Eeuwige zucht naar zee.

Op een laag van witte schuim, – het lijkt zo zacht
ben jij op een late avond weggedreven
als een veertje in een pak weggegeven
in een onstuimige, koude nacht

Misschien is je lichaam zoals je pak omhuld
Familie en vrienden laten de herinneringen verwarmen
En iedereen wil je omarmen, – maar
jij bent de eeuwige zucht naar zee.

Voor de Watermannen van Scheveningen.

Het nieuwe normaal.

Een jongen, ik schat hem in de puberleeftijd zit in zijn rolstoel bij de tramhalte. De rolstoel ziet er nogal stoer uit met dikke wielen en felle accenten maar hij kan de tram niet in want de oude tram is te hoog. Ook niet als mensen hem erin proberen te tillen lukt het niet want de trap heeft spijlen aan de zijkant. De tram rijdt weg.
Even later zie ik hoe een oudere man met een rollator de bus wil instappen maar blijft haken met zijn karretje in de dikke spijlen die aan de zijkant van de nieuwe bus zijn gemaakt. Ze zijn bedoeld, waarschijnlijk, voor mensen om aan vast te houden als ze moeten blijven staan.

Er wordt gereserveerd als de jonge vrouw met een beperking met een treinreis meegaat. Dat is omdat medewerkers van de spoorwegen paraat moeten staan om haar de trein in te helpen. Als de reservering er niet is lukt het haar niet op de treinreis te maken. Het station is te chaotisch en te snel om zich erin te bewegen en ze heeft echt hulp nodig om in de trein te komen. Zo’n reservering zal niet altijd op het gewenste moment zijn, neem ik aan, maar ja, ze mag al blij zijn dat ze soms mee kan met het openbaar vervoer.

Bij het lunchcafé moet ik moeite doen om de wandelwagen omhoog te laten veren om de drempel over te gaan. De drempel is veel hoger dan de gemiddelde drempel. Eenmaal binnen staan de tafels en stoelen te dicht bij elkaar. We moeten ze eerst opzij duwen, tafels opzij zetten, om een plekje te vinden. De mensen die al aan tafels zitten kijken even verward op. We wijzen zonder woorden naar de situatie. Kind in een wandelwagen, kind kan niet lopen maar ook mijn neefje mag genieten van een bezoekje aan een lunchcafé. Maar dan begrijpen ze langzaam waarom iemand de tafels en stoelen opzij zet en helpt men mee.

Ik zou degenen die ooit hebben bedacht wat normaal is de vraag willen stellen waarom de norm ‘normaal’ betekent dat mensen kunnen lopen, kunnen zien en horen, goed kunnen leren en bovendien nog iets extra’s bezitten zoals fijne trekken, slank postuur en minimaal een fijn voorkomen? Waarom hebben we met z’n allen bedacht dat de norm betekent dat mensen die niet kunnen lopen, niet (goed) kunnen horen en zien, minder goed kunnen leren of niet zo snel kunnen leren, geen slank postuur hebben en misschien chronisch of psychisch ziek zijn, geen volle lippen, grote ogen of een asymmetrisch uiterlijk hebben niet bij deze norm horen?

We zijn gewend, en het begint al bij ouderschap, dat we vanzelf alle ruimte innemen om te kunnen bestaan, te kunnen leven en de kinderen te laten groeien en te laten ontwikkelen. Daarvoor bouwen we huizen, scholen, musea, restaurants en speeltuinen die gebaseerd zijn op de mensen die deze norm van ‘normaal’ naleven. We staan er niet eens bij stil, we vinden het soms zelfs ergerlijk dat er plekken in het openbaar vervoer of op parkeerplaatsen bezet worden gehouden voor mensen met een beperking, want het neemt ruimte in. Onze ruimte. Denken we.
Hetzelfde geldt voor de speeltuin. Als geheel normaal zitten ouders bij de speeltoestellen en laten hun kroost lekker hun gang gaan. Het is voor ouders met kinderen met een beperking soms lastig om hun kind ook daar te laten spelen. Sommige toestellen kunnen niet eens gebruikt worden voor hun kind. Als het wel kan duurt het soms langer om hun kind te installeren. Het neemt tijd en ruimte in. Andere kinderen zullen moeten wachten. Maar iedereen hoort in die ruimte. De ruimte is van iedereen.

We wachten tegenwoordig, sinds een paar weken, netjes in de rij bij een winkel. We staan achter de streep en geven elkaar de ruimte als we boodschappen willen doen. Er is genoeg ruimte om te bewegen. We zijn over het algemeen best geduldig maar we voelen ons ook beperkt. We mopperen ook dat we misschien met een reservering de trein in zullen moeten, of niet meteen een bus in kunnen, moeten wachten. Ja, lieve mensen, dat is nou het nieuwe normaal. Maar aan alles raken we gewend. Hopelijk komt er ook een dag, als we genoeg van ons laten horen, dat de norm is dat iedereen in de ruimte past en hoort, dat die anderhalve meter samenleving er eentje is die ons laat zien hoe we de ruimte delen. Met z’n allen.

Wil je mijn blog steunen met een bijdrage? Doneren mag hier.

Wil je mijn blogstukjes in je mail ontvangen? Abonneer je dan hier.

Het deed me beseffen dat veiligheid hetzelfde is als vrijheid.

Vanochtend ruimde ik oude spullen op. Mapjes foto’s, een paar plakboeken van mijn stage periodes, onder andere eentje van de MLK school waar ik een jaar werkte. Foto’s van werkplekken, groepen kinderen. Een klassenfoto met kinderen die ik nog bij naam kon noemen. Peter. Simon. Zoë. Herman. Als ik achterin de klas zat om te kijken en te leren van de juf legde Herman altijd een hand op mijn been. Dat mocht niet van de juf, maar ik vond het schattig.

En een paar rapporten. Van de basisschool waar ik altijd met veel plezier naartoe ging. Dat werd op de middelbare school anders. Elke ochtend huilde ik de route van huis naar school. Elke dag moest ik een weg zien te vinden door koude, lange schoolgangen, met kinderen die mij niet wilden leren kennen, met leraren die het te druk hadden met grote groepen, met mezelf onder controle houden want anders ging ik onderuit.
Mijn klas was geen warme, veilige klas. De school voelde als een kooi waar ik elke ochtend in werd gezet en alleen uit mocht als de lessen voorbij waren. De weg naar huis werd later ook een gevaarlijke.
Ik bekeek met een zwaar gevoel de rapportcijfers. In de eerste klas van de Mavo ging het nog redelijk. Alles was voldoende, op wiskunde na. Geen uitschieters, alleen voor tekenen. Maar in de tweede klas ging het minder. ‘Kom op, Karin, nog even je best doen.’ schreef mijn mentor destijds. Ik deed al zo mijn best.

In mijn herinnering waren de overhoringen en proefwerken testen in falen of winnen. Er was geen middenweg want op je rapport kwam een cijfer terecht dat als een vonnis bepaalde of je naar het volgende leerjaar ging of niet. En ik voelde me overgeleverd aan de lesstof, mijn gemoedsrust en de tijd.

Het deed me ineens beseffen dat veiligheid, je veilig voelen, hetzelfde is als vrijheid. De veiligheid en vrijheid om jezelf te zijn, de kleding te dragen die jij wenst aan te doen. De veiligheid en vrijheid om in je eigen omgeving te uiten wat je dwars zit, wat je wilt delen en kunt laten zien, aan iedereen. Als je de veiligheid niet hebt raak je verstomd in jezelf. Je wordt een beetje kleiner, een beetje stiller, totdat je een schim bent van wie je ooit mocht zijn. Als je het idee hebt dat je de mond wordt gesnoerd, je gedachten niet mogen passen bij wie je bent en je het gevoel hebt je in te moeten houden omdat de ander je de mond snoert, jouw gedachten wegwuift of duwt is het vele malen enger om toch hard te schreeuwen.

Wil je mijn blog steunen met een bijdrage? Doneren mag hier.

Wil je mijn blogstukjes in je mail ontvangen? Abonneer je dan hier.

Vandaag herdenk ik.

Vandaag hangt de vlag halfstok bij het huis aan de overkant. Het wappert een beetje heen en weer, er is weinig wind. De zon schijnt zelfs.
Ik denk aan een ver familielid Kees. Hij was nog maar achttien jaar oud toen de Tweede Wereld Oorlog uitbrak en hij een oproep kon krijgen om te gaan werken in Duitsland. Dat wilde hij niet en dus dook hij onder. Eerst bij zijn broers en zwager en later bij opvangadressen, onder andere bij een boer in Moergestel. Het was gevaarlijk om onder te duiken, ook voor het onderduikgezin.
Als Kees uiteindelijk in Diessen in een vakantiepark terechtkomt waar nog meer onderduikers bivakkeren, onder andere ook een geallieerde piloot en verzetsstrijders, wordt het toch nijpender.

Als hij op een middag over het paadje loopt onderweg naar zijn verblijfplaats, staande wordt gehouden door twee Zollbeambten en zijn identiteitsbewijs moet laten zien heeft hij deze niet bij en verzint een smoes dat hij heel dichtbij woont. Hij is een boerenzoon en z’n moeder heeft vast het eten op tafel staan. Ze kunnen wel mee hoor, oppert hij nog. In werkelijkheid is hij zijn moeder al jaren geleden verloren en is het niet de bedoeling dat deze Zollbeambten weten waar hij werkelijk onderdak heeft.

Dan gaat het helemaal mis. De volgende avond omsingelen ze het vakantiepark. Bij het eerste het beste huisje arresteren ze Kees en een paar anderen. Het enige geluk is dat ze verder geen zin hebben de rest van het park te doorzoeken. Maar Kees wordt gehoord in Den Bosch, wordt naar Kamp Amersfoort gebracht en van daaruit naar Neuengamme.
In Dongen, waar hij geboren en getogen is, wordt de bevrijding gevierd in oktober 1944. Hij zal het niet meemaken. Hij overlijdt, zo staat in de papieren, aan een longaandoening om 9:00 op 25 oktober 1944 in het concentratiekamp. Het is aannemelijker dat hij door ondervoeding, mishandeling en uitputting is overleden.

Vandaag herdenk ik mijn oudoom Kees Jacobs. Hij ligt begraven op het ereveld in Loenen en in de kapel in Dongen wordt zijn naam geëerd met een plaquette. 13-1-1922 – 25-10-1944.

Wil je mijn blog steunen met een bijdrage? Doneren mag hier.

Wil je mijn blogstukjes in je mail ontvangen? Abonneer je dan hier.