Lien Citroen.

Bang om boeken om te stoten als ik mijn heup draai en mijn tas voor me houd stap ik de oude boekwinkel in. De man die eerst buiten stond en boeken in een bak rechtzet komt achter me langs en we zeggen elkaar gedag. Het stapeltje boeken dat thuis op de poef ligt fluistert in mijn oor: ‘Je moet ons éérst lezen!‘ De jaloezie druipt van de bladzijdes af als ik mijn ogen werp op de Franse sectie. Simone de Beauvoir, Jean Paul Sartre, de geschiedenis over Napoleon, de Balzac. De oude boeken kijken me vragend aan.

DE L’AMOUR.

Ik vertrek binnenkort even naar Paris, France. Ik deed een poging La Tresse te lezen maar moest er veel te vaak een woordenboek bij pakken. Ik draai me om naar de andere kant. Mijn oog valt op een blauw boek. Souvenirs Pieux van Marguerite Yourcenar. Dierbare Nagedachtenis in het Nederlands. De titel doet me niets, wel de eerste bladzijde in het boek. ‘Je moet ons éérst lezen!‘ wordt er weer gefluisterd. Het boek is maar vier euro.

Ik vraag achterin de boekwinkel, waar de man zit te praten met een jongedame, of ik mag betalen. ‘Ik had nog zo gezegd dat ik niets ging kopen.’ mompelde ik. ‘Als je teveel boeken hebt weet je waar je ze naartoe kunt brengen.’ zegt de man. Hij draagt een dikke trui, merk ik op. ‘Ik heb een beetje moeite met boeken wegdoen.’ moet ik bekennen. ‘Ja, dat herken ik. Vreselijk.’ Alsof je een beetje van jezelf wegdoet en vergeten wordt…

‘Heb je ook interesse in een schets van deze dame?’ vraagt de jongedame dan. Er ligt een stapel schetsen, kopieën, van een houtskool schets op de tafel. Ik word meteen nieuwsgierig. ‘Wie is zij?’ Dat weten ze niet. ‘Paul Citroen schetste veel. Misschien is zij iemand uit Amsterdam?’ ‘Ik schrijf.’ zeg ik dan. ‘Ik wil er best iets over schrijven.’

Speurderig als ik ben laat ik het er thuis niet bij zitten. Ik Google. Natuurlijk. Ik vind al snel wie deze dame is. Deze dame met een quasi droge blik in haar ogen. Alsof ze zegt:

Ik ga wel weer zitten, poseren, en als het klaar is ga ik verder met mijn eigen werk. Mijn eigen werk is ook belangrijk. Op dit moment ben ik uit houtskool geboren. Met fijne lijnen en al dat is weggelaten kijk ik u aan. Mijn ogen zijn vele malen bekeken en ik keek vele malen door de lens naar u. De buitenranden zijn vervaagd, de binnenranden des te scherper. Ik heb de lijnen gewoven, fijn gelegd en al in het leven, met en zonder de liefde, met volle teugen passend gemaakt. Mijn man zet zijn potlood op het doek en begint zoals hij altijd begint. En ik wacht. Totdat het klaar is.

Want dit was Celine (Lien) Citroen-Bendien. De vrouw van Paul Citroen, de kunstschilder. Zij was een wever, textiel kunstenaar en fotograaf.

Het boek dat ik meeneem heeft vele, met potlood geschreven, aantekeningen staan. Ook dit vind ik fascinerend. Iemand die het boek in huis had vrat de woorden op en arceerde de woorden om het nog beter in zich op te nemen. (En wat betekenen de lijntjes, boogjes, noten en drie puntjes) Een vloek vindt de ene lezer. Een extra dimensie, zeg ik.

Inham.

‘Het maakt niet uit wie je bent… Het maakt alleen uit wat je bent, op dit ogenblik.’

Van Cynan Jones las ik De Lange Droogte, waar ik al door ontroerd was. De zinnen zijn precies zo uitgekozen en neergezet zoals ze moeten worden neergezet. Nu had ik het boek Aleksandra van Lisa Weeda uit en had de keus tussen Neven van Peter Middendorp en Inham van Cynan Jones. Het ging me niet om wie beter schrijft. Het is de smaak van het moment, denk ik.

Als ik de eerste bladzijde omsla lees ik geen lange alinea’s. Sterker nog, ze zijn heel kort. Fragmentarisch en toch een geheel tot beneden aan de witrand. De losse stukjes zijn vanaf het eerste moment al een dobberend, onheilspellend tafereel. Het gaat over een man die zich op zee in een storm bevindt en door de bliksem getroffen wordt. Als hij bijkomt dobbert hij op zee, gewond en heeft hij geen herinneringen meer hoe hij daar is beland, wie hij is en wat hij er kwam doen. Het wordt een overlevingsstrijd. Tegen de pijn, tegen de natuur en tegen zichzelf.

‘Er klonk een vreemd geklater, een alk verscheen, schudde het water af, keerde de kop en streek de veren glad. Keek naar hem, de kop scheef, gedraaid, bleef achterom kijken terwijl hij een paar meter verder zwom. Daarna dook hij weer, was verdwenen.’

‘Dit is het land, zei hij. Dat is alles.’

(Met lof ook voor de vertaler, Jona Hoek.)

Niets hoeft meer.

Ik heb een foto van een jongetje met grote ogen in een grote bril. Zijn knieën zijn knokkels die bijna door zijn suède joggingbroek gaan. Het zijn de contouren van zijn benen die ik zie, zo fragiel. Hij staat naast mijn neefje op een blauwe mat in een gymzaal en houdt zijn beide handen om een balk. Neefje heeft steun nodig van de juf, de mat is niet stabiel en neefjes benen zijn niet stabiel. Deze kinderen zijn me zo lief. Ze maken in deze wereld alles anders, helderder en juister.

En die foto bekijk ik op een middag, terwijl de zon schijnt, en voel me treurig want dit jongetje dat naast mijn neefje staat leeft niet meer. Zijn helm om zijn hoofd, om tegen een eventuele val te beschermen, hoeft niet meer op. Zijn grote bril mag af. Zijn knokige benen hoeven niet meer. Niets hoeft meer. En ik vraag me af of het oké is. Ik vraag me af wat goed is. Ik vraag me af. …

Lees hier de brieven aan Q.

Ik kan niet wachten.

‘Ik vind het niet leuk om te moeten wachten. Ik kan beter iets doen.’ Mijn gastkind kan inderdaad niet wachten. Hij kan niet stilzitten, niet kijken, niet afwachten. Als we twee minuten voordat een metro komt er al zijn wacht hij te lang. Vroeger had ik veel haast en kon ik ook niet wachten. Mijn tempo lag hoog, er was onrust. Nu wacht ik liever dan dat ik opschiet. Ik wacht bij haltes, in de kantine van een zwembad, op een bankje, bij een stoplicht, in een winkel. Ik wacht beter omdat ik kan denken. Ik kan mijmeren, fantaseren en ideeën bedenken. Ik vertrek liever wat eerder zodat ik kan wachten en niet hoef te haasten. Ik heb steeds meer een hekel gekregen aan haasten. Het zorgt voor onrust en ik vergeet dan van alles.

Als ik ergens wacht gaat de tijd als vanzelf voorbij. Het kabbelt soms en af en toe vraag ik me af waar die tussentijd gebleven is. Wat gebeurt er in de tijd dat ik met mijn ogen gesloten en snoet in de zon stilzit? Hoe werkt dat met minuten en seconden? Als ik mijmer ben ik zo een kwartier verder.

Als ik wacht heb ik zeeën van tijd. Het is ongrijpbaar en vult zich met momenten die niet eens perse bij mij horen. Verder lijken anderen niet te kunnen wachten. Ze toeteren omdat ze ergens met een scooter voorbij willen. Ze negeren een rood stoplicht. Ze lopen door terwijl anderen wachten. Misschien is wachten niet echt een hip ‘ding’. Het is onthaasten in een drukke periode vol zaken die geregeld moeten worden. En ook de bezorgers van spullen razen door de stad om op tijd ergens iets af te geven. Want we willen niet langer wachten.

‘Wachten is niet leuk. Ik kan niet wachten. Het duurt te lang.’ moppert mijn gastkind als we in de kantine zitten terwijl zijn broertje leert zwemmen. Hij is ongedurig, wiebelt op de stoel en loopt heen en weer. Geen moment kijkt hij naar zijn omgeving. ‘Kijk,-‘ zeg ik en wijs. -‘Je broer springt in het water.’

Bescheidenheid verdwijnt met de tijd.

Mijn moeder was een luisteraar. Een fluisteraar. Ze was vaak een stille getuige van het verhaal van een ander. Ze kon goed kijken en in zich opnemen zonder iets te zeggen. Ze reageerde wel, als haar iets gevraagd werd, maar meestal gaf ze het podium aan een ander. En luisteren was vaak al vermoeiend genoeg, zeker als het verhaal van de ander de boventoon voerde en alle aandacht uitging naar zaken die voor de ander allemaal even belangrijk waren. Mijn moeder kon goed samenvatten. Dáár ging het dus om. Weinig woorden, weinig tekst. Ze ging achterin haar stoel of bank zitten als ze ontdekte dat iemand teveel aandacht wilde. Dan liet ze de ander. Haar tijd kwam nog wel.

In die bescheidenheid ging veel verloren. Ik hoorde niet wat ze echt dacht van iets of iemand. Ze was geen prater, geen hater. Ze knikte een beetje, kneep haar ogen wat toe en liet het zo. Ze ging er geen woorden aan vuil maken, wilde geen vuil maken. De zaken zouden zich vanzelf ontrafelen, ontdoen van hun jas. Daar weet ik alles van want ik denk vaak hetzelfde.

Bescheidenheid verdwijnt met de tijd. Het zijn de schreeuwers die het hardste roepen en de aandacht krijgen. Hun mening, hun verhaal, hun overtuiging wordt de stilte in geschald. Daar wordt naar geluisterd, zij kennen geen gefluister. Het is altijd het verhaal van hen.

Door de site te te blijven gebruiken, ga je akkoord met het gebruik van cookies. meer informatie

De cookie-instellingen op deze website zijn ingesteld op 'toestaan cookies "om u de beste surfervaring mogelijk. Als u doorgaat met deze website te gebruiken zonder het wijzigen van uw cookie-instellingen of u klikt op "Accepteren" hieronder dan bent u akkoord met deze instellingen.

Sluiten