Licht in het donker.

Vorig jaar rond deze tijd liep mijn moeder op een middag door een ruïne, zo leek het. Alles wat ooit voor huis en kamer moest doorgaan was nu kapotgeslagen. Wanden waren verdwenen en er waren alleen nog maar brokken steen en er was stof. Te midden van die puinhoop stond ze in haar kwetsbaarheid om zich heen te kijken. Haar schouders licht gebogen, haar hand mijmerend voor haar mond. De verbouwing zou ervoor zorgen dat de kamers weer gebruikt konden worden zoals het bedoeld was. Heropbouw.

Het was een impulsieve lik verf op een canvasboard. Licht in het donker. Precies zoals ze daar ooit stond.

Licht en donker 2022

Begrijp je wat ik bedoel?

Twee mannen, gelijkgestemden, zaten gisteren tegenover elkaar in een televisie programma. De een interviewde de ander. Ik was eigenlijk half in mijn boek gedoken omdat ik de formule van het programma niet langer meer interessant vond. Maar Matthijs van Nieuwkerk interviewde Ron Fresen over zijn journalistieke werk, dat hij ermee stopt doordat hij ziek is, meer tijd wil doorbrengen met zijn gezin en iets anders wil doen. De ziekte kwam aan bod en Matthijs vertelde over een dichter wiens werk hij tijdens zijn studententijd voorgeschoteld kreeg. Hans Faverey. Hij benoemde in een gedicht het paard in de hoek van de kamer die met zijn hoeven schraapte over de vloer. ‘Begrijp je wat ik bedoel?’ vroeg hij. En toen gebeurde het. Ron keek hem even onthutst aan en zei: ‘Ja, nee, eigenlijk niet.’

Ik had inmiddels mijn boek opzij gelegd en zat op het puntje van mijn stoel. Iemand durfde hardop te zeggen: Eigenlijk begrijp ik niet wat je bedoelt. Wat bedoel je nou eigenlijk? Leg het eens uit.

Matthijs deed een poging. ‘Het paard schraapt zijn hoeven, stormt dan naar voren en slaat de boel kort en klein.’ Matthijs keek alsof hij vond dat hij het goed had uitgelegd. Ron knikte maar ik zag aan zijn gezicht dat hij nog steeds niet begreep waar Matthijs heen wilde. ‘Ik heb niet het gevoel dat ik de boel kort en klein wil slaan.’ reageerde Ron. Hij leunde achterover met zijn armen over elkaar heen. ‘Dat doet het paard, hè.’ Dat is de ziekte.’ Moest Matthijs even uitleggen. ‘Oh ja.’ zei Ron. Ron scheen daar geen last van te hebben.

Los van of iemand nu wel of niet het gedicht goed uitlegde, of het gedicht als voorbeeld genoemd moest worden om een vergelijking te maken (soms volstaat geen enkele vergelijking) of dat het gedicht dienst deed als metafoor, het gegeven dat iemand niet meteen begrijpt wat een gedicht wil zeggen en dit hardop zegt is voor mij een held.

Wie de titel van het gedicht van Hans Faverey over het paard in de hoek van de kamer kent, reageer dan aub in de reactiebox want tot op heden krijg ik het niet gevonden. … Gevonden.

Afwezigheid.

Er zijn momenten dat haar afwezigheid te groot is. Dan vult de kamer zich met Niets maar in dat niets is Alles. Het is leegte die zich opvult. In de grote stoel van haar moeder die in de woonkamer staat is de plek leeg. Haar bed blijft onbeslapen, er wordt niet meer gerommeld in de keuken en er worden geen boeken van de salontafel geplukt om bij de boekenlegger te openen om verder te lezen. Ze komt niet met mijn broer mee naar Den Haag en stapt niet uit zijn auto. Ze zit niet in het hoekje op de bank en we horen haar niet meer lachen. Pas geleden vond ik een videofilmpje van twee jaar geleden toen ze mijn neefje meehielp met het openen van een cadeau. Ik sloot mijn ogen toen ik haar stem hoorde en haar hoorde lachen. Afwezigheid is op sommige momenten volle aanwezigheid, een gedaante. Ik kan het alleen niet meer aanraken.

Alle delen van Een beetje moeder lees je hier.

Een hondenleven.

Hij zit in de woonkamer en leest de krant. Het papier kraakt als Hij een bladzijde omslaat. Als ik blaf, kijkt Hij op en kijkt dan weer in zijn krant. Hij mompelt, soms vloekt Hij.
Vanaf de vensterbank kijk ik naar de straat waar de krantenjongen zijn fiets tegen de paal laat vallen waardoor hij moet teruglopen omdat de fietstassen veel te zwaar zijn en de fiets steeds verder naar beneden glijdt. Het maakt me onrustig. Ik hoor het achteruitschuiven van de stoel. Als ik mijn poten van de vensterbank haal en meewandel naar de gang is Hij geïrriteerd. Ik wil alleen maar weten wat Hij doet. Waar Hij heengaat.
Door het raam van de voordeur zie ik een silhouet van de krantenjongen het pad op komen. Instinctief duw ik mijn borst vooruit en blaf. De krant wordt door de gleuf gepropt en valt altijd harder dan gedacht op de deurmat. Als ik papier wil scheuren word ik in mijn nekvel gepakt. Er zitten scheuren in het nieuws.

Als de brokken en het water zijn ververst wordt er een jas van de kapstok gepakt en de achterdeur dichtgedaan. Hij haalt zijn fiets uit de schuur en ik hoor het klapperen van de houten schuurdeur. Daarna is het stil, alleen het tikken van de wandklok is hoorbaar. Vaak wacht ik nog even bij de achterdeur omdat ik denk dat Hij terugkomt. Hij komt ook altijd terug maar ik weet nog steeds niet hoe lang het duurt. Ik dacht ook dat Zij terugkwam maar Zij kwam niet meer.
Ik wandel terug naar de woonkamer en leg mezelf in een opgevouwen deken op de vloer. Voordat ik ga slapen kijk ik een tijdje naar het dressoir in de kamer waar een foto staat in een glimmend zilveren lijstje.

Ik weet niet precies vanaf wanneer Zij er niet meer is maar ik zie wel dat Hij stiller is geworden. Hij staat ’s morgens later op waardoor ik al bij de achterdeur zit te wachten om eruit te gaan. Nu lijkt er al tijd gepasseerd hoewel ik nog steeds elke ochtend wacht bij de slaapkamer waar Zij was toen ik haar voor het laatst zag. Wachten doe ik nu niet meer echt, alleen als ik plotseling besef dat ik alleen in het huis ben en niemand zingend door de gang loopt. Ik houd mijn pas halverwege in, denk iets te horen, spits mijn oren maar ik heb het mis.

Je zou denken dat een dag kortstondig is en snel voorbij gaat maar veel in de dag duurt voort. Ondanks de vele jaren dat ik hier ben weet ik nog steeds niet veel omdat ik de taal niet versta. Ik hoor toonhoogtes en schakeringen, ik bemerk de verschillende volumen. Ik herken wanneer iemand me iets vraagt, dan houd ik mijn kop schuin. Zij praatte gedurende de dag vaak met me als een rustig kabbelend beekje.
Mensen zijn vreemde dieren. Ze praten veel in hoge en lage tonen en gebaren driftig maar ze zeggen weinig. Pas in de avond als Hij op de bank zit hoor ik de verhalen. Zijn harde hand gaat in een vast ritme over mijn rug en hij maalt, kauwt en mijmert. Het verwart me dat ik op de bank mag, leunend met mijn kin op zijn dij, want overdag is het strikt verboden.

Ik verplaats me van het deken op de vloer naar de kooi. Even draaien en nog eens draaien, en ik lig met mijn rug naar de deur, met mijn kop richting het dressoir. Ik geeuw en voel de zwaarte van mijn oogleden. Behalve de voortduwende uren is er niets. Tijd is een hondenleven.

Als ik droom ren ik. Over velden achter het huis. Zigzaggend over hoge grassprieten. Ik stop, kijk omhoog en ruik eenden. Als ik eenden ruik, is alles vergeten. De eenden zwemmen zonder zorgen in het water en beginnen wild met hun veren te slaan op het moment dat ik de vijver in ren. Ze zijn meestal sneller dan ik. Als ik weer uit het water ga en hijgend op de kant sta, is Hij vlakbij me en moppert zoals hij altijd doet. De lijn gaat weer om, het is tijd om huiswaarts te gaan. De zon schittert op mijn natte vacht. Ik voel de stralen, warm en fijn. Snel zal mijn vacht niet opdrogen, thuis moet er een handdoek overheen en wrijft Hij me droog. Hij moppert telkens alsof ik onverwachte acties onderneem. Voor mij is het niet onverwacht, ik jaag op eenden.
Als ik wakker word is Hij weer thuis. In de gang hoor ik het schuiven van zijn schoenen en het ritselen van zijn spijkerbroek. Zijn sloffen gaan aan en hij opent de deur naar de woonkamer. Hij zal me niet begroeten. Dat doet hij nooit. Als ik geeuw en me uitrek, sjok ik naar hem toe. Ik zal hem wel altijd begroeten. Zo ben ik.

Wil je mijn blog steunen met een kop koffie donatie? Ik doneer een kop koffie.

De klok.

Gisteren las ik een blogpost over huishoudelijke apparaten die herrie maken. De wasmachine die drie keer dwingend aangeeft dat ie klaar is. Na twee keer heb je dit ook wel door. De afwasmachine doet hetzelfde. Mijn waterkoker maakt onwijze herrie als hij op het punt staat te gaan koken. Toen mijn moeder mij in de laatste maanden van haar leven telkens belde, hoorde ik ‘s nachts dezelfde beltoon in mijn oor en meende dat ik gebeld werd. Vroeger maakte ik mijn huiswerk met luide radiomuziek. Overal was geluid. Het overweldigde wat stil zou moeten zijn.

De klok in mijn werkkamer geeft rond twee over tien een hele andere tijd aan. Ik zie op mijn computerscherm dat het zo laat is terwijl ik de klok aan de muur zachtjes hoor tikken. Het borrelen van de verwarming, het voort tikken van de klok, het zachte tikken op mijn laptop, het klinkt mij als muziek in de oren. Ik schrijf in stilte. De stilte is voor mij ultieme rust. In die stilte heel zacht een klok horen tikken voelt als een kabbelend watertje, heen en weer, heen en weer.

Toen ik werkzaam was in de kinderopvang met twaalf kinderen of meer want soms zag management een paar kinderen door de vingers en de geluiddempers hun werk niet deden hoorde ik van ‘s ochtends vroeg tot in de avond kinderstemmen. Gillende, huilende, kletsende, jammerende, driftige, lachende en schaterlachende kinderen. En er werd met collega’s overlegd, blokken werden omver geduwd, bekers werden soms per ongeluk van tafel gegooid. De houten bakken waar voor ieder kind kleding in lag werden eruit en erin geschoven. Sommige collega’s kwamen luid zingend de groep in, werden er mappen ruw op een tafel gelegd, moest er onverwacht een brandoefening gedaan worden en liepen we ogenschijnlijk rustig zingend met kinderen aan een touw naar buiten. Hoe ik deze dagelijkse invasie van geluiden heb overleefd weet ik niet. Ik zou het nu niet meer kunnen.


Ik draag geen horloge. Er zijn overal plekken waar de tijd te zien is. In stations, op de borden van tramhaltes. Soms raad ik de tijd en zit er niet ver naast. Als ik op tijd vertrek en op tijd moet zijn kan ik verder ook niet meer doen dan lopen, fietsen of het openbaar vervoer zijn werk laten doen. Onderweg is tijd waar geen invloed op is. Maar die zachtjes tikkende klok op de achtergrond in mijn werkkamer is voor mij de aangever van het ritme. De structuur die ik in die uren nodig heb. Het beweegt voort. Het gaat heen en weer. Tik. .. Tik. .. Tik.