MET ZONDER WOORDEN,

en grote bruine ogen was zij daar. Ze was uit haar kinderstoeltje gezet en liep voor me uit. Alsof ze voelde, wist, dat ik de weg niet wist.
Ze had bruine haren tot net op haar schouders met een dikke, korte pony en ze droeg er twee lichtblauwe speldjes in. Een soort van Zweeds cremekleurig gebreid vestje met flosjes eraan. Een ribfluwelen rok, donker, en een lichte maillot.
Ze keek, terwijl ze voor me liep, een paar keer achterom en draaide toen de hoek om en wees naar de donker houten trap naar beneden.

Terwijl ze vragend achterom keek moest ik glimlachen. Ze stapte met haar kleine beentjes naar beneden terwijl ik haar volgde. Het *tip* *tap* *tip* *tap* geluid galmde na; we belanden in een soort kelder waar aan de ene kant de keuken was en aan de andere kant twee toiletten waren.

Het meisje pakte de klink van de deur vast en trok eraan. Op de tenen van haar lakschoentjes probeerde ze de deur te openen. Toen het lukte en ze naar binnen stapte, keek ze me even aan.

‘Pas fermer.’ schudde ze haar hoofd. Ik knikte dat ik het begreep. Pas fermer.

Terwijl ze door de kier van de deur naar me bleef kijken, minutenlang, en ik maar glimlachend terug keek, rook ik aangebrand eten. Er volgde een sliert van grijze rook langs de muren richting toiletten. Langs kleine zwartwit geblokte tegels en donkergele muren. Ik hoorde Frans gevloek in de keuken, pannen die schoven over electrische platen. Een ober trippelde naar beneden en kwam polshoogte nemen, keek mij even bezorgd aan en liep toen weer naar boven. Hij was nauwelijks groter dan ik, maar zijn benen leken kleiner.

Het Frans/Belgische meisje bleef me aankijken, ook toen ze om moest draaien om door te trekken.
Toen mocht ik.

‘Pas fermer?’ vroeg ze toen.

Heel even vond ik dat een benauwd moment. Ik wilde wel de deur gewoon sluiten.

‘Moment fermer, d’acord?’

Ze knikte. Ik sloot de deur. Haastte me. Op de een of andere manier.

Toen ik de deur weer opende stond ze nog op me te wachten. Samen wasten we onze handen. Ik gaf haar twee papieren doekjes. Samen legden we de doekjes in de vuilnisbak onder de wastafel. Voor me uit *tip* *tap* *tip* *tapte ze weer de trap op naar boven.

MEN VINDT JE ZO ALLEENIG,

als je besluit alleen met vakantie te gaan. Toen ik net negentien was, besloot ik heel impulsief een reis te boeken naar Parijs. Ik ging alleen. Liep bij m’n ouders het trottoir af met mijn blauwe koffer en zwaaide toen ik de hoek van de straat om ging met een dikke traan over mijn wangen. De hele reis dacht ik: Waar ben ik aan begonnen?! Het was mijn fijnste vakantie tot toen toe.

Als je met vriendinnetje en ouders naar het zuiden van Frankrijk reist kom je tot de ontdekking dat je soms andere ideeen hebt over vakantie vieren. Een Dune de Pilat opklauteren terwijl je tweede graads verbrandingen hebt opgelopen, zat niet echt in mijn relax lijstje. Mijn voeten, benen en alles dat aan zon reflecteerde, van de zee op mijn huid, bleek tweedegraads verbrand. Maar ik moest me niet aanstellen! Gewoon klimmen, die %!!*&$#@! berg op.

Als je je liefde van je leven (yeah right) besluit achterna te reizen, helemaal naar de andere kant van de oceaan, in Dallas welteverstaan, dan ga je gewoon. In je uppie. Ik was nog nooit in de hal geweest van Schiphol en kreeg spontane angst toen ik helemaal in de war raakte van alle aankomst en vertrektijden op al die borden. Bovendien was ik net twee dagen ervoor mijn knie kapot gevallen en moest ik met hechtingen en krukken het vliegtuig in. Altijd zorgde ik voor een annuleringsverzekering, en dan net die keer niet. Isn’t it ironic? Don’t you think?

Dan was er die keer dat ik vastbesloten was alleen met kerst naar Antwerpen te gaan. Omdat ik kerst thuis vervloekte. Al die gezelligheid met de familie, cadeautjes en stomme kerstbomen. Totdat een vriend ook een beetje alleenig was en we samen besloten te gaan. Op tweede kerstdag bleken alle restaurants gesloten en zaten wij (geheel tegen zijn oma’s regels) bij de Mac. Maar ik moet nog steeds glimlachen als ik eraan terugdenk.

Ik ben weer thuis.

STEL JE EENS VOOR DAT,

er een heuvellandschap je uitzicht beroert.
De bank uitzicht heeft op een kleine verranda.
Dat het hout in het vuur in de open haard
knappert en flikkert.
Dat de koffie pruttelt in de keuken
en de kaarsjes branden op tafel.
Er een boek op de bank ligt op bladzijde 4.
Het dekentje warm is en de sloffen ook.
Je kan uitslapen en kan wandelen langs de rivier.
Stel je dat eens voor, een paar dagen lang.

Nou?

SOMS HUIL JE EVEN

voor een ander,
terwijl je zelf
niet echt noodzakelijkerwijs
verdriet hebt.
De crematie was raar
en mooi tegelijk.
De mensen die spraken.
De liedjes.
Het jongetje met z’n blokfluit.
De kist vol bloemen.
De gebogen schouders
van de verlatene.
Het heftige snikken
van een kleinkind.
Ik stond in de rij
omdat het hoorde.
Ik kende de persoon
in de kist helemaal niet.
Ik was er voor jou,
om je te steunen.
Een blik op je broze schouders
en de arm om je zoon
maakte dat ik
mezelf even verloor
in het verdriet
van een ander.

Hope there’s someone
Who’ll take care of me
When I die, Will I go

Antony and the Johnsons.

Door de site te te blijven gebruiken, ga je akkoord met het gebruik van cookies. meer informatie

De cookie-instellingen op deze website zijn ingesteld op 'toestaan cookies "om u de beste surfervaring mogelijk. Als u doorgaat met deze website te gebruiken zonder het wijzigen van uw cookie-instellingen of u klikt op "Accepteren" hieronder dan bent u akkoord met deze instellingen.

Sluiten