Het sprookje van ik.

Vandaag sta Ik weer voor de spiegel en denk bij mezelf, vandaag begeef ik me weer in het sprookje van Ik. Ik is altijd positief ook al weet ik dat het allemaal anders is. Maar Ik kan goed verdraaien zodat het allemaal mooier, beter en van mij is. Ik is van mening dat als je doet alsof het vanuit Ik komt, het zo is. (Ook al is het van een ander.) Het sprookje begint bij Ik en eindigt bij Ik. Ik doet het altijd goed.

Ik zet alles op alles om eventuele imagoschade te beperken. Ik wil namelijk niet dat anderen zeggen dat ik het anders had moeten doen. Ik gaat ook niet vertellen aan andere mensen dat het plan dat eigenlijk werd bedacht door iemand anders want dan staat ik er slechter op. Ik moet altijd degene zijn die vooraan staat.

Als Ik een afspraak afzegt dan is er eerst een heel wollig verhaal nodig om tot de kern te komen. Adviezen en tips worden opzij geschoven, daar luisteren we niet naar. Bovendien knikken we ja, maar bedoelen we nee. Ik weet het altijd beter, dus wat mensen uit de praktijk meedelen horen we niet. Ik is doof en soms ook blind.

Ik weet dat als er kritiek geuit wordt ik het zo moet draaien dat het allemaal goed is. Dan tackelen we het puntje van kritiek, voordat het onderwerp besproken wordt, door zelf vol positivisme te praten over wat kritiek oplevert, zodat de ander monddood gemaakt wordt. Het trucje wordt vaak toegepast door minister president Rutte, let maar eens op, en Ik doet hetzelfde.

Ook zijn er geijkte uitspraken die Ik doet, zoals: ‘Daar gaan we over nadenken.’ Of: ‘Daar zullen we naar kijken.’ Natuurlijk gaat Ik er niet over nadenken. Natuurlijk wordt er alleen maar gekeken en dan weggekeken want dat is alles wat er wordt gedaan als iets niet in het straatje van Ik past.

Ik zal zeggen dat ze al lang bezig waren met een project, ook al was dit niet zo, of hebben ze het laten liggen. Ze zullen geen complimenten uitdelen of een ander credits geven want dan hebben zij het minder goed gedaan. Ik zal altijd vooraan willen staan en willen aanwijzen dat dit toch echt is wat Ik voor elkaar heeft gebokst. Alleen Ik, hè, dat begrijpen jullie wel.

Het heet niet voor niets een sprookje want de werkelijkheid is heel anders. Het vergt wat om ballonnen door te prikken of om een Omtzigtje te doen. Ik hoopt dat mensen er moe van worden en uitgeput zodat er geen mensen meer zijn die zich bemoeien met Ik. Dan kan Ik namelijk lekker alleen verder zonder zich te moeten verhouden tot zijn medemens.

Alles gaat voorbij.

Ze drukte op een knopje waardoor het bovengedeelte van de behandelstoel verder naar beneden zakte. ‘Nog even en je ligt met je benen verder naar boven, dat moeten we niet hebben, dan zakt het bloed naar je hoofd, dat hou je niet vol.’ Ik kon niets zeggen. Ik had van alles in mijn mond. Het licht van de lamp scheen fel in mijn ogen, er werd af en toe met een soort sproeier gespoten waardoor er kleine druppels in mijn gezicht vielen. Ondertussen keek ik naar het systeemplafond en zag minuscule vlekjes. Blauw. Niet rood. Pluspunt. Er gingen vijlen in de (mijn) wortels, ze schoof ze heen en weer wat een gek gevoel gaf ook al voelde ik geen pijn want ik was verdoofd. Daar wel, verder was het zaak op mijn ademhaling te letten.

‘Ik kan het niet goed zien, moet aan de andere kant gaan zitten.’ zei de tandarts die haar assistente aan de kant drukte. ‘De gangen zijn nogal dun.’ Wandelgangen, loopgangen. Loopgraven. Ik associeerde zonder erg. Ik slikte speeksel weg. Slangen hingen uit mijn mond, ik zag een voorwerp met een haakje. Hoe laat zou het zijn? Het zou maximaal vijf-en-zeventig minuten duren.

Na een tijdje wist ik niet meer of ik mijn mond nu ver open had of niet. Of hoe ver de tandarts met de behandeling was. ‘Het moet gebeuren.’ had ze gezegd. ‘Je had het niet zo kunnen laten zitten.’ ‘Alles gaat voorbij.’ zei ik. ‘Dat zeggen ze hè?’ beaamde de tandarts.

Als ik een tekst zou schrijven voor een liedje zou het liedje zo heten, dacht ik. Ik probeerde de vlekken in het systeemplafond en de witte muren romantisch te verwerken in een tekst die ik schreef in mijn hoofd maar bakte er niks van. Nog niet.

Waar in het brein?

Lieve Q,

Afgelopen weekend zag ik je weer. Je hebt een grotere stoel, je bent zelf ook weer gegroeid. En je bent ook gegroeid met praten. Je zingt liedjes, articuleert veel beter en kan een lied van begin tot eind zingen zonder dat iemand meezingt. Wat ik ook verrassend vind is dat je na één keer iets horen de tekst meteen onthoudt. Je schakelt snel. Je schakelt zo snel dat ik even met open mond naar je zat te kijken. Je kreeg een boekje met pop-ups van je tante. Gekocht in Frankrijk en dus met Franse woorden. Maar dat was niet erg, de pop-ups waren het belangrijkst. Je zag een keer de rode neus van de clown en benoemde het. Je zag een rood hart en wist het later ook. Toen keek je naar mijn ketting met een hartje eraan en zei: ‘Hartje.’

Waar in het brein zit precies intelligentie? En wat is het precies. Waar zit het stukje slim kinderlijk uitproberen? Als het bij mama niet lukt om tv te kijken dan vragen we het toch aan papa? Zachtjes, zodat mama het misschien niet hoort. Waar zit de snelheid van schakelen in het brein? Als de logopedie juf iets vraagt kun je met hulp van een gebarenboek meteen wijzen en dat gaat heel snel. Je denkt dus snel na en weet wat je wil zeggen. Informatie verwerken kun je dus heel snel. Soms sneller dan mijn gastkinderen met wie ik huiswerk moet maken. We zongen samen een liedje maar aan het eind van het liedje zong ik iets anders dan jij geleerd had. Je fronste je wenkbrauwen want het klopte niet met wat jij wist. Maar even later zong je hetzelfde als wat ik geleerd had en daarna zong je weer je eigen geleerde tekst.

Lieve Q, praten is zo fijn hè. Je kunt iedereen vertellen wat je weet en hoe je iets vindt. Soms met gebaren erbij, soms niet. Niet altijd begrijpen we het meteen maar dan zeg je het opnieuw. Als je een boek pakt vertel je wat je ziet en maakt een verhaal. Meestal gaan de dieren in het boek naar de kapper of op de motor.

Toen we naar huis gingen zei ik hoe fijn ik het vond je weer te zien. Dat het heel gezellig was geweest. ‘Dag Q!’ zei ik. ‘Dag Ka-rin.’ zei jij.

Alle brieven aan Q lees je hier.

Gij zult veel werken.

We struinden in een muziekstraat in Parijs. Overal gitaarwinkels, pedaal – en wah wah winkels, linkshandigen gitaarwinkels. Het was vroeg in de middag, de zon scheen en bij een volgende muziekwinkel keken we of hij geopend was. Er stonden mensen voor de deur te praten en een van hen vroeg aan ons: ‘Wil je iets kopen in de winkel?’ Nou, kopen, we bleven Nederlanders, eerst kijken en misschien kopen. Maar, zei de man, ze gingen eerst even lunchen en dus ging de deur op slot. ‘We zijn na tweeën denk ik weer hier.’ Hij kwam naar ons toe. ‘Waar komen jullie vandaan?’ vroeg hij. We vertelden dat we uit Nederland kwamen en de dag erop weer naar huis gingen, helaas. ‘Maar,-‘ zei vriendlief,-‘In Nederland gaan de winkels tussen de middag niet dicht.’ De man blies een beetje in de lucht. Wapperde met zijn hand. ‘Fransen werken niet zo veel. Rustig aan doen. Even pauzeren.’ Hij lachte erbij. Hij haalde zijn schouders op. ‘Voila.’

Er is een verschil tussen veel werken en hard werken. Met hard werken is niets mis, je maakt uren, maakt mooie dingen, verandert iets in iemands leven, helpt iemand op weg, verstouwt veel, ruimt op, doet klusjes. Maar wat ik nooit begrepen heb is dat men het verwart met veel werken. Veel uren maken. Meer dan veertig uur, in weekenden en avonden doorwerken. Overuren. Extra werken. Nog eens invallen.

Het is denk ik net zo belangrijk om te ontspannen dan om te werken. Een ritme in de dag, een structuur, is nodig in de mens. Wij houden van regelmaat en vaste routines. Maar van veel werken is nog nooit iemand extra gelukkig geworden, sterker nog, de Australische palliatieve verpleegkundige Bonnie Ware verzorgde mensen op hun sterfbed. Zij schreef het boek ‘The Top Five Regrets of the Dying‘. Naast onder andere het tonen van gevoelens (hoe blij je bent met de mensen om je heen en dit hardop vertellen) was spijt hebben van te veel werken er ook een van.

‘Dit hoorde ik van elke patiënt die ik heb verzorgd. Ze hadden de jeugd van hun kinderen gemist, en de kameraadschap van hun partner. De mannen die ik verpleegde hadden ongelofelijk veel spijt dat ze zo’n groot deel van hun leven werkend hebben doorgebracht. Door een minder dure levensstijl heb je minder geld nodig dan je denkt. En door meer ruimte in je leven te creëren, word je gelukkiger en sta je meer open voor nieuwe mogelijkheden, die misschien wel veel beter bij je passen.’

Gij zult niet veel werken, was altijd mijn motto. Mijn vrije tijd is net zo belangrijk als op een fijne en betekenisvolle manier werken. Ruimte, tijd en rust is net zo waardevol als mijn bankrekening.

Door de site te te blijven gebruiken, ga je akkoord met het gebruik van cookies. meer informatie

De cookie-instellingen op deze website zijn ingesteld op 'toestaan cookies "om u de beste surfervaring mogelijk. Als u doorgaat met deze website te gebruiken zonder het wijzigen van uw cookie-instellingen of u klikt op "Accepteren" hieronder dan bent u akkoord met deze instellingen.

Sluiten