Vaag.

Er zit condens op mijn raam. Daardoor zie ik een miezerig zonnetje van achter een hoge flat die de lucht licht kleurt maar door de condens op het raam blijft alles vaag. Op alle ramen in mijn werkkamer zit vocht dus ik zie bar weinig op dit moment. Af en toe vliegt een ekster (Pica) op het platte dak met iets in zijn snavel. Hij leunt weleens voorover alsof hij weet dat ik hier zit zodat hij me kan groeten maar laten we elkaar geen illusies maken. Soms vliegt hij naar de overkant van het huizenblok en wipt wat heen en weer op de rand. Als ik beneden ben zit hij weleens op een tuinpot naast de voordeur en kijkt naar binnen.

Wat ook door vaagheid omgeven is, is mijn raamwerk en mijn wensen. Ik heb een vaag idee over een verhaal, een idee over hoe het ingedeeld moet worden maar wat ik telkens beangstigend vind is de start van iets. Dat geldt ook voor een wit doek waar ik verf op wil. Dat geldt ook voor een leeg vel in een notitieboek of een leeg beeld op een computerscherm.

Ondertussen heeft de condens op mijn raam ervoor gezorgd dat er lijnen zijn ontstaan. Het lijken wel takken die weer vertakken.

Met kluitje in het riet.

Als je iets geks ziet en je onderzoekt het maar je vindt het niet of raakt het kwijt ben je met een kluitje in het riet gestuurd. Althans, zo zou ik me voelen. Bovendien stuurt het je gemoed alle kanten op. Toen mijn moeder onderzoeken kreeg vonden ze wat ze moesten vinden. Hoewel, op die ene longfoto waren er ‘vlekjes’ te zien maar pas veel later kregen de artsen een aha-erlebnis. Nog veel later krabden de artsen zich ook regelmatig op het achterhoofd. Als patiënt en kind van de patiënt sta je dan machteloos toe te zien wat artsen, die moeten onderzoeken, niet vinden.

Gisteren geloofden de artsen van mijn vader dat wat ze dachten gevonden te hebben weer te kunnen zien via een uitgebreider onderzoek. Maar uren later bleek het niet zo te zijn. Er was niets te zien. Na het uitslapen van zijn roes belde mijn vader mij op. Er klonk teleurstelling in zijn stem. ‘Ze hebben niets gevonden.’

Normaal gesproken hóóp je met onderzoeken dat er niets gevonden wordt. Geen vlekjes, geen vreemde, verdachte oneffenheden. Dan ben je schoon en ga je opgelucht naar huis en is alles in orde. Maar als ze zeggen, het gaat niet goed met u en we hebben iets gevonden maar later is het onvindbaar voel je je terecht met een kluitje in het riet gestuurd.

Ik was er al.

Vannacht liep ik op krakende houten planken op zoek naar het toilet. In het tuinhuisje was een tweepersoonsbed, een kleine keuken, de schrijftafel en een tuinterras maar ik kon nergens het toilet vinden. Was er in dit tuinhuisje wel een toilet? Ik had me voorgenomen het avontuur aan te gaan en ook niet verder na te denken over hooikoorts, eventuele warmte, geen föhn (want dan slaan de stoppen door) en andere zogeheten ongemakken maar ik was er al dus het had geen zin. Waar was het toilet?

In het donker leken de blauwe muren nog meer donkerblauw, buiten hoorde je amper iets, of toch iets, maar verder was het nacht en in de nacht wilde ik het liefst slapen en niet eruit om op zoek te gaan naar het toilet. Ik had vaker gelogeerd in kleine huisjes die voorheen een hele andere bestemming hadden; een voormalige schuur, opslagplek of garage. In die schuur waren provisorische planken opgehangen met haakjes om je kleding op te hangen, er was een raam dat open kon en er was wel een vernieuwde badkamer met toilet. Een mens moet wel kunnen lozen, zeg maar.

Voorbij de boeken van Jan Wolkers in de boekenkast in de hoek van de kamer keek ik naar buiten. Door het ene raam, waar blijkbaar geen rolgordijnen hingen of gordijnen of ik was ze vergeten dicht te doen, keek ik de tuin in. Hoog gras, of een soort bamboe of riet bewoog in het donker, als in een fijn ritme van links naar rechts en weer terug. Ik bekeek het tafereel en was volkomen tot rust. Ik vergat dat ik naar het toilet moest maar in een droom zou je zelfs tot het inzicht kunnen komen dat ook een toilet niet per se hoeft als je wilt fantaseren en schrijven.

Het herhaalt zich.

In de hal sta ik voor de lift. De lift waar ik tientallen keren heb gestaan, maanden geleden. Ik druk op de rode knop met een rode driehoek en de deuren openen. Eerste etage. Als ik uit de lift stap ben ik even terug in de tijd. Daar langs de receptie de hoek om en dan weer de hoek om lag mijn moeder. Kamer 31. Ik zie als ik voorbijloop dezelfde amicale verpleegkundige achter zijn computer zitten. Hij lacht tegen een collega. Hij lachte altijd. Hij heeft niet door dat ik stilsta en de gang in kijk. Die laatste maandagavond, toen stond de brancard klaar om mijn moeder voorgoed naar huis te brengen. Ik sluit mijn ogen en loop door. Mijn vader ligt namelijk aan de andere kant, kamer 21.

Het is een pot met oude zaken waarin geroerd wordt. Het herhaalt zich, herhaalt zich, als in een cirkel zonder eind. Mijn vader zit in de kamer op de hoek van de tafel. Plotseling is hij een klein mannetje. Ik zit ook aan de tafel, op afstand, en wacht. De arts loopt vrolijk binnen alsof hij even pauze heeft maar ik voel niet dezelfde stemming. Hij legt een aantal zaken uit, ik luister, noteer. Ook dat herhaalt zich. Mijn laatste agenda van afgelopen jaar heb ik in een la gelegd. In mijn nieuwe agenda herhaalt het zich weer. Hb waarde. ‘Iets’ gevonden. Onderzoek.

In de trein naar huis herhaalt de zon zich die nu wat lager aan de horizon hangt. De bruglijnen herhalen zich, de flatgebouwen, de stations. Alleen de mensen herhalen niet.

Bert.

Er hangt een lange brief van een notariskantoor in de brievenbus. Afkomstig van een kantoor uit mijn vorige woonplaats. Het voelt raar om op een gewone dinsdagochtend rond lunchtijd een brief te ontvangen met een melding over een nalatenschap van iemand die ik niet ken. Het doet zelfs geen belletje rinkelen.

Als ik bekomen ben bel ik het kantoor en wordt me het een en ander duidelijk. Het wordt me nu ook duidelijk hoe vervlochten families zijn ook al ken je ze niet altijd. De zus van mijn opa, Helena, (in het kort Leen) was getrouwd met Piet en zij hadden een zoon. Na wat speurwerk van laatste adressen en geboortedata kom ik erachter dat deze zoon altijd alleen is gebleven. De onbekende achterneef Bert overleed in 2020 en heeft mensen van een notariskantoor aan het werk gezet en laat nu wat na.

Ik leer een achterneef kennen via een brief over een nalatenschap. Hij laat geen spullen na of een herinnering maar een zakelijke afwikkeling van een bankrekening. Ik leer met terugwerkende kracht iemand kennen die zijn laatste jaren sleet in een woongroep.

Hallo Bert.