MIJN EIGENAARDIGHEDEN ZIJN,

voor een ander (ook) weer eens om te lachen.

Het staat hieronder, en ik maak er verder geen woorden over vuil.

1) kleding binnenstebuiten dragen totdat iemand me erop attendeert dat het niet kan tenzij het mode is.
2) Vergeten dat er meer mensen om me heen zijn en eerst zachtjes gaan neurien totdat ik helemaal in het moment zit en besluit hele aria’s uit te gaan halen.
3) koffie uit een rietje proberen te drinken omdat mijn wang verdoofd is en ik cafeine moet, moet, moet!
4) tot drie keer toe een turkse pizzaria proberen te bellen en telkens de Domino’s aan de lijn krijgen totdat de jongen aan de andere kant van de lijn zegt dat het wel welletjes is.
5) Tegen een kind zeggen dat ie niet meer Hoppa! mag zeggen na een boertje, en het dan vervolgens wel zelf zeggen. (Het floepte eruit.)
6) Een (ontzettend Pre Menstrueel Syndromerige) discussie voeren met meneer agent omdat ik mijn afhaalbare fietslampjes ‘verkeerd had vastgeklemd.’ (Lul.)
7) Huilen om mooie liedjes.
8) Een boek kopen en dan vervolgens niet gaan lezen.
9) Voor de vijfde keer de Lama’s DVD zien en net zo hard buikpijn hebben van het lachen als de eerste keer.
10) Heel, heel ver lopen in de herfst, en dan beseffen dat ik ook nog terug moet.

He Ho, maar wacht eens even, en die van jou dan?

LELIJKE NIET ZO KNAPPE ONDERBUURMAN KREEG HET,

in zijn hoofd, afgelopen zomer, een enorme vijver aan te leggen en er een behoorlijke waterval in te plaatsen.
Al drie keer kwam hij bij me aan de deur om te vragen of ik een keer bij hem in de achtertuin wilde plaatsnemen.

‘Zo sneu, je hebt niets aan je balkon he?’

Nee, ik had niet zo’n behoefte om in mijn retro bikini in de zon te gaan zitten, hangen, liggen als de onderbuurman steeds net deed of hij het heul erg druk had in de achtertuin en continu naar boven gluurde.

Ik heb moeite met iemand vertellen hoe het zit. Deze keer moest ik erg duidelijk zijn.
Ik nam een diepe zucht en gooide eruit:

‘Ik heb niet zulke behoefte om in je achtertuin te zitten.’

Het was duidelijk.

Pijnlijk.

Hij was diep beledigd.

Mijn punt was eigenlijk dat ik wilde vertellen dat ik wel enorm geniet van die bruisende waterval. Als ik met een vermoeid lijf van al dat harde werken onder het dekbed ga, dan word ik kalm en voel me tevreden bij het horen van die waterstralen.

Een soort van vakantiegevoel ondervind ik dan.

Dat wilde ik even kwijt.

*luister*

ER VIEL EEN BAKJE,

op mijn hand. Bij het kinderdagverblijf hebben alle kinderen een eigen ‘bakje’. Daarin leggen ’s morgens de ouders een pyjama in en het allerbelangrijkste: een knuffel en/of speen.

De bakjes zijn zwaar. Sommige ouders proppen er hele rugzakjes in. Ik wilde een bakje uit de muur halen, zoals bij Kees Kroket, maar de bak viel scheef waardoor ik niet op tijd de bak pakken kon, met nog een kind op mijn schoot.

‘Hola!” riep ik, terwijl ik vliegensvlug S (2 jr) vastpakte en op hetzelfde moment de bak wilde grijpen. De bak viel bovenop mijn hand.

Er waren nu beroepenweken. Leidsters deden ‘groot werk’ vertelde T (3,5 jr) ooit, maar nu moest ik echt naar de dokter.
Dokter W (3 jr) nam een verband en begon het om mijn hand te wikkelen.
Maar ik ben links en ik kon met links niets meer doen, ook niet met kinderen spelen, knuffelen, eten, drinken.

‘Ik doe het verband maar even af, oke?’ vroeg ik aan S. (2 jr)
Hij bekeek mijn hand. Het was dik en een beetje paarsblauw.
‘Tusje optoen.’ vertelde hij.
Hij leunde voorover en zette twee met besmeurde yoghurtlippen op mijn blauwe-plek-hand.
‘Nou oveh?’ vroeg ie toen.