Golfpraatjes.

Ze stonden te kijken waar ze op het terras neer zouden strijken en besloten zonder te vragen dat ze pal naast me gingen zitten. Net ervoor was mijn gezelschap opgestaan om binnen een drankje te halen. Ik had geen tijd om te vragen of zij een plekje wilden vrij houden.
Het waren wat oudere golfers. Ze legden hun golfclubs op de tafel dicht tegen mijn spa rood waardoor ik het flesje moest verplaatsen. Ze droegen allen handschoenen en petten die ze allemaal afdeden. Het bier kwam al snel op tafel. Ik vroeg me af waarom sporters na het sporten aan de alcohol zaten. Ze telden punten, hadden het over handicaps en sjoemelen en andere dingen. Er was een dame, een tengere kwieke tante met nerveuze trekken, die het voortouw nam. Ze pakte de ingevulde kaarten bijeen en stond op om het gezelschap toe te spreken. Ze lachte een beetje zenuwachtig en schraapte diverse malen haar keel. Mijn gezelschap kwam weer naar buiten en wurmde zich in de bank met een drankje. Het kon net.

‘Normaal gesproken bij wedstrijden doen we altijd het golfpraatje. Het weer was goed, de baan lag er mooi bij.’
Er werd gegniffeld.
‘We hebben de scores bij elkaar genomen en er is een winnaar uitgekomen.’
Het bleef vervolgens heel lang stil. Mijn gezelschap en ik wilden nu ook weleens weten wie er gewonnen had.
In de kantine werd er opeens gejuicht. De flatscreen stond aan. Een wedstrijd voetbal.
‘De winnaar van vanmiddag is…’
Er werden handen op de tafel geslagen. Wat een spanning.
‘De winnaar is Maria!’

Maria wist niet wat haar overkwam en ging rechtop zitten. Haar buurman gaf haar een dikke pakkerd maar daar leek ze minder van gediend.
‘Hoe kan Maria gewonnen hebben?’ vroeg een ander opeens.
De kwieke tante die het woord had genomen ging met een flinke zucht zitten.
De sfeer sloeg om. Ik keek mijn gezelschap aan.
‘Ik ga weer hoor. Bedankt voor alles.’ zei Maria. Ze stond langzaam op, nam haar handschoenen en sjokte weg.

Wil je mijn blogstukjes in je mail ontvangen? Abonneer je dan hier.

Het was een knap staaltje locatietheater.

Onderuit zit ik bij Barrevoets (Leeuwarden) in een sofa met een gemberthee terwijl ik uit het raam kijk. Het straatje is niet heel breed, er lopen en sjokken mensen voorbij. Tegenover Barrevoets zit een bakkertje. ‘Vers brood, zonder E nummers’ staat er op een bord. Er komt een lange mevrouw aangelopen. Haar ene been lijkt wat korter dan het andere dus ze waggelt een beetje heen en weer. Ze draagt Dr. Martens schoenen en zwarte broek en trui. De trui heeft wijde armen met punten eraan. Ze heeft een klein hondje bij haar. Even staat ze stil voor het bakkertje. Dan besluit ze naar binnen te gaan. Maar dan gaat het mis.

Op een houten kist net voorbij de deuropening staat een enorme ouderwetse zilverkleurige ventilator te waaien. Wankelend stapt de vrouw de drempel op met haar hondje voor zich. Even puft ze uit en wil vervolgens doorlopen. De punt van haar mouw haakt echter in de ventilator. Terwijl ze er geen erg in heeft loopt ze door. Ze voelt dat iets trekt en sjort aan haar mouw. Ik zit meteen rechtop in de bank. In een slow-motion valt de grote ventilator om. Het beestje kan nog net opzij rennen. De vrouw slaakt een kreet. Paniek.

De eigenaresse komt aangesneld. Het hondje rent paniekerig heen en weer, de vrouw trekt aan de riem terwijl de ventilator op de grond pogingen doet rond te draaien. De bakkersvrouw probeert de zware ventilator omhoog te krijgen en weer op de houten kist te zetten terwijl het hondje voor haar voeten rent in blinde paniek. De vrouw van het hondje trekt aan de riem. Chaos.

Als de ventilator dan eindelijk staat lijkt de bakkersvrouw weer de boel onder controle te krijgen en aait de lange vrouw even over haar arm. Ze duwt daarmee zachtjes de vrouw weg van de ventilator.

Het was een knap staaltje locatietheater. Maar dan echt. Daarvoor hoefde ik niet eens naar Oerol toe.

Wil je mijn blogstukjes in je mail ontvangen? Abonneer je dan hier.

Waar ben je?

Via het nieuwsbericht over sommige jongeren die achtergelaten worden in het buitenland, bijvoorbeeld door uithuwelijking, dacht ik ineens aan dat meisje in mijn klas. Ze had roetzwarte haren. De haartjes op haar bovenlip en onderarmen waren ook best zwart. Ze heette Sevil. Ze was best verlegen, sprak weinig en zat meestal tijdens het speelkwartier op een stoepje. Later zat ze in mijn groepje in de klas. Destijds was ik te jong om alles te begrijpen. Ik zag alleen dat ze anders was dan wij. Donker, stil en uit een land met een andere taal. Tot Sevil op een eerste schooldag na de zomervakantie er niet meer was.

Het tafeltje waaraan ze zat was leeg. Haar stoel was leeg. Haar laatje, zagen we, was niet uitgeruimd. Haar etui lag er nog in. Alsof ze zelf ook wel wist dat ze weer naar school zou gaan. De leraar stond voor de klas en was stil. Hij wist ook niet wat er was gebeurd. Ze was niet ziek gemeld. Hij zou gaan bellen, zei hij.

Een week of twee later was ze nog steeds niet in de klas. Het andere buitenlandse kindje bij ons huilde. In de pauze troostten wij haar. We snapten zelf ook niet goed wat er aan de hand was maar iets was er mis. Waar was Sevil?

Waar ben je nou?

We hoorden pas veel later, via de wandelgang in de school en buiten op het schoolplein van ouders wat er werkelijk was gebeurd. Sevil was door haar ouders meegenomen op vakantie, zo zeiden ze, naar hun geboortegrond. Maar Sevil bleef weg na de vakantie. Sevil was nu, op elf jarige leeftijd, getrouwd.

Wil je mijn blogstukjes in je mail ontvangen? Abonneer je dan hier.