Wattenhoofd.

Blijkbaar heerst het. De mensen in de trams en treinen snotteren en hoesten de hele tijd. In mouwen en zakdoeken maar vaak ook gewoon zonder. Een tijdje terug zat ik in de tram achter een meneer die hard moest niezen en even hoopte ik dat hij zijn zakdoek paraat had of de binnenkant van een mouw maar hij proestte het zo naar voren in het kort geknipte kapsel van een mevrouw.

Het heerst blijkbaar. Er waren een paar kinderen die met rode hoofden uit school kwamen en als kleine robots mee sjokten naar huis. Ze waren stil en dat was vreemd want normaal gesproken kletsten ze de oren van je kop. Het was zelfs zo rustig dat ik er een raar gevoel bij kreeg. Er waren watten in hun hoofden gekropen. En dan werd er opeens heftig gehoest. ‘Hand voor de mond!’ riep ik dan. Ik hoorde mijn ouders.

Ik werd zondag wakker met de stem van iemand anders. Het leek alsof er een man in mij gekropen was. Eentje die ook nog eens zware shag rookte. Mijn keel was erg pijnlijk bij elke vraag die ik stelde. Het meest vreemde aan een snotterhoofd is het gevoel dat de wereld een beetje trager gaat. De mensen in die zelfde trams en treinen die tegen elkaar geplakt staan en voor zich uit staren in tunnels en stopmomenten verroeren zich niet en het beeld gaat als een langzame film aan me voorbij.

Wil je mijn blogstukjes in je mail ontvangen? Abonneer je dan hier.

Als je schaterlacht.

Weet je wanneer ik heel blij word? Als je schaterlacht. Als je de bal voor je voet legt, terwijl je zit, en je met je voet de bal wegschopt. Het gaat best hard. Een zitvoetballer zou zeggen: Dat is een talentje. Maar ja, ik ben een bevooroordeelde tante, ik zeg dat natuurlijk.
Als je schaterlacht vult de kamer zich met vrolijkheid. In die grote schaterlach zit alles.

Afgelopen weken waren papa en mama het zo beu om je die vieze fabrieksmelk (voorgeschreven door het ziekenhuis) te geven en begon mama aan een voor menig diëtist en arts aan een controversieel en niet gemeten nieuwe voeding. Gewoon, normaal eten. Vanaf je geboorte tot na je tweede verjaardag was een aantal keer per dag spugen meer regel dan uitzondering. Voordat je moest spugen werd je misselijk, moest veel kwijlen en kwam het vaak met een golf eruit.

Blended diët kan nu makkelijker door de buiksonde, dat gekke slangetje dat nu uit je maag komt alsof je een klein staartje hebt. Je krijgt een boterham met appelstroop of kipfilet, twee stuks fruithap en avondeten gewoon door de blender fijngemalen als een soort smoothie door je buiksonde. En wat gebeurt er?

Je spuugt niet meer. En je plast weer meer. Je ontlasting is normaal. Je huidskleur is goed. Het is hoe het hoort. Daar krijg je vanzelf een heel blij kind van.

Afgelopen maandagmiddag zaten we beiden op de grond en voetbalden we. We hadden een nieuwe regel bedacht. Als de bal op het kleed terecht kwam moesten we de bal kruipend pakken. Nou ja, in de praktijk kwam het erop neer dat tante Karin die bal kruipend ging pakken en jij kreeg de slappe lach. Je schaterlachte en schaterlachte. Het kon niet leuker!

Even later probeerde je een soort kruiphouding. Met je ‘goede’ been en armen steunde je voorover en wilde je je knie omhoog doen. Dat deed je de laatste tijd wel vaker. Voordat ik naar huis ging deed je het weer. Maar nu had je beide benen opgetrokken en zat je in de kruiphouding met beide knieën onder je buik. Je sterke arm hield je een beetje in balans. Zou het?

Vorige brieven aan Q lees je hier!

Wil je mijn blogstukjes in je mail ontvangen? Abonneer je dan hier.

Je treuzelt omdat je wilt uitstellen wat er nog wel is.

Gisteren worstelde ik met een woord in mijn verhaal. Het woord klopte niet helemaal maar het vervangende woord ook niet. Ik noteerde in mijn notitie-app op mijn telefoon allerlei synoniemen en beweegredenen om dat ene woord te schrappen totdat ik bedacht dat ik dat woord niet voor niets gebruikt had. Wat was de reden dat ik het woord ‘gevallen’ gebruikte in plaats van ‘gesprongen?’ Wat was er aan de hand? Ik schreef op een blaadje wat woorden om het helderder te krijgen.

Vanmorgen besloot ik toch even achter mijn bureau te gaan zitten ondanks het voornemen iets anders te gaan doen op mijn vrije dag. (Appeltaart bakken.) Ik hoefde nergens naartoe, het was een tikje somber buiten en de druppels kleefden op het raam. Hetzelfde gebeurde even later met een andere zin uit een andere alinea.

Hij hing zijn jas op de kapstok en deed zijn schoenen uit. Zijn grote teen duwde hij tegen de achterkant van zijn ene schoen en hij deed het ook met zijn andere schoen. Het leek alsof hij treuzelde.

Al schrijvende kwam ik erachter dat er een reden was dat hij in de gang treuzelde. Je treuzelt als je ergens niet naartoe wilt. Een andere ruimte? Je treuzelt omdat je bang bent voor een conflict? Je treuzelt omdat je wilt uitstellen wat er nog wel is. Je wilt het moment bevriezen. In het hier blijft alles nog even hetzelfde. Ik schreef er meer dan driehonderd woorden bij.

Schrijven zou nooit een uitgedacht plan worden. Al schrijvende stel je jezelf ook steeds opnieuw vragen. Zonder deze vragen zou je het verhaal en daardoor het plot ook niet kunnen schrijven. Fascinerend!

Wil je mijn blogstukjes in je mail ontvangen? Abonneer je dan hier.

Dat kleine kaboutertje dat niet kon praten.

Er stonden vetplanten in de vensterbank. Grote en kleine potten. Er hingen vergeelde gehaakte gordijntjes aan de rails die halverwege stopten. Je kon tussen de bovenkant van de gordijntjes en de planten in de vensterbank net naar buiten kijken als je in een stoel zat in de hoek. Ergens in de hoek van de vensterbank stond een klein kaboutertje. Zijn hoofd stond scheef. Het was een vreemd gezellig beeldje in die vensterbank.

Wat nog meer vreemd was waren twee mannen in witte pakken. Ze liepen achter die vensterbank langs en bukten af en toe. Ze droegen niet alleen witte pakken, ze hadden ook lichtblauwe mondkapjes voor hun mond. De avond viel en de lantaarnpalen lieten hun licht schijnen in de stille straat.
De vetplanten waren vergroeid leek wel. Ze kronkelden naar boven, in elkaar. Net boven de hoogste plant was een veeg op het raam te zien. Een veeg die je er niet liet zitten want het zou je zicht belemmeren. Normaal gesproken zou zo’n dikke wittige veeg er sowieso niet horen.

Op de eerste etage woonde een oudere man alleen. Hij stierf waarschijnlijk in het bijzijn van iemand die er niet hoorde of alleen. Ik zie dat raam met die enorme planten en dat gordijntje en vraag me af wat er zich heeft afgespeeld op die ene zondagmiddag laat voordat de lantaarnpalen aangingen en het licht naar binnen scheen door zijn raam. Dat kleine kaboutertje dat niet kon praten. De klok die verder tikte. En even later vreemde mensen in de woning in witte pakken die met blauwe zakken weer de trap af liepen naar beneden. Mensen die niet op visite waren. En het leven ging door.

Wil je mijn blogstukjes in je mail ontvangen? Abonneer je dan hier.

Door de site te te blijven gebruiken, ga je akkoord met het gebruik van cookies. meer informatie

De cookie-instellingen op deze website zijn ingesteld op 'toestaan cookies "om u de beste surfervaring mogelijk. Als u doorgaat met deze website te gebruiken zonder het wijzigen van uw cookie-instellingen of u klikt op "Accepteren" hieronder dan bent u akkoord met deze instellingen.

Sluiten