Wattenhoofd.

Blijkbaar heerst het. De mensen in de trams en treinen snotteren en hoesten de hele tijd. In mouwen en zakdoeken maar vaak ook gewoon zonder. Een tijdje terug zat ik in de tram achter een meneer die hard moest niezen en even hoopte ik dat hij zijn zakdoek paraat had of de binnenkant van een mouw maar hij proestte het zo naar voren in het kort geknipte kapsel van een mevrouw.

Het heerst blijkbaar. Er waren een paar kinderen die met rode hoofden uit school kwamen en als kleine robots mee sjokten naar huis. Ze waren stil en dat was vreemd want normaal gesproken kletsten ze de oren van je kop. Het was zelfs zo rustig dat ik er een raar gevoel bij kreeg. Er waren watten in hun hoofden gekropen. En dan werd er opeens heftig gehoest. ‘Hand voor de mond!’ riep ik dan. Ik hoorde mijn ouders.

Ik werd zondag wakker met de stem van iemand anders. Het leek alsof er een man in mij gekropen was. Eentje die ook nog eens zware shag rookte. Mijn keel was erg pijnlijk bij elke vraag die ik stelde. Het meest vreemde aan een snotterhoofd is het gevoel dat de wereld een beetje trager gaat. De mensen in die zelfde trams en treinen die tegen elkaar geplakt staan en voor zich uit staren in tunnels en stopmomenten verroeren zich niet en het beeld gaat als een langzame film aan me voorbij.

Wil je mijn blogstukjes in je mail ontvangen? Abonneer je dan hier.

Leg maar weer weg.

Ze keken haar aanlokkelijk aan. Twee witte eenhoorns. Pantoffel eenhoorns. Ze waren zacht. Aanraakbaar. Lief.
Ze stonden in een bak naast elkaar. Hun hoorn als een regenboog gekleurd.
Vader stond in de rij van de drogist te wachten. Hij had shampoo in zijn hand en een pak papieren zakdoekjes.
‘Papa?’ riep het meisje zacht maar hard genoeg. Haar vader keek achterom.
‘Leg maar weer weg.’
‘Papa?’
‘Leg maar weer weg Kaja.’
Ze bleef ernaar kijken. Ze haalde de witte eenhoorns uit de schap. Ze stopte beide handen in de pantoffels. Ze draaide met haar heupen heen en weer. De ogen van de eenhoorns waren schitterend blauw. Ze waren zacht. Heel erg zacht. Ze aaide de pantoffels alsof het knuffels waren. Ze legde een pantoffel tegen haar wang.
‘Papa?’
‘Schatje, leg maar weer terug.’
Haar vader schoof in de rij naar voren. Ik ook.
‘Papa? Mag ik die?’ Ze zei het heel zachtjes. Een beetje in zichzelf. Misschien wist ze dat ze deze pantoffels niet kreeg.

Wil je mijn blogstukjes in je mail ontvangen? Abonneer je dan hier.

Papieren zakdoeken.

Er lag een behoorlijke plas bloed op de straat. Vers bloed. Bloed dat drupte als een waterkraan die lekte. De plas werd bij elke druppel naar beneden groter. Auto’s reden langs. Ik zocht verwoed naar papieren zakdoeken in een half geopende rugzak. Er lag niks. Andere rugzak. Ja daar lag wat. Ik haalde het er met een ruk uit en drapeerde het vodje papier tegen zijn neus. Met mijn andere hand hield ik zijn hoofd vast. Zijn jas zat onder het bloed. Zijn wangen en zijn kin ook. Als ik het doordrenkte papier weghaalde begon het weer als een lekkende kraan te druppen. Snel er weer tegenaan. Het was een kwestie van tijd. Ondertussen sjokte een oudere vrouw langs die sto├»cijns naar voren keek. Ook een vrouw met kinderwagen liep ons voorbij. Ze keek naar de plas bloed en trok haar neus op.
De bus kwam langs. Onze bus. Helaas, die moest verder rijden. Na een aarzeling stopte de chauffeur toch en gooide zijn deuren open. Hij riep iets. Toen stapte er een jongen half uit de bus en strekte zijn arm. Papieren zakdoeken. Die had ik zeker nodig! Ik bedankte de chauffeur en de jongen. De bus reed weer verder.

De les van deze dag, de belangrijke les van een zesjarige van deze dag, is altijd vooruit kijken. Als je praat, praat je naar voren, niet naar achter en zeker niet met je neus vol tegen een paal. Andere les van deze dag, iets kleins als papieren zakdoeken geven. Wat een fijn gebaar.

Wil je mijn blogstukjes in je mail ontvangen? Abonneer je dan hier.