Wie droeg ooit dit tasje?

Het is een oud leren schoudertasje, donkerrood met twee bandjes met gesp en een drukknop in het midden die het nog prima doet, ook al heeft de vorige eigenaresse deze al heel vaak geopend en dichtgedaan, kan niet anders. We liepen in de Molenstraat voorbij een aantal antiekwinkeltjes toen we een vintagewinkel zagen. ‘Even naar binnen.’ Ik was niet van plan iets te kopen, ik had al genoeg. Het tasje trok ik uit een wirwar van andere leren tasjes maar ze waren allemaal zwart en tinten bruin.

Deze was donkerrood. En mooi. En sprak (me) aan. Niet alleen de buitenkant was mooi, ik was ook getriggerd door de binnenvoering. Onaangetast en toch vaak gebruikt, het was niet voor niets tweedehands. De stof was nog steeds goed, de merkletters erin gedrukt. Papillon Paris. Wie droeg ooit dit vintage tasje? Waar? In welke periode? Waarom deed zij er afstand van? Onder welke omstandigheden? Hoe belandde het hier in dit kleine winkeltje in Den Haag?

Papillon Paris was in

de jaren zeventig een cultmerk…

Wil je mijn blog steunen met een kop koffie donatie? Ik doneer een kop koffie.

Wil je mijn blogstukjes in je mail ontvangen? Abonneer je dan hier.

Een nieuw bed.

We liepen in een oersaai woonboulevard op zoek naar beddenspeciaalzaken. Het was er uitgestorven. We hadden te doen met de verkopers die alleen maar kopjes koffie dronken. Als ik te veel informatie krijg over een onderwerp, in dit geval bedden, moet ik een acuut stressgevoel vermijden. Koudschuim, polyether, pocketvering, topmatras. Wilt u een bedframe, alles? Hoeveel weegt u?

‘Mevrouw, als u gaat liggen, even een stuk papier onder uw hoofd leggen. Als u erna nog meer wilt liggen en uitproberen neemt u dat papier dan even mee.’

We wilden nu toch aparte matrassen. Ook al vonden we het minder romantisch, voor het slaapcomfort was het misschien beter. Een matras op maat was wellicht ook beter. ‘U moet niet in het midden liggen, als u uw eigen matras straks hebt, wen uzelf aan dat u op uw eigen helft blijft!’

‘Ik had ergens gelezen dat…’ ‘Koudschuim, meneer, is voor zijslapers niet handig, daar krijgt u later toch last van. Voor zijslapers raad ik een ander matras aan.’ ‘En een topmatras, voor als we toch één matras zouden willen?’ ‘Bovenop die hele goeie?!’ De verkoper schudde driftig zijn hoofd. ‘Nee, meneer, dat gaat u toch niet doen! Een topmatras is alleen voor de boxspring, meneer, niet als u een heel goed matras gaat kopen!’

Spiraal, lattenbodem. Dunne latjes, dikke latjes, verstelbare randen.

‘We waren net gaan liggen op dit matras…’ ‘Meneer, als u dat matras wilt, krijgt u het tweede matras niet gratis! Dat is de aeromax, zeer goede kwaliteit, getest en kwam er als de beste uit. Maar dat is koudschuim.’

Wil je mijn blog steunen met een kop koffie donatie? Ik doneer een kop koffie.

Wil je mijn blogstukjes in je mail ontvangen? Abonneer je dan hier.

De wortels van Hendrica.

Je wordt geboren in een bed thuis of in een ziekenhuisbed. Het is tegenwoordig modern om in het water geboren te worden. Je wordt geboren in het leven van andere mensen, je ouders. Soms zijn je ouders allebei aanwezig, soms niet. Je moeder is er altijd, zij geeft jou het leven.
Vroeger stierven de moeders weleens na een moeilijke bevalling, of kort erna. Het ligt eraan in welke tijd je werd geboren en hoe de leefregels waren hoe je opgroeide en het leven bewandelde.
In de twintigste eeuw in het katholieke Brabant was de positie van de vrouw anders dan nu. Je trad in het huwelijk als je zwanger was geraakt. Je had eigenlijk niet moeten liefkozen voor het huwelijk en de keren dat het ongevraagd was, daar werd al helemaal niet over gesproken.

Als de partner er niet meer was, het leger in, weggelopen of hij was al getrouwd, dan ging je naar een nonnenhuis om daar uit het zicht van de mensen te bevallen van een kind dat meestal meteen werd weggegeven aan ouders die geen kinderen konden krijgen. Je vlees en bloed kreeg een ander bestaan, ver weg van jou, en je zou niet meer praten over wat er was gebeurd. Er was schande en er was schaamte. Je hield je mond. Wat niet uitgesproken wordt is er niet.

Hendrica hield haar dochter. Ze beviel in het Magdalenahuis in Breda en bleef daarna nog langer om wellicht aan te sterken en om huisvesting te zoeken. Daarna ging ze met haar dochter terug naar Gilze Rijen, haar geboorteplaats en waar haar familie woonde. Haar dochter was een bastaardkind, een onwettige. Verwantschap niet traceerbaar. De vader een Nomen Nescio, een onbekende, uit beeld. Hij was voor altijd een schim die zijn dna in nakomelingen liet verankeren. Bruine ogen, in plaats van blauwe. ‘Van wie bende gij d’r ène?’ zou men destijds en nog steeds vragen. Men wilde vast weten waar deze dochter vandaan kwam. Beter vroeg men het achter ruggen en schouders. De tijd was ongemakkelijk en zwaar als je als vrouw je kind alleen opvoedde. Zij deed het. Uit liefde? Uit rechtvaardigheid? Er is een enorme bewondering vanuit mij ontstaan nu ik haar verhaal ken. Hendrica is mijn overgrootmoeder.

Het noodlot sloeg toe. Hendrica, die haar eigen moeder, Wilhelmina, op zevenjarige leeftijd moest missen, werd ziek. Ze stierf in 1924 in Gilze Rijen en liet haar achtjarige dochter achter.

Misschien wortelen we in de grond waar we vanaf de eerste stappen hebben gelopen en wortelen we in onze familiegeschiedenis en waar we aarden. …

Wil je mijn blog steunen met een kop koffie donatie? Ik doneer een kop koffie.

Wil je mijn blogstukjes in je mail ontvangen? Abonneer je dan hier.

Die ene streep ging mis.

Het was die ene streep. Die ging mis. Creativiteit is lef hebben, bedacht ik, en ik was er droevig van.

Ik had zonet mijn oude, onaffe, schilderij op de ezel gezet. Die cobalt blauwe met een gezicht van een donkere dame met haar ogen gesloten en een kaal hoofd. Ze had misschien gemillimeterd haar, het was in ieder geval kort. Met zeer slecht licht verfde ik het doek, jaren geleden, in mijn oude appartement, op een avond laat. De volgende dag bekeek ik het en besloot het zo te laten. Het was niet af, maar ik kon het niet afronden. Soms durf je niet meer.

Die ene streep kan een vorm, een lijn, een geheel maken of breken. Nu weet ik dat ik ook weer kan aanpassen en weghalen, maar dat haalt het ik-heb-het-dus-nu-verprutst gevoel niet weg. Was ik er maar nooit aangekomen, schoot door mijn hoofd. Ik moest afstand nemen, zette het doek weg, keek er niet meer naar, ging mijn kwasten schoonmaken en goot het vieze water weg.

Sommige amateurschilders schilderen de meest perfecte foto’s na. Het is exact hetzelfde, met een fenomenale precisie, een bijna fotokopie van het echte beeld waardoor de nadruk meer komt te liggen op precisiewerk in plaats van schilderen met gevoel. Naschilderen, nadoen is geen eigen werk maken waar gevoel in zit. Ik kan wel nadoen, maar dat vertik ik. Pas geleden zag ik in het MORE museum in Gorssel schilderijen van kunstenaars die een portret hadden geschilderd die er bijna als foto’s uitzagen. Anderen schilderijen weken daar, soms op extreme manier, vanaf. Ik wist waar mijn voorkeur lag.

Dus die ene streep, die net de verkeerde kleur had, haalde het gezicht helemaal uit de plooi die het juist moest hebben. Met een streep haal je soms de contouren zoals ze bedoeld zijn helemaal weg. Ik kon wel janken. Waarom zette ik die streep nou zo impulsief daar neer? Omdat ik dacht dat het wel kon? Dat ík het wel kon? Was ik stoer? Ik stond voor mijn doek en zuchtte.

Schilderen is risico nemen. Net als schrijven. Maar ik kan een verkeerde zin of een verkeerd woord zo wegpoetsen. Ik druk gewoon op de delete toets en hup! het is foetsie. En dan is er vaak (als ik erop let) een back up of een eerdere versie en kan ik het zo weer terugzetten.

De verf moest eerst weer drogen. Ik moest nog even kijken naar die lelijke streep, die streep die het oog te klein had gemaakt waardoor het gezicht niet klopte. Adem in, adem uit, dacht ik. Morgen verf ik er gewoon overheen. Red ik wat er te redden valt. Dan komt het weer goed.

Creativiteit is lef hebben. Het is risico nemen. Soms gok je mis. Soms red je wat er te redden valt maar is het niet meer wat het ooit was. Soms flikker je het schilderij weg. Soms creëer je opnieuw.

Iets maken is geen flauwekul.

Wil je mijn blog steunen met een kop koffie donatie? Ik doneer een kop koffie.

Wil je mijn blogstukjes in je mail ontvangen? Abonneer je dan hier.

Ruilhandel.

Er stonden twee meisjes voor de deur, wiebelend op de hakken van hun schoenen.
‘Ken jij mij nog?’ vroeg de ene.
‘Jazeker, je was vorige week aan het vertellen over je kat en jullie vakantie op de camping.’
Een week geleden was ik buiten wat aan het vegen toen ze met haar step voorbij reedt en even stopte.
Ze knikte heel ijverig alsof haar hoofd vastzat met een elastiek aan haar schouders.
Toen zag ik een mandje met spullen erin.
‘Wij willen met de hele buurt ruilen. De een geeft iets en dan mag je wat terugpakken. Wil je ook meedoen?’
Ik keek in de mand en ondertussen groef ik in mijn geheugen. Had ik leuke spullen liggen? Kleine spullen die zij interessant genoeg vonden? Of de buurt?
‘Ik kreeg gisteren van iemand uit de straat oorbellen!’ vertelde ze en hield haar haren weg zodat de twee zilveren knopjes zichtbaar waren.
‘Da’s een fijne ruil! Wat had jij geruild voor die oorbellen?’
Ze dacht even na.
‘Gekleurde veters.’
Ze zei het opeens vrij achteloos. Ze haalde nog net haar schouders niet op.
‘Willen jullie straks even terugkomen, anders. Ik moet even zoeken naar iets leuks om te ruilen.’
Ze besloten over een paar uur terug te keren.

Na een uur of twee ging de deurbel weer. Ik had gezocht en vond wat kralen om een ketting mee te maken, nagellak en een klein ongebruikt notitieboekje. Dat moest genoeg zijn.
Ze stonden weer wiebelend op de hakken van hun schoenen met hun mand in de deuropening. Nadat ik alles in de mand gestopt had keek de een mij afwachtend met opgetrokken wenkbrauwen aan.
‘Je mag nu ook iets uitkiezen!’
Oh ja, natuurlijk.
‘Wat hebben jullie allemaal?’
‘We hebben nog andere veters, een steen, pennen en stiften. Oh ja, en dit beeldje.’
Ze gaf een in plastic verpakt beeldje. Toen ik beter keek was het een boeddha beeldje. Een mini boeddha.
Ik was verkocht.
‘Neem ik die!’
Ze keek opeens heel blij. Ik was ook blij. De lachende dikbuik Boeddha leek te genieten van het leven. Hij zat in een prachtig lang gewaad te grijnzen met in zijn linkerhand een zakje, symbool voor geluk en welvaart. Met zijn rechterhand hield hij een soort staf vast. Deze staf staat symbool voor vertrouwen, goede balans en ondersteuning. Om zijn nek een malaketting als gebedssnoer, symbool voor welzijn. Eigenlijk was ik als een kind zo blij omdat het iets geheel onverwacht was. Iets ogenschijnlijk zo simpel; een buurkind aan de deur met een onschuldige ruilhandel, maar het bracht wel iets vrolijks teweeg.

Wil je mijn blog steunen met een kop koffie donatie? Ik doneer een kop koffie.

Wil je mijn blogstukjes in je mail ontvangen? Abonneer je dan hier.