SOMS HUIL JE EVEN

voor een ander,
terwijl je zelf
niet echt noodzakelijkerwijs
verdriet hebt.
De crematie was raar
en mooi tegelijk.
De mensen die spraken.
De liedjes.
Het jongetje met z’n blokfluit.
De kist vol bloemen.
De gebogen schouders
van de verlatene.
Het heftige snikken
van een kleinkind.
Ik stond in de rij
omdat het hoorde.
Ik kende de persoon
in de kist helemaal niet.
Ik was er voor jou,
om je te steunen.
Een blik op je broze schouders
en de arm om je zoon
maakte dat ik
mezelf even verloor
in het verdriet
van een ander.

Hope there’s someone
Who’ll take care of me
When I die, Will I go

Antony and the Johnsons.

EERLIJK DUURT HET LANGST,

zeggen ze toch altijd? Waarom voelt eerlijk zijn dan soms zo kl*te?

Het was maandagavond, na half zeven, toen ik mijn fiets wegzette en schuin naar het andere gedeelte keek van het appartementencomplex. Er stond een gelikt mannetje, in krijtstreeppak, met een soort van bordje in zijn hand, te praten met een buurmeneer.

Het was verder dan half zeven en de spaghetti moest nog koken en de saus moest nog pruttelen toen de deurbel ging. Ik moet me meestal even mentaal omschakelen als de deurbel gaat, zo’n onverwacht moment waarin de ene persoon wel weet wie hij is en de ander nog niet. Zo’n moment van, ik-weet-niet-zeker-of-ik-wel-wil-opendoen-want-voor-je-het-weet-is-het-gezelschap-die-je-even-niet-wilt-zien.

Het gelikte mannetje stond met een brede grijns voor de deur.
“Goedeavond, sorry dat ik u stoor, ik weet dat ik inderdaad aan de late kant ben, maar ik heb al meerdere adressen hier gehad.”

Ik fronste mijn wenkbrauwen. Ik weet dat ik inderdaad aan de late kant ben?
“Dat is toch juist de bedoeling? Dat u de mensen treft die de hele dag gewerkt hebben en rond deze tijd juist thuis zijn? Dat doen telefoon-enqueteurs toch ook?”

Hij sloot zijn mond.

“Ik ben van de Nuon.”
Ik hoorde de rest al niet meer. Zijn mond bewoog en ik dacht alleen maar aan mijn spaghettisaus.

“Mag ik u even onderbreken?” vroeg ik.
Hij sloot wederom zijn mond.
“Ja, u zult wel denken —” ratelde hij vervolgens verder.
“Nou, ik vroeg me alleen af wanneer u nou to the point kwam.”

Hij hield zijn kortere versie aan van het verhaal. Over overstappen op Nuon. Of ik een jaaropgaaf had. Of ik dit en dat en zus en zo.

“Mijn vader werkt bij de Essent.” flapte ik er toen ineens uit.

Hij sloot voor de laatste maal zijn mond.
“Oh, dat ligt dus gevoelig? Familie en zo?”

Ik knikte.
“Dag meneer.”

Mijn vader werkt helemaal niet bij de Essent.

IK STOND AAN DE WATERRAND,

met de zon op mijn sproeten, bij de Waalkade in Nijmegen.
Dat geeft mij altijd gemengde gevoelens; alsof er plotseling mini golfjes ronddobberen in mijn maag. Dat geschitter aan de oppervlakte van kolkende golfjes op een verder kalme rivier. Met een enorme brug richting Arnhem en verder.

Maanden geleden, toen de zon op mijn schouders stak, zat ik op het terrasje, met mijn blote voeten, slippers op de grond, op een houten stoel, over de rand van de Vliegeraar te turen. Er kwam een schip langs, dat een lange lijn tekende op de rivier. En vanuit mijn linkerooghoek zag ik een heel klein, blond jongetje.
Hij liep dichtbij de waterrand.

Mijn hart stopte even. Mijn rug ging recht. Mijn paniek van binnen leek belachelijk overdreven. De zon scheen op zijn witte haartjes. Hij stapte en wiebelde en lachte. Keek achterom naar zijn vader. ‘Kijk dan, papa!’

Ja, en ga nu alsjeblieft weg bij die rand.

Angst is een allesomvattende emotie. Een reactiemiddel om gevaar te bespeuren en ernaar te handelen. Een lichaamsaansturend waarschuwingsmiddel.
1979, waar ik rillend van angst aan de kant stond van een instructiebad en met m’n lijf wel in het bad wilde springen maar m’n hoofd weigerde, omdat ik het water te eng vond, te bodemloos die diepte, en de badmeester schreeuwend in m’n oor en wilde gebaren maakte maar ik als vanzelf zijn woorden en octaven uit m’n hoofd wegveegde omdat ik daar weg wilde, heel snel.

‘Spring dan!’ riep de badmeester in m’n oor. Er gingen zware trillingen door mijn lijfje. De tranen rolden, vermengd met chloorwater, over mijn wangen. Toen voelde ik een enorme stuwkracht, van een sterke, duwende hand op mijn rillerige rug, waardoor ik geen weg meer terug zag. De diepte voor me steeds dichterbij kwam. Het klotsen van water om me heen hoorde. Het water me omsloot als een draaiende, verwarrende sluier waar ik onmogelijk uitkwam. Ik bewoog mijn armen. Voelde de sluier zwaarder om me heen. Het trok me naar beneden, naar de diepte, waar ik niet wilde zijn.

Vanachter mijn zonnebril werden tranen weggeknipperd. Lag de Vliegeraar op m’n schoot, terwijl ik zag dat vader zijn blonde zoontje aan de hand meenam naar hun eigen plek, ver van het water vandaan.

Ik stond aan de waterrand bij de Waalkade in Nijmegen. Een plek waar ik vaker rondloop. Omdat het me aantrekt en wegduwt. Zoals water kalm kan zijn en genadig. Mysterieus en verraderlijk. Er lag een steentje, met een mooie gladde rand, voor mijn laarzen. Ik bukte om het op te rapen en voelde de zwaarte in mijn handpalm. Met een vloeiende beweging gooide ik het daar. Waar het hoorde.

waterrand

Door de site te te blijven gebruiken, ga je akkoord met het gebruik van cookies. meer informatie

De cookie-instellingen op deze website zijn ingesteld op 'toestaan cookies "om u de beste surfervaring mogelijk. Als u doorgaat met deze website te gebruiken zonder het wijzigen van uw cookie-instellingen of u klikt op "Accepteren" hieronder dan bent u akkoord met deze instellingen.

Sluiten