IK ZAL DIE OCHTEND NOOIT VERGETEN,

toen ik onderweg
in de trein naar Den Bosch,
naar m’n (oude) baan,
met een ferme smak
teruggeworpen werd
in mijn stoel
omdat de trein
plotseling stopte.

We moesten een uur
in de trein
blijven zitten
op een koude
januari ochtend
half 7, het was zo vroeg,
omdat iemand
zichzelf ervoor
gegooid had.
Ze moesten schoonmaken,
de trein,
het spoor,
en wachten op degene
die toestemming geven moest
om weer gewoon
met de dag verder te gaan.


‘Kun je mij vertellen
waarom je zwaaide met je hand
‘Dag’
en je omdraaide
om te gaan?
Kun je mij vertellen
waarom je het boek sloot,
je leven eindigde
en een gelukkige toekomst
uitbleef?’

Opgedragen aan
de vreemdeling
januari 1999
treinreis naar Den Bosch.

(Sorry voor de treurigheid,
maar dat is
ook leven.
Hoe ironisch …)

HET HEET Q-TIP,

in het engels. Toen ik jaren geleden in Amerika was, stond hij ’s morgens voor de spiegel, terwijl ik douchte, en pakte een wattenstaafje uit het doosje.

Dat herinnerde ik me opeens, vanmiddag, toen ik onderweg was naar huis, in een vrij lege trein. De spits was net vermeden. De zon stond laag. Ik knipperde tranen weg. Geen heimwee tranen. Helemaal niet zelfs. Die tijd was geweest. Ooit. De zon was alleen te fel.

Q tip.

Ik vond het toen al zo’n leuk woord.

Er lag een wattenstaafje op de smerige vloer. Het lag daar maar te liggen. Naast een Metro en wat opgedroogd plakkerig spul dat misschien door kon gaan voor geknoeide fristi.

Ik heb de hele weg naar huis zitten bedenken wie en waarom iemand in de trein het in z’n bol kon halen zijn oren te poetsen.

TOEN DE BIOSCOOP LEEGLIEP,

ving ik het volgende op:

“Ik wil ook een man die zegt
dat alles klopt, als ik het ben.”

Diep. Kei diep.

En klikkerdeklik!

ZOLANG HET MAAR DRAAIT,

moesten ze gedacht hebben. We zaten naast elkaar, in kleermakerszit, te kijken naar de wasmachine. De kleurtjes, poppen, auto’s, blokken en al het andere speelgoed was vergeten.

“Kijk, nu komt er water bij, en dan gaat de wasmachine dadelijk weer draaien.” legde ik uit.

“Gaat weeeeer!” riep S (2 jr) en wees terwijl hij lachen moest.

Er kwam sop bij, toen de trommel weer stilstond. Met grote ogen werd gekeken wat de wasmachine allemaal deed.

“Gaat weeeer!” riep S weer en wees terwijl hij weer lachen moest.

Waar hou je een kind mee zoet? *klik*

BLAUWE PLEK:

Er stonden twee grote jongens aan de straatkant. Ze waren heel groot. Te groot om eromheen te wandelen. Het trottoir was ineens zo smal.

Sommige jongens wilden ruzie maken. Zij gaven dan duwen in haar rug. Gingen aan haar schouder porren. Met speeksel praten in haar gezicht. Vieze adem. Vieze vingers. Overal.

Wat had ze gedaan?
Ze wilde alleen passeren.
Het trottoir was toch voor iedereen?

Was het trottoir maar breder. De vierkanten groter. Het grijs zachter.

Huilen kwam na de stomp in haar maag. De vuist die de kleding wilde doorklieven, dwars door haar vel tegen haar ribben en vol op haar maag maakte een doffe, holle klank. Een klank die muzikanten zouden verafschuwen. Niet zouden opnemen in hun repertoire.

Ooit weleens een stomp in je maag gehad?
Zodat de adem in ene uit je lijf blies?
Zodat je voorovergebogen dubbelklappend naar adem snakte?
Niet kon omdat het zo’n pijn deed?
Een holle, blauwe plek op je magenziel?

Die pijn.

Het uitlachen was het ergste.

*klik*