Karin Ramaker

Iedereen zat in mijn aura.

Hij zat naast me.
Hij droeg een geel met groene sjaal over zijn spijkerjack met een geel shirt.
Naar mijn idee was hij fan van Ado.
Zijn linkervoet tikte snel en hard op de vloer. Het verraadde een liefde voor hardcore muziek. Door zijn oordopjes heen kon ik de bonkende geluiden horen, net nu ik het allerliefst helemaal niets wilde horen.
Ik wreef even in mijn ogen om de scène erna weer in me op te nemen.
Naast hem zat een man met overgewicht.
Zijn zwarte zijden overhemd zat strak om zijn bovenlijf.
Tussen de kieren van zijn overhemd bij de knoopjes, die verrassend genoeg dicht bleven zitten, zag je oude witte huid. Zijn dikke bovenbeen schuurde tegen de nerveuze hardcoreman aan.
De hardcoreman ging verzitten maar wreef zijn dunne, knokige knie tegen de mijne. Ik schoof mijn benen opzij.
Iedereen zat in mijn aura die dag.

Heel erg rustig blijven.

Het is warm. Ontzettend warm. Er is geen ontkomen aan; bij elke beweging voelt mijn rug klam, wrijf ik het vocht van mijn wangen en voorhoofd en puf ik even. Alleen dat al zorgt voor warmte.

Ik kan vrij goed tegen de warmte. Sommige mensen willen alleen maar in het water duiken. Daar heb ik geen enkele last van. Ik zit eigenlijk dolgraag in de zon. Het is meer een mentale toestand, denk ik weleens. Het heeft niets te maken met kleding, water of geen water of wel of niet iets doen. Als je weinig kleding draagt heb je het ook warm. Als je minder doet puf je het ook af, al vraag je je af hoe dat kan.
Het is rustig blijven. Misschien inderdaad niet teveel hooi op je vork maar je vooral niet druk maken over de warmte. Als je de nadruk legt op het hardop uitspreken ‘Ik heb het zo warm’ krijg je het denk ik nog veel warmer. Het is gewoon in- en uitademen, weinig beweging en rustig blijven. Heel-erg-rustig-blijven.

De wekker staat op vier uur en vijfendertig. Ik staar naar het plafond in het donker en zie een vage lichte gloed voorbij komen van het rolgordijn dat heel af en toe beweegt. Het is warm. Voorzichtig draai ik me om en sluit mijn ogen.

De kerkklok sloeg zijn zeven slagen en mijn blik viel op een meterkast.

Ik zat op een hellend stalen bankje bij het tramstation. Ik heb die hellende zitbankjes nooit begrepen. Ze zijn glad en je schuift eraf. Maar ik had een enerverende werkdag achter de rug en mijn tram zoefde zo aan me voorbij dus ik moest wachten.
Vroeger vond ik wachten zo ontzettend nutteloos. Er zijn nog steeds mensen die tijdens het wachten hun mobiele telefoon erbij pakken om toch even tijd te doden. Dat doe ik ook soms, maar meestal kijk ik om me heen want er is zoveel te zien. Zoals gisterenavond. De kerkklok sloeg zijn zeven slagen en mijn blik viel op een meterkast.

Ik zag een soort verfstreep. Wel meerdere. Het waren dikke strepen. Het gekke was, het waren geen verfstrepen. Ze zat, een vrouw, in een soort yoga pose. Ik had nog maar een paar seconden want ik hoorde de tram al achter me. Snel schoot ik een foto. Ik was aangenaam verrast en blij met wat ik gezien had. Zo’n lichtgrijze meterkast was meestal maar een saai object. Er bestaan heel veel saaie objecten. Bedradingen, verwarmingsbuizen, elektriciteitskabels. De wereld wordt een klein beetje minder saai, meestal flink opgepoetst en verrassend als je beter kijkt en je creativiteit laat spreken.

Thuis liet ik de foto aan vriendlief zien. ‘Wat zie jij?’ vroeg ik. Hij was snel. ‘Een zittende vrouw.’ Ik glimlachte breed. Ik was blij met iemand die het meteen snapte.