‘IK BEN JE DAME NIET!’

Dat riep ik een tijdje geleden. Met een uitgestoken wijsvinger. Zo’n wacht-jij-maar-af wijsvinger. Mijn fietsfietslamp deed het niet. Braaf als ik was kocht ik bij de fietsenmaker van die fietslampjes die je ook mee kon nemen de trein in. Zulke lampjes die onverwacht in je tas gingen flikkeren, omdat er een zware organizer tegenaan viel.

‘Mevrouw, uw tas flikkert.’ was dan het gevolg. Zodat je met een blozend hoofd snel je tas indook om de boel weer uit te zetten.

Zulke lampjes die op batterijen gingen. Heul lang. Verstelbaar ook. Een wit en een rood. Rood voor achter. En dan drie standjes. Dat geflikker was dan de opvallerige variant. Voor de opvallerige types. In het donker.

Mooi toch?

‘Nee, niet mooi!’ riep meneer agent, die me aanhield en me dirigeerde naar de stoep.

‘Die lampjes op je jas en daar aan je fietstas zitten op de verkeerde plek.’

‘Wat nou verkeerde plek? U heeft me niet voor niets gewoon gezien!’

Bijdehandje, dacht meneer agent hardop.

Tss. Ik bijdehand. Ik ben alleen bijdehand als er onrecht aangedaan wordt. Van de fietslamp. Welteverstaan.

‘U zorgt de volgende keer voor een andere bevestiging van de fietslampjes, dame.’

Dat ‘dame’ deed het ‘m. Bijna voelde ik me een ietwat gekleurde mevrouw met een fikse attitude. Compleet met de ‘PSSSH’ en het welbekende stopteken.

‘Ik vind het je reinste onzin! Licht is licht!’

Dat mocht ik vinden. Op een denigrerende toon. Mopperend stapte ik op m’n fiets.

Licht is toch licht?

RODE SOKKEN DROEG,

de oudere meneer. Hij zat in de zwartleren lounge stoel, wat hem plotseling kleiner maakte dan hij was. Net ervoor had hij gedrenteld en gedraaid voordat hij ging zitten, zoals honden dat deden voordat ze hun plekje gevonden hadden in hun mand.

Bij binnenkomst waren zijn ogen al richting wachtruimte afgedwaald, terwijl de receptioniste tot twee keer toe zijn naam vroeg. Sommige mannen keken en sommige mannen loerden. Ik had mijn jurkje niet aan moeten doen, schoot het door mijn hoofd. En dat was gewoon je reinste onzin, bedacht ik meteen. Toch voelde ik een ongecontroleerde dwang mijn jurk tot ver over mijn pantybenen te trekken.

Hij had grijze haren in pieken boven zijn oren. Met een gelige glimlach. Hij liet een tijdschrift vallen en verontschuldigde zich. Terwijl ik niet begreep waarom; het tijdschrift viel niet aan mijn kant.

Ik wilde naar buiten staren, naar het park waar blaadjes van takken naar beneden dwarrelden. Waar de zon matigjes door de bomen keek.

“Fijn weertje he?” ondernam de meneer een poging.

Soms voelde je oprechtheid en soms voelde je bijbedoelingen. Soms waren bijbedoelingen prima en oprechte bijbedoelingen ook. Soms wilde je zelf ook contact, en iemand beter leren kennen. Maar soms voelde het niet goed.

Even moest ik bedenken wat ik ging doen. Zijn blik ging als een streling die ik weg wilde duwen langs mijn gezicht naar beneden.

“Ik zou graag even niet willen praten.” fluisterde ik bijna.

De knoop leek als een baksteen naar beneden te vallen, in de kom van mijn maag.

De meneer met zijn stralende flirtende glimlach leek even stil onder mijn woorden.
Hij pakte een Party en sloeg het open voor zijn gezicht. Ik zag erna niet meer waar hij naar keek. Werd ik geroepen door de kapster. Liep ik mee naar de stoel. Met priemende ogen in mijn wollen jurkjes rug.

ER MOEST EEN TREIN GEHAALD,

op een erg druk station. Mensen liepen langs elkaar heen, zigzaggend. Er was veel haast. Drukte. Beweging.

Er hingen gele borden aan de plafonds, die normaal gewoon op ooghoogte geplaatst waren. Op een geel bord stond De Bestemming.

De trap op, hijgend, bovenaan het perron. Maar er was geen normaal perron. Er lag een soort eng, vervelend Ter Land Ter Zee brug van hout dat steil naar beneden wees naar de trein, met daaromheen een boel water. Er moest met een rotvaart van de brug gegleden worden langs klotsend water om de trein in te kunnen.

Wie verzon dat nou?