Als de snelheid van het licht.

Ik sloeg je gade bij het grote raam van thuis. Naast je, stond ik. Je keek naar buiten en ik kreeg het gevoel dat je ergens op wachtte.

Waar dan op?

Om te worden opgehaald.

Ik keek naar je want ik kon het nauwelijks geloven. Je zachte grijze haar. Je linkerwang. Je tengere postuur. Alsof alles normaal was, zoals altijd. Je leunde een beetje voorover om beter te kunnen kijken voorbij de vitrages. Je wachtte om opgehaald te worden.

Waar ga je dan naartoe? We leken het niet te spreken, er waren geen mompelende monden en er was geen sprekende taal. Je wachtte op de kapper om weer mooi te worden. Het klonk als een fijn uitje. Ik wachtte met je mee.

En toen kwam er een auto de hoek om gedraaid. Hij viel meteen op. Hij was vuurrood. Een sportwagen, een rode Ferrari. Als de snelheid van het licht, dacht ik. Het was indrukwekkend. Niet opgehaald worden door een gewone taxi, of door een relatief gewone auto. Je ging met de snelste en mooiste auto die ik bedenken kon naar de kapper om weer mooi te worden. Ik was blij dat ik je even gezien en zonder woorden gesproken had.

Droogbloem.

Ze is zo ver weg. Het is wat ik elke dag denk. Afgelopen week ontving ik een brief van de uitvaartonderneming met de vraag wat we willen doen met de as van mama. Dat is wat er van mama over is. Ze staat in een nis in een muur te wachten op wat we willen doen. Ik voel me onrustig omdat er geen plek is waar ze hoort te zijn. Ik weet ook nog niet waar ze hoort te zijn. Ze is zo ver weg.

Vandaag keek ik naar het boeket met droogbloemen op de tafel. Ze zijn een beetje van kleur veranderd, het is allemaal wat minder kleurrijk. Sommige takken hangen een beetje maar het blijft een mooi boeket. Het is kwetsbaar maar aanwezig, ik kan ernaar kijken.

Als mama een plekje krijgt in een tuin kan ik er naartoe als ik wil. Dan is er een plek om gedenken en om er even in stilte te zijn. Ik dacht altijd dat ik het niet nodig zou hebben, ze zit immers in mijn hart en gedachten, maar ik voel me een stuk rustiger nu ik weet dat we die mogelijkheid kunnen bespreken. Eigenlijk is ze een droogbloem.

Il y a des fleurs partout pour qui veut bien les voir. ~ Henri Matisse.
(Er zijn overal bloemen voor wie ze wil zien.)

Als vanouds.

Voor het eerst zat ik twee uur met mijn telefoon op stil naar een film te kijken in een bioscoop. Zonder angst, zonder ongerustheid. Het was afkicken de eerste werkweek nadat mama overleden was. Ik hoorde het telefoongerinkel nog in mijn oor en keek veel te vaak op mijn telefoon of er geen bericht was binnengekomen. Ik kreeg toen pas in de gaten hoe alert ik al die maanden was geweest en hoe gespannen ik me voelde. Het logeerde in mijn spieren en in mijn hele wezen. Gelukkig was ik dermate afgeleid dat ik kon genieten van een film met vreemde mensen in een bioscoop. Die mensen kwamen te laat en lieten een zak chips op de grond vallen. Bovendien zaten er ook weer mensen op de verkeerde plek en was er even discussie. Het geluid was knetterhard, vond ik. Het was allemaal weer als vanouds.

Excuustruus.

Stel, je bent medewerker bij een groot en log bedrijf met vele lagen van bovenaf tot beneden gestuurd door managers die vergaderen en jou dan vertellen hoe het beleid uitgevoerd moet worden. Sterker nog, je bent degene die het samen met je collega’s gaat uitvoeren ook al heb je zo je bedenkingen. Voor bedenkingen is er geen plek, zo leer je al snel, en dus moet je hoppa, aan de slag. Je doet wat je wordt gezegd anders zit je binnen no time in een gesprek met je leidinggevende en daar zit je niet op te wachten. Bovendien heb je zelf een gezin en wil je geen moeilijkheden want dan kun je vertrekken. En je hebt gezien bij een andere collega hoe dat is gegaan en dat is een waarschuwing voor de rest. Je houdt je mond. Je werkt, kijkt op de klok wanneer je kunt gaan en hoopt de rest van je vrije avond niet meer te denken aan het beleid dat je uitvoert want dat schuurt, wringt en trekt. Waarom eigenlijk?

Of is het niet zo? Kun je je volledig afsluiten van wat er om je heen gebeurt en uitvoeren wat er van je verlangd wordt? Ben je niet bezig met wat je door besluiten en acties veroorzaakt? Zijn de nummers in het systeem irrelevant want ze hebben geen gezicht en geen verhaal? Kun je het opzij zetten omdat het niet jouw gezin is, niet jouw straatje, niet jouw leven?

De afgelopen tijd heb ik me meerdere malen verbaasd over het excuus van mensen. We wisten het niet, het ligt aan het systeem, de omvang leek niet zo groot. Daarvoor moet je bij die zijn, of die ander. Niet mijn pakkie an, niet mijn verantwoordelijkheid, ik was die dag vrij. Ik hoorde het later pas. Dat weet mijn collega. Dat heeft iemand anders gezegd, gedaan, besloten.

Ik heb geleerd als ik bel met een instantie, welke dan ook, dat ik vertel dat ik met degene die ik aan het woord heb een afspraak maak dat hij of zij degene is die ik verantwoordelijk stel. De deskmedewerker schrok zich laatst een hoedje. ‘Maar daar ga ik niet over!’ haperde zij. ‘Ik bel met jou, ik heb jou aan de telefoon en ik voer het gesprek met jou.’ zei ik vastbesloten. Ik ben de excuustruus in Nederland beu.

Hoofd vol rouw.

Mijn hoofd zit vol met rouw en ik weet dat ik niet de enige ben. Gisterenmiddag haalde ik in een boekwinkel een boek op. ‘Zo,’ zei de verkoper, ‘dat is een deprimerende titel. Ik ga het boek even zoeken.’ En weg was hij. Ik had mijn mond al geopend om te reageren maar ik was te laat. Hij zocht in de kast achter de balie en kwam terug met mijn gereserveerde exemplaar. ‘Het is eigenlijk helemaal geen deprimerende titel.’ begon ik toch uit te leggen. Hij haalde ge├»nteresseerd zijn wenkbrauwen op. ‘Er staat in het LICHT van sterven.’ Ik drukte met mijn wijsvinger op het woord ‘licht’ in de titel op de voorkant. ‘Oh. Ja.’ zei hij. Hij lachte maar ik vroeg me af of hij het snapte.

In het boek In het licht van sterven van Ineke Koedam lees ik troostende verhalen van hospice medewerkers die voor hun (vrijwilligers)werk naast een stervende hebben gestaan en het proces van sterven hebben meegemaakt. Ik word nog vaak wakker ‘s nachts met plotselinge uitvaartmuziek en herinneringen aan mijn moeder en ook de laatste momenten van haar sterven. Het was bijzonder om mee te maken. Toch heb ik vragen.

In mama’s laatste dagen waren er soms momenten waarin ik wist dat ze niet in de war was maar heldere vragen stelde. Nu ik het boek lees merk ik dat meer stervenden dit hadden. Ik dacht ook soms te bemerken dat mama wel bij ons was maar niet altijd in totaliteit, alsof ze aan het zweven was tussen de woonkamer in haar bed en ergens anders. Ze voelde zich zo raar, zei ze vaak. Ze bekeek dan haar armen en handen, zuchtte en legde ze weer op het dekbed. Ze bekeek de kamer en draaide haar hoofd naar waar er lichtinval was. ‘Is dit echt?’ vroeg ze dan.

Een keer was ze heel helder. ‘Hoef ik nu niet meer naar school?’ wilde ze weten. Ik schudde mijn hoofd. ‘Nee, je hoeft niet meer naar school.’ ‘Oh.’ zei ze. ‘Vond je school niet zo leuk?’ vroeg ik toen. ‘Nee.’ zei ze. ‘Jij wel dan?’ Ik moest lachen om haar scherpe vraag. Ik kan me niet meer herinneren of dit op de dag van haar sterven was of de dag ervoor maar die vraag houdt me erg bezig.

Mijn hoofd zit vol met rouw en ik probeer er het beste van te maken. ‘Je ziel ligt open.’ zei iemand gisteren tegen mij. Ja, misschien is dat wel zo. Daar moet niet iedereen in gaan peuren.