Karin Ramaker

In je eigen donkere bovenkamer.

Stel dat de binnenkant van je hoofd een zolderkamer is. In die zolderkamer kom je niet heel vaak, en als je er komt sta je meteen tussen de rommel. Troep. Afval. Dingen die je daar ooit neergegooid had en niet meer wil zien. Oude dozen vol kaarten, brieven, verslagen van oude schoolopdrachten, oude rapporten, ansichtkaarten, ordners met zakelijke affaires, foto’s, verpakkingen van spullen die je gekocht had en even moest bewaren want stel dat het apparaat het niet goed deed en je die doos weer moest inleveren maar ja, het apparaat deed het wel en dus blijft die doos daar liggen. En dan zijn er ook nog dozen en koffers met spullen die al jaren niet meer het daglicht gezien hebben. Je zou niet eens meer weten dat je het bewaard hebt. Oude mokken, trofeeën, boeken, tijdschriften, oude kleding. Kapotte koffers, rugzakken, plastic tassen met spullen, oude computers. Alles wat daar ligt, ligt daar weg te stoffen in je eigen donkere bovenkamer.

En daar sta je dan, te midden van die zelf gecreërde troep. Dat iemand anders het troep noemt is onacceptabel. Dat is geen troep, dat zijn mijn spullen. Dierbare spullen. Verzameld als een intieme collectie. Elk stukje rommel heeft zijn eigen geschiedenis en herinnering. Hoe kun je dat troep noemen? En toch, als je daar zo staat, tussen de stoffige dozen, moet je bekennen dat jouw rommel echte rommel is. Het is niet voor niets daar op die zolderkamer weggezet. Het is al die tijd onaangetast geweest. Het is nauwelijks bekeken. Het staat niet pontificaal in de woonkamer te glinsteren van geluk en trots. Het staat niet in de keukenkast klaar om hergebruikt te worden. Maar stel dat je besluit dat het weg mag en een moment later kun je niet meer terug? Je hebt je eigen stukje ik weggegeven aan het grofvuil en het is onomkeerbaar.

Het is iets zekers, dat idee dat er spullen en tastbare verhalen in die zolderkamer verscholen zijn. Als je er niets mee doet hoef je ook niets te kiezen, niets te moeten en niets te willen. Dan blijft alles zoals het was, in schijnveiligheid. Als je iets niet moet, hoef je ook geen plek te maken. Als je namelijk plek maakt creëer je openingen.

Het zijn stukjes ziel, gedeeltes van stukjes Jij die weggestopt zijn en misschien eens tevoorschijn zullen komen. Dat het al jaren niet meer zo is, zegt verder niets.
Door het opruimen en herindelen ontstaat er een opening in de opeenstapeling dozen die zware ladingen cd’s en cassettebandjes bevatten. De volgeschreven schriftjes, de stapels oude boeken worden bekeken en opnieuw gewogen. Een stapel niet, een stapel wel en een stapel vraagteken.

Ik heb totaal geen moeite met opruimen. Het werkt voor mij bevrijdend. Ik maak ruimte voor nieuwe dingen. Ik hou van een heldere zolderkamer.