5 jr) laat een boertje.
“Oh oh,-” zegt ie dan, “Ik had een buikfriemel!”

///

T (3,5 jr) eet zijn laatste broodkorst op en laat een boer.
“Wat zeg je dan?” vraagt collega leidster, gespeeld streng.
T kijkt even vragend, denkt na en zegt dan:
HOPPAAAAH!!”

///

s’ Middags zingen we liedjes.
“Tien kleine visjes, zwemmen in de zee”
T (3 jr) roept: “Nee, nee, nee, doe er maar twee! Anders duurt het zo lang.”

///

Mijn neus kriebelt, en dat vertel ik de kinderen dan ook.
Zegt A: (3,5 jr.)
‘Dan moet je gewoon terugkriebelen.’

///

‘Mijn opa is dood.’
‘Oh. Was hij ziek?’
Er keken een paar peuters van achter auto’s, boeken en klei naar N.
‘Ja. Heel ziek. En nu is ie dood.’
‘Waar is ie nou dan?’ vroeg ik.
‘In de lucht.’

Een echte vrouw werkt fulltime.

Na het lezen van de column van Japke in de NRC over ‘parttime vrouwen, ik begrijp ze niet’ vond ik het achteraf vreemd om, via Twitter, vrouwen te vragen waarom ze wel of niet parttime werken en waarom. Wat wilde Japke nou echt onderzoeken? Haar column leek meer een sneer dan een uitleg. Het zorgde ervoor dat ik in verwarring nogmaals las. Er ontstond meteen een felle, naar mijn idee niet goed beargumenteerde discussie met de eindredactrice van Fab Magazine, notabene een blad dat ik regelmatig las. Hoe haalde ik het in mijn hoofd om de geïndoctrineerde vrouw te verdedigen! ‘De vrouwen in Nederland zijn lui en afhankelijk!’ aldus de eindredactrice van Fab.
Ik ben een ondernemende vrouw, altijd zelfstandig geweest of ik nu een partner had of niet en ik werkte ooit in de kinderopvang. Naast blogtrainer ben ik ook nog gastouder, met veel liefde en plezier.
Ik zorg dus voor de kinderen van andere mannen en vrouwen die vaak fulltime werken. Een baan die ik tot voor kort als een gewone baan zag, maar toen ik me laatst bedacht dat een gemiddelde metselaar die stenen huizen bouwt meer uurloon overhoudt dan de gastouder die de verantwoordelijkheid neemt voor andermans kinderen, werd ik even teruggeworpen in mijn normen- en waardenstelsel.

‘En wat vraag jij per uur?’ vroeg laatst een moeder die opvang nodig had. ‘Oh, dat is best veel. Dan kijk ik of het buurmeisje wil.’ WTF!!

Japke d. Bouma: ‘Al die parttime vrouwen in Nederland, ik snap ze gewoon niet’

Jaren geleden werd een vriendin van mij zwanger. Ze hadden het er wel een beetje thuis over gehad, zelf werkte ze fulltime in de kinderopvang en hij was accountant, hoe ze de verzorging gingen verdelen van de toekomstige kleine. Nadat manlief gecheckt had op zijn werk bleek het niet handig om een dag (of wat) minder te gaan werken. Financiëel was dit niet voordeliger dan als vrouwlief een dag of twee minder zou werken.
Wat doe je dan, als bijna ouders?

Ik mag aannemen dat je, als je een ernstige kinderwens hebt, je er heel erg graag voor dat kleintje wil zijn. Een kind is geen huisdier, geen speelgoed en geen accessoire. ‘Kinderen zijn zo schattig!’ is een kreet die ik meteen onderuit wil halen. Ja, kinderen zijn ontzettend lief. Soms. En soms slapen ze ’s nachts niet door, willen ze hun grenzen verleggen en plak je ze op sommige momenten het liefst achter het behang en worden ze bovendien niet vanzelf zindelijk, slopen ze, als je niet uitkijkt, je bedrading, tekenen ze ook op je spierwitte muur en als je echt pech hebt je bank en krijgen ze driftbuien in de supermarkt. Er is niet voor niets een onderzoek geweest waaruit bleek dat geluk niet persé voortkwam doordat je het ouderschap omarmt. Opvoeden op een pedagogisch verantwoorde manier gaat niet vanzelf. Ik ben soms verbaasd dat menig ouder niet weet dat je bij een kind van twee geen Heimlichgreep doet (Wat?) als ie dreigt te stikken en wat krentenbaard is. Ouder zijn, is kei hard werken. Niet even, altijd. Altijd!

Ik kan me voorstellen dat vrouwen die gestudeerd hebben en jarenlang geïnvesteerd hebben in een eigen bedrijf, vakgebied of werkterrein niet zomaar alles aan de kant willen schuiven voor het ouderschap. Bovendien ben je niet alleen maar moeder maar ook nog ‘mens’. En ja, dat geldt ook voor mannen. En ja, mannen kunnen net zo goed opvoeden als vrouwen. Ze doen het vaak nét even ietsje anders, maar als je als vrouw even een stapje terug doet en de controle uit handen geeft, komt alles op z’n pootjes terecht. Wat ik meekreeg in de gesprekken tijdens mijn voorgaande werk in de kinderopvang was dat de vrouwen ook zelf dachten dat zij het beter konden. Er werd zelfs was, die de man netjes had opgevouwen, weer opnieuw opgevouwen en in de kast gelegd. Vrouwen weten het nu eenmaal, als puntje bij paaltje komt, altijd beter. Kijk maar naar die Jumbo reclame waar de man als een idiote loser genaaid wordt waar hij bij staat.

Snap ik parttime werkende vrouwen? Ja. Niet omdat ze ervoor kiezen hun werk te delen met ouderschap, waarvoor ik ze eigenlijk zelfs zeer complimenteer. Op menig borrel kijkt men je een beetje schaapachtig aan als je ‘fulltime moeder’ beweert te zijn. Kán toch niet in deze tijd! Ik neem mijn pet voor deze moekes af. No offense.
Ik snap de ellende van constant in een spagaat liggen. Mannen die worden gebeld op hun werk kunnen gewoon niet weg, moeders stikken in hun schuldgevoel en trekken zich uit de spagaat omhoog om hun kroost op te halen.
Er zijn te weinig kinderopvangcentra die helemaal aansluiten op de werktijden van ouders, er zijn te weinig kinderopvangcentra die in een bedrijf aanwezig zijn en er zijn in Nederland te weinig flexibele werktijden om werk en kinderen te combineren. Maar, werken we ook niet allemaal heel erg veel en komt er steeds meer werk bij? Moet een kind nou echt de hele dag naar school en dan ook nog naar de NSO en dan ook nog daar eten en dan televisie kijken en dan doodmoe naar bed?

De column in de NRC moest ik wel drie, vier keer lezen. Wat bedoelde ze nu eigenlijk? Ik zag de titel. Parttime vrouwen. Hahaha, grapjas! Dat is precies wat ik verkondigde in een verontwaardigde tweet.

‘Blijkbaar ben je een echte vrouw als je 100% werkt.’

Mannen verdienen nu eenmaal nog steeds meer voor hetzelfde werk dat zij doen als vrouwen. Zolang dat blijft bestaan hou je dit soort gesprekken thuis tussen twee toekomstige ouders die beiden willen blijven werken en willen zorgen. Je kunt niet een beetje werken maar je kunt dan ook niet een beetje zorgen. Ergens zul je iemand moeten hebben die de zorg overneemt want een kind verzorgt zichzelf nu eenmaal niet. En dan maak ik het cirkeltje met deze blogpost meteen rond:

Wees blij met die trouwe gastouder of oppas die voor een paar euro per uur op jouw grootste geschenk past. (WTF!!) Ze brengen je kinderen naar school, halen ze van de NSO en sjezen door weer en wind naar clubs en feestjes en zijn niet te beroerd om te koken, tijdens ziekte toch maar die ene zetpil in hun poepert te duwen omdat ie op het kinderdagverblijf uitgewerkt was en de leidster alsnog naar je belde dat je kind met koorts naar huis moest!

Sta even stil bij het feit dat er talloze gastouders en oppassers zijn die jouw oudertaak op zich nemen, met liefde en aandacht, en de eerste stapjes zien, losse tanden eruit halen en troosten omdat papa of mama ‘ietsje later’ thuis komt.

Wat ik ellendig vind aan deze hele toestand is dat vrouwen vrouwen afvallen. Er is geen goed en fout. De ene vrouw kiest ervoor om fulltime te blijven werken en wil haar ambities nastreven en de andere vrouw kiest ervoor om naast haar werk, dat zij leuk en belangrijk vindt, voor haar kinderen te zorgen.
Iedereen kiest zijn eigen geluk, werken is niet alles en als je op je sterfbed twijfelt of je het allemaal hebt goed gedaan, herinner jezelf er dan even aan of je toch iets meer had moeten werken of toch meer wilde genieten van je tijd met je dierbaren; bijvoorbeeld je kinderen.

En ja, natuurlijk, dat geldt óók voor mannen!

(Deze blogpost bevat 1224 woorden.)

Pas op: ik onderneem. En heb ook een tatoeage!

“Met een tattoo zet je jezelf buiten spel, vindt Renée Braams.”

Lees hier waarom ik lak had aan het idee dat een persoon die onderneemt geen tatoeage zou moeten nemen omdat het haar geen werk zou kunnen opleveren.

‘Een tatoeage geeft aan mij de boodschap: ik heb lak aan alles en iedereen’

Het duurde lang, de weg naar de tatoeagewinkel. Met enorme zorgvuldigheid en nadenken zette ik een aantal jaren geleden dan eindelijk de tatoeage waar ik nooit, nooit spijt van zou krijgen. Het zou mijn kompas worden, mijn wegwijzer, mijn houvast, mijn gevoel van bestaan en zoveel meer dan wat ik hier beschrijf.
Geen ‘what the fuck‘ tatoeage, geen ‘doe mij die maar’. Misschien dacht ik er al tien jaar over na. Voor een soms impulsieve en ongeduldige tante was ik hier erg geduldig en zorgvuldig mee en wist ik ook pas na zoveel jaren wat ik wilde, hoe ik het wilde en waar ik het wilde. Weloverwogen, goed doordacht en met trots en volle overtuiging. [zie deze foto.]

Mijn tatoeage zegt niets, niets over mijn achtergrond, intelligentie, waarden en normen. Bovendien is het naar mijn mening totaal geen zelfverminking, zoals mevrouw Braams dit noemt. En eigenlijk geeft mevrouw Braams het zelf al aan, ze las eerst een interessante column van Henk van Straten, niet wetende dat hij tatoeages had. Ze vond zijn schrijven goed, knipte de columns zelfs uit en stopte ze in een knipselmap. Pas nadat ze erachter kwam, bij toeval, dat meneer van Straten tatoeages had tot in zijn hals (!) besloot zij zijn columns niet meer te lezen.
Zij had lak aan hoezeer zij, onbevooroordeeld, werk las van een columnist en weloverwogen de keus maakte dit werk opzij te leggen.

‘Ik ben bang dat de tweedeling tussen degenen die kunnen bereiken wat ze willen en degenen die afhaken, steeds groter wordt.’

Mevrouw Braams, er zijn heel veel mensen die lak hebben aan alles en iedereen. Ze zitten naast je in de trein, bus en tram, staan naast je in de file, zelfs de cassiere bij de Albert Heijn zou best eens lak aan van alles kunnen hebben terwijl zij geen enkele tatoeage op haar lichaam draagt. De tatoeage zegt namelijk niets over iemands intentie om contacten te leggen, mee te voelen en hard te werken. De tatoeage is wat u bang maakt. Waar bent u bang voor, mevrouw Braams?

Vijf jaar geleden besloot ik voor mezelf te beginnen. Dat is hard werken geblazen, mevrouw Braams. Ik denk zelfs dat ik soms ietsje harder werk om in mijn behoeften te voorzien dan iemand die een vaste baan heeft. Mijn pensioen, vakantiegeld en werkuren regel ik namelijk zelf. De opdrachtgevers kiezen mij uit op kwaliteiten, potentie en werkervaring en soms de gunfactor. En dat lukte zonder tatoeage, en vanaf 2011 zelfs met. Logisch ook, natuurlijk, want mijn opdrachtgevers oordelen niet op wat er eventueel op mijn arm staat.

Lees hier de reacties van andere mensen met een tatoeage.