MISSCHIEN VERWIJDER IK DIT,

stukje tekst wel weer. Net zat ik, met m’n (groot) frietje speciaal, naar de comments te staren. Ik begreep het niet. Ik begreep er niets van.
Ik begrijp het nu nog steeds niet en misschien snap ik het wel nooit.

Tweede klas mavo. Een klein, schuchter en stil meiske met een grote bril, een dunne paardenstaart en een boekentas die groter leek dan zijzelf.
Soms was haar boekentas plotseling kwijt. Soms haar jas. Soms lag haar jas in de w.c. Plukte ze het eruit en hoorde ze kinderen lachen in de gang.
Soms kreeg ze een duw. Een stomp. En soms zat het mee; dan werd haar fiets geduwd.

“Jeetje, wat ben jíj lelijk!”
“Ja, wat ben jíj lelijk, zeg!”

Een paar jaar geleden stond ik naar een etalage te kijken van een juwelier. Naast me stond een lange jongen. Hij keek me door de reflectie van het raam geinteresseerd aan. In een flits herkende ik hem als Niels, de jongen die me anderhalf jaar lang treiterde. Soms was een stomp in je maag nog meer te harden dan duizend lelijke woorden. Hij glimlachte. Ik glimlachte aarzelend terug.
“Ken je me nog?” vroeg ik toen ineens.
Hij keek geschrokken, dacht na, en wist het niet.
“Ik was toen dat lelijke eendje en jij die klootzak.”
Ik liep weg, hem achterlatend met waarschijnlijk een heleboel vragen.

Als ik een foto uitzoek om ergens te plaatsen, heb ik bijna geen foto’s. De foto’s die ik heb zijn nooit echt naar m’n zin. Er woelt dan een mini storm door mijn lijf, en voel ik me naakt en bekeken als het toch voor anderen te zien is.
De foto’s waar ik uiteindelijk wel tevreden over ben, krijgen minder positieve reacties dan bijvoorbeeld de piekhaar-en-wallen-foto.

Als je telkens hoort dat je lelijk bent, hoe kun je dan geloven dat je mooier bent geworden?

Ik kijk weleens naar die vrouwen-vrouwen. Ken je hen? Die perfecte dames met een mooie haarbos, perfect gelakte nagels, mooie strakke benen, hoge hakken, perfecte make-up en een wandel. Ken je de wandel? De kijk-ik-ben-een-vrouw-van-de-wereld.

Soms ben ik onzeker
door de wandelvrouw.
Ik zeg soms.
Want soms voel ik me blah.
Maar soms voel ik me ook
een vrouw van de wereld.

Vanochtend laat kreeg ik dit, via email, onder ogen:

Het is goed om bepaalde gewoonten eens te doorbreken.
Deel deze zondag eens heel anders in.

Dat gaf me een perfect excuus om met het chocolademoussetoetje te beginnen.

HET ELFENMEISJE ZAT IN EEN WINKELKAR,

en wees met haar toverstokje naar de voorbijgangers.
Lichtroze balletpakje met voilekantenrok waarop glitters prijkten. Met in haar haren een roze lint met balletjes eraan. Ze wiebelden heen en weer terwijl ze een zelfgemaakte toverspreuk uitte.

“Hocus pocus pilatus pas, ik wou dat de oude mevrouw …

een beetje jonger was.”

En ze maakte groteske bewegingen en giechelde toen haar moeder haar bestraffend toesprak. De winkelkar zwiepte voorbij de groente en erna het vlees.

“Waarom mag ik dat niet wensen, mam?” wilde ze nog wel weten.

Moeder zuchtte eens terwijl ze een bakje tonijn in olie vasthield. Keek eens om zich heen voordat ze haar dochtertje toesprak.

“Er is niets mis met ouder zijn.” legde ze uit. “Misschien vindt die mevrouw het helemaal niet erg.”

Ze reden samen door gangpaden, langs het flosdraad, de koekjes, de soepproducten.
Het elfenmeisje zocht naar de mevrouw, bewoog haar staf en keek hoe de glitterdraadjes langs de staf heen en weer dansten als in een geluidloos ballet.

In de rij van de kassa sloot de oudere mevrouw achter hen aan. Moeder keek haar dochter streng aan.
Het elfenmeisje bewoog met haar stafje zonder te wensen.
Ze bekeken elkaar, de oudere vrouw met de rimpels rond haar mond en het elfenmeisje met de spillenbeentjes en de blosjes op haar wangen.

Eén moment van stil begrip.

JE KRIJGT WAT JE GEEFT,

want gisteren, in de vroege avond, liep ik de deur uit van m’n werkplek,
de babietjes tevreden achterlatend. Wachtend op de trein naar huis stond er een mevrouw naar me te kijken. Ze schudde met haar hoofd en het leek of ze aarzelde.

Mijn iPod bracht Sam Cooke ten gehore, een liedje dat ik gekregen had, A Change Is Gonna Come, maar de mevrouw wist van geen ophouden. Ze gebaarde naar, wat leek, m’n achterwerk. Ik fronste m’n wenkbrauwen. Zette toch mijn iPod af.

“Je broek.” wees ze.
Ik droeg een zwarte broek die dag. Ik keek een beetje schuin naar m’n billen. Ik zag niets.
“Er zit wit op.”
“Wit?”
“Ja, wit.”

Die middag gaf ik een baby de fles. Om drie uur zat ik met een net opgewarmde fles op de donkerblauwe bank en liet baby drinken. Het arme kind kon de hoeveelheid melk niet aan, spuugde steeds wat terug. Dus voedde ik hem in étappes. Dat ging goed.
Hij had langs de zijkant van zijn slabber en nekje geknoeid. Ik had het netjes schoongeveegd; ook m’n arm en zijkant van m’n vestje, maar blijkbaar was het langs mijn linkerbil gegaan. Hoe dat kon gebeuren moet je mij niet vragen.

Ik ging gisteren in een zwarte broek en een witte vlek op m’n arse naar huis.
Fijn.
Heel fijn.

’s Avonds die broek meteen in de wasmachine gestopt. Maar goed ook, want vanochtend droeg ik ‘m weer en was ik samen met din/collega de 1000e bezoeker bij het kindvak en moesten mochten we op de foto, om erna snel telefoonnummers af te geven om op later tijdstip een cadeautje uit te zoeken.