Karin Ramaker

Fristi!

Er werd voor een keer Fristi gedronken. ‘Roze melluk.’
“Ik wil witte melluuuk!” huilde T.
“Daar hoef je niet om te huilen! Als je het gewoon even vraagt, dan krijg jij witte melk.”
“Bij papa in de kroeg hebben ze ook die.” riep S enthousiast uit en wees naar de geopende pak ‘roze melluk.’
“In de wat?”
“Bij papa in de kroeg hebben ze ook die.” Ze wees weer.
“Gaat papa dan biertjes drinken?”
“Ja. En dan valt ie van de kruk en moet ie spugen.”

Ik herhaal nog maar eens:
Mellllk is goed voor ellllk.

Anne was niet haar naam.

Middenin de nacht, toen hij op zijn eigen helft lag, gevouwen op zijn zij, maakte zij zich los uit een wirwar van haren en wreef over haar wangen, voorhoofd en knipperde met haar ogen voordat ze de neonverlichting vaag zag schijnen in het donker. De wekker sloeg net een minuutje over. Het was drie uur drie-en-dertig.
In de vage duisternis hoorde zij langzame, licht bedwelmende zacht uitgesproken woorden. Een murmering van losse woorden; gemompel in de nacht.
Ze spitste haar oren, keek achterom en luisterde. Hij sprak in zijn slaap dolende woorden. Onsamenhangend en bijna onverstaanbaar.
Niet helemaal onverstaanbaar. Hij noemde een naam. Meerdere malen noemde hij een naam. Als in een hunkering. Als in een troosteloze afscheid. Hij leek te smeken. Te vragen. “Anne?” fluisterde hij.
“Anne.”
Met een zucht legde zij haar hoofd weer op een wang, duwde ze haar dekbed strak om zich heen en sloot haar ogen. Ze liet tranen over haar neus op het laken vallen. En zij huilde.
Want Anne was niet haar naam.

NIET GEWEEST.

gedichtendag

Hoe kon je iets verprutsen
als het niet eens begonnen was
Een blanco papiertje
met lijnen zonder tekst
Een open brief zonder afscheid
omdat een begin niet eens geschreven was.

Er was helemaal niets verprutst
omdat niets ooit begonnen was
De wind waaide zonder iets te verplaatsen
er was helemaal niets weg te werpen
als een bal dat het doel nooit trof.